zondag 18 november 2012

De kwab van Swaab

Uit welke hersenkwab van Dick Swaab komt toch het wanstaltige idee voort dat ‘wij ons brein zijn, zelfs als het kunst betreft’ (zie NRC Handelsblad van 30 oktober)? Ergens moet bij hem een kortsluiting of vernauwing (hij zal zelf spreken van ‘neurale cognitieve inhibitie’) plaatsvinden die verder-denken-dan-zijn-voorhoofdskwab-lang-is onmogelijk maakt. Aan de andere kant, dat Swaab zijn neiging om elke vorm van menselijk gedrag vanuit de hersenen te verklaren toepast op kunst, biedt een mooie gelegenheid om de onzinnigheid van zijn opvatting eens van een andere kant ten tonele te brengen. 
Laten we bij kunst beginnen. Er valt in algemene gedragsmatige termen bitter weinig over kunst te zeggen. De diversiteit is domweg te groot. Om Jeroen van Merwijk te parafraseren: Er is realistische kunst en abstracte kunst. Er is kunst gericht op volledigheid en kunst gericht op details. Er is kunst in zwart/wit en in kleur. Er is kunst die overdrijft en er is kunst die zeer natuurgetrouw weergeeft. Er zijn verschillende culturen die verschillende perioden van verschillende kunstvormen kennen. Er zijn verschillende kunstenaars die verschillende materialen en technieken gebruiken met verschillende intenties, en waarvan de werken door verschillende mensen op verschillende wijze worden begrepen en gewaardeerd. Er is schrijfkunst, schilderkunst, filmkunst, fotokunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, perfomatieve kunst, straatkunst en landschapskunst. En, er zijn textiele werkvormen.

Ut Absordasties Rejielasme van Jeroen van Merwijk


En dan zijn er Dick Swaab en zijn vakgenoot Vilayanur Ramachandran. Beiden zijn uitmuntende neurologen. En beiden hebben de neiging om de resultaten die ze in hersenonderzoek boeken te veralgemeniseren naar al het menselijk gedrag. Dat is op zich al niet overtuigend, maar het wordt wanstaltig als zij het over kunst gaan hebben. Zo schrijft Swaab: “Hersenonderzoek laat een objectieve basis zien voor de ervaring en productie van schoonheid.” Ik weet niet wat hij onder ‘objectieve basis’ verstaat, maar waarschijnlijk betekent het ‘neuraal substraat’. Als dat zo is, dan laat hersenonderzoek zien dat er neurale activiteit is bij kunstbeleving. Een triviale bevinding waarop mijn kinderen dan ook zouden reageren met een “Ja, duh!” 
Swaab geeft ook nogal hoog op van het principe van overdrijving, dat Ramachandran uitgebreid heeft beschreven. En uiteraard weet Swaab uit de schat aan kunstvoorwerpen die de mensheid heeft voortgebracht, enkele te kiezen waarbij overdrijving ontegenzeggelijk een rol speelt. Maar wat zegt dat? Het is alsof we uit de totale verzameling vrouwen honderd sm-meesteressen kiezen om daaruit af te leiden dat alle vrouwen een aangeboren neiging tot overheersing hebben. Pseudowetenschap begint bij het weglaten van stapels tegenvoorbeelden. Pseudowetenschap begint bij onbezonnen overdrijving. 
De werkelijke interessante vraag is waar de ongekende rijkdom aan schilderijen, boeken, foto’s, films, beeldhouwwerken, artefacten en muziekstukken vandaan komt. (Dat hangt samen met het feit dat we allemaal verschillende hersenen hebben! Ja, duh…) 
Charles Darwin zette de biologie op een nieuw spoor door te wijzen op de alom aanwezige variatie binnen soorten. Een variatie die op haar beurt slechts evolutionaire betekenis krijgt in een omgeving. We kunnen niet begrijpen waarom gazelles zo licht, wendbaar en snel zijn, als we niets weten over leeuwen of jachtluipaarden. We kunnen niets begrijpen van de huidskleur van mensen als we niets weten over zonlicht en klimaat. 
Precies hetzelfde geldt voor kunst en kunstenaars. Het impressionisme, een stroming waarbinnen de variatie enorm is, valt niet te begrijpen door slechts te kijken naar mensenhersens. Fotografie, verftubes, draagbare schildersmaterialen en ontwikkelingen in filosofie en wetenschap speelden bij de opkomst en vorming van het impressionisme een veel grotere rol dan de hersenen van Monet. Net zo kunnen we Romeinse bouwstijlen prima begrijpen zonder de hersenen van Nero, maar niet zonder kennis van de historie van beton en wiskunde. En zelfs de meest uitgebreide scan van de creatieve kwabben van Andy Warhol zal niet duidelijk maken waarom hij juist de banaliteit van Brillodozen tot kunst verhief. 


Dat brengt ons terug bij Swaab zelf. Want, waarom wil hij alles begrijpen vanuit het brein? Is dat een fout in zijn slaapkwab? Nee, althans, niet noodzakelijk. Swaab denkt en werkt binnen een seculariserende Joods-Christelijke cultuur. In die cultuur heeft God weliswaar afgedaan als Schepper, maar is de idee dat alle beweging een duidelijke oorsprong moet hebben nog steeds volop aanwezig. De bewegingen van mensen moeten ergens beginnen, en waar anders dan in het brein, zo is de gedachte. Zoals God de wereld schiep, zo schept het brein het handelen. Swaab kan niet anders dan dit bizarre credo uit zijn omgeving doorgeven. Had hij zich in een andere cultuur bevonden, dan was de gedachte niet eens bij hem opgekomen. Waarom niet? Omdat Swaab niet zijn brein is, maar een organisme dat dankzij lichaam, zintuigen en hersenen het merendeel van de tijd doet waar de omgeving het toe aanzet. Dat is maar goed ook, want als hij echt zou nadenken over de uitspraak “Wij zijn ons brein,” dan zou hij verdwalen in de wirwar van windingen in zijn binnenkamer.

vrijdag 2 november 2012

Peek en Poke in Perspectief


Doodstil is het, in de bioscoop, tijdens het lezen van een boek of tijdens de uitvoering van klassieke muziek. We kijken naar het scherm, laten onze ogen in alle rust over de regels glijden, of sluiten onze ogen om de stiltes tussen het geluid nog beter te kunnen horen. In het Tate Modern op een bank, recht tegenover Weeds (1996) van Yayoi Kusama, worden we omringt door een oase van stilte, waarin gedetailleerde patronen en subtiele groennuances aan ons verschijnen. Dit is geen werk om al pratend langs te lopen.

Yayoi Kusama, Weeds, 1996
Afbeelding: www.worldmalls.com

De meest hedendaagse vormen van kunstbeleving zijn gebaseerd op een verstilde vorm van waarnemen, en in die zin sensomotorisch zeer specifiek. Als verdoofd zitten of staan we stil en om naar een kunstwerk te kijken, een boek te lezen, of te luisteren naar muziek. Onderzoek van Miguel Nicolelis laat echter zien dat dansen, het spelen van luchtgitaar, of dirigentmimesis, wel degelijk een verschil kan maken voor wat iemand hoort. Beweging, ritmische beweging op basis van muziek bijvoorbeeld, breng ons in een andere neurale toestand, brengt andere receptieve velden en een andere hersenorganisatie met zich mee zodat een kunstwerk op een andere wijze aan ons verschijnt. Sensomotorische patronen zijn bepalend voor kunstbeleving, terwijl tegelijkertijd dominante cultuuruitingen zijn gebaseerd op verstilling. Verstilde kunstbeleving is een uiterste van een enactivistisch spectrum waarin van de bewegingen van het lichaam in relatie tot een omgeving in variërende mate gebruik wordt gemaakt.

Klik hier voor het essay Peek en Poke in Perspectief, dat verscheen in Filosofie & Praktijk, oktober 2012, jaargang 33, nr. 3

zaterdag 29 september 2012

Negeren en hopen dat het overwaait

Opiniestuk geplaatst in het NRC Handelsblad van vrijdag 21 september 2012

“Moslimleiders van over de hele wereld hebben tamelijk laconiek gereageerd op de film The Innocence of Muslims. De meesten spraken van een kinderlijk filmpje dat maar weer eens aantoont dat het geestelijk niveau van sommige Amerikanen dat van een puberende kameel niet overstijgt.”
Waarom was dit niet wat de nieuwsbulletins meedeelden? Waarom gebruikten moslimleiders dit onbenullige filmpje niet om morele superioriteit tentoon te spreiden? Waarom leidden veertien minuten onzin daarentegen tot een serieuze golf van geweld?
Wat vaak wordt vergeten in politieke analyses is dat culturele uitingen (zoals boeken, muziek, films en spotprenten) slechts inhoud krijgen doordat er tradities bestaan waarbinnen mensen leren hoe ze met deze media moeten omgaan. Wij tolereren films als The Life of Brain, The Passion of the Christ en The Anti-Christ, omdat we vele duizenden uren training met het medium film achter de rug hebben. Dat wil niet zeggen dat we al deze films mooi vinden of waarderen, maar wel dat we weinig moeite hebben om aspecten te herkennen als diepere betekenis, humor, onzin, cynisme, ironie en scherts. Wij zijn als kijkers getraind binnen een barok gelaagde traditie van dubbele bodems, schijnbare en daadwerkelijke belediging, parodie en satire.
Binnen deze kijktraditie is het de laatste veertig jaar zelfs steeds lastiger geworden om wereldschokkende kunstwerken te maken. Marina Abramovic die zichzelf tot bloedens toe bewerkt, Tinkebell die haar kat wurgt en vermaakt tot handtas of Wim Delvoye die varkens tatoeëert, ontregelen ons, maar tegelijkertijd beschikken we over middelen om afstand te nemen en naar achterliggende betekenissen te zoeken. Kunstenaars brengen ons wel in beweging, maar zetten niet meer aan tot groteske verontwaardiging of fysiek geweld. De jaren ’60 en ’70 zijn voorbij (waarmee niet gezegd is dat ze niet kunnen terugkomen).
Deze gelaagde wijze van kijken is echter geen gemeengoed. Het idee dat een uiting niet zomaar staat voor wat het op het eerste gezicht is, is zelfs binnen de qua omvang beperkte Nederlandse cultuur niet aan iedereen besteed. Koot en Bie stopten met hun Tegenpartij (een overduidelijke parodie op ultrarechtse partijen) toen her en der satellietpartijtjes werden opgericht en de Centrum Democraten passages uit hun scherts partijprogramma (Rugop ’81) hadden overgenomen. Freek de Jonge voegde lagen toe aan de parodievorm van Koot en Bie, en bespotte via de kijker zichzelf en zodoende weer de kijker. Daarmee bereidde hij de weg voor Theo Maassen en uiteindelijk Hans Teeuwen. Vooral die laatste balanceert in zijn shows op de grens van het navolgbare, en weet derhalve als geen ander wat er gebeurt als de diepte van de blik van het publiek ontoereikend is.
Aangezien niet iedereen dezelfde mogelijkheden krijgt om zich kijktradities eigen te maken, leidt dit proces van toenemende gelaagdheid onvermijdelijk tot ongelijkheid. Wat voor de één een belediging is, is voor de ander juist een bevestiging van haar superioriteit. Waar de één zich beledigd voelt door zoiets triviaals als een spotprent, daar zullen driedubbel gelaagde kijkers schouderophalend reageren met: “Had de beledigende partij geen dubbelzinnigere of humoristischere wapens ter beschikking dan dit zielige gedoe?” Waar de één snel op haar tenen is getrapt, daar zal de ander zich juist beledigd en buitengesloten voelen als anderen voor haar op eieren lopen.
De Islam is geen achterlijke cultuur, maar wel een cultuur met een minder rijk gelaagde kijkersblik. En bizar genoeg deelt Geert Wilders in deze armoede. Ook hij is niet achterlijk, en wellicht zelfs net zo intelligent als moslims, maar ook zijn blik kent noch ironie noch zelfspot noch zelfrelativering. Daardoor zal hij voor het overgrote deel van de Nederlanders nooit aantrekkelijk worden. Dat deel heeft teveel trainingsuren cabaret, film en spotprenten achter de rug, en neemt zichzelf nimmer serieus genoeg voor een stem op Wilders. Of, zoals Aboutaleb bijna zegt, “Ze zullen hem met een korreltje zout nemen.”
The Innocence of Muslims is een onbeduidend prutswerkje, van het niveau Fitna, dat roept om een hautaine, ironische reactie. Dat moslimleiders vragen om respect en de Amerikaanse regering dwingend verzoeken om het filmpje te verbieden en de makers te straffen leidt tot een geestige culturele paradox. Obama heeft genoten van de shows van Richard Prior en Eddy Murphy. Clinton heeft de elpees van Bette Midler grijs gedraaid. Ze weten dat als ze geen actie tegen het filmpje ondernemen, ze de moslimleiders beledigen. En tegelijkertijd voelen Obama en Clinton dat als ze wel in actie komen, ze de moslimleiders bestempelen als armoedige kijkers, en zichzelf tot hetzelfde niveau verlagen.
Hopelijk wordt in de toekomst iedere missie van militairen of politiemensen gevolgd door een horde cabaretiers, theatermakers, filmkunstenaars en stand-up comedians. Maar voor nu is negeren, stilzwijgen en bidden dat de storm zonder al te veel schade overwaait de beste remedie, en moeten opiniestukken zoals dit niet worden geschreven.

donderdag 12 januari 2012

De pijn van prikkeldraad


Voor de Business Lounge van het Groninger Museum ontwierp Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) een tafelkleed met motieven die ondubbelzinnig verwijzen naar concentratiekampen. Op het damasten kleed prijken spoorrails, barakken, wachttorens, rollen prikkeldraad en een stapel brilletjes. Het ontwerp heeft de Business Lounge nooit gehaald, maar het is aan de vergetelheid onttrokken door televisieprogramma’s, kranten en websites. De commotie rond de verwijzingen naar concentratiekampen is nog verder aangewakkerd door het ontwerp voor een hek rond de villa van een verzamelaar in Bentveld. Ook in dit hek zijn prototypische kampelementen verwerkt. Boven de toegangspoort opgetrokken uit de rokende schoorstenen van verbrandingsovens prijkt een verwijzing naar concentratiekamp Buchenwald: “Jedem das Seine.”
In, vaak bewogen, beschouwingen vragen critici zich af wat Job in ’s hemelsnaam voor ogen kan hebben gehad met deze ontwerpen, of de motieven van Job wel zuiver zijn, of Job zich wel als designstudio mag profileren, en of een dergelijk ontwerp wel geschikt is voor een openbare ruimte zoals een museum of een villawijk.


De commentaren van de critici bevatten een opvallende grootste gemene deler: de fout wordt uitsluitend gezocht bij Studio Job. Volgens de één zou Job zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de gevoeligheden die het thema omringen. Volgens een ander was Job slechts uit op gemakkelijk effectbejag. Een derde betreurt de oppervlakkigheid van de ontwerpen. Weer een ander vindt dat Job zich beter onder kunstenaars dan onder designers zou kunnen scharen, waarbij het nog maar de vraag is of het goede kunstenaars zouden zijn. Een laatste vindt dat er nauwelijks is nagedacht over de impact van dergelijke ontwerpen op argeloze voorbijgangers. De teneur moge duidelijk zijn. Impliciet wordt geconcludeerd dat de fout in ieder geval niet ligt bij het publiek of de critici.
Maar de betekenis van ontwerpen en kunstwerken kan niet zomaar worden herleid tot de designers of de werken zelf. Dat is precies wat Marcel Duchamp ons leerde toen hij in 1917 een urinoir, gesigneerd “R. Mutt,” inzond voor een tentoonstelling in New York. De organisatie vatte het op als een belediging en weigerde het werk. Maar, bijna een eeuw later, werd hetzelfde werk van dezelfde kunstenaar door vijfhonderd kunstkenners verkozen tot het meest invloedrijke kunstwerk uit de 20ste eeuw. Was de kunstenaar of het werk in de tussenliggende periode veranderd? Nee, wat was veranderd, was de relatie met publiek en critici. Achteraf gezien werd de betekenis van Duchamp’s urinoir in eerste instantie bepaald door de armoede van het publiek, en niet door de afstotelijkheid van een pisbak, de onheuse intenties van Duchamp, of de vraag of een urinoir wel in een openbare ruimte mag hangen. Op de langere termijn verrijkte Duchamp’s werk het publiek en daarmee de plaats van kunst in onze samenleving.
Designstudio’s, zoals Studio Job, bestaan bij de gratie van de esthetische en hedonistische levensinstelling van hun publiek. Een goed glas wijn, naast een notebook van Steve Jobs, zijn iPhone, trendy merkkleding, een passende auto en een design interieur zijn eigentijdse voorwaarden voor een goed leven. Zelfs in de meest barre omstandigheden klinkt de verzuchting: “Ik ga er in ieder geval van proberen te genieten.” Als deze argumenten van lifestyling al worden overtroffen dan slechts door argumenten van economie of efficiency. Uiteindelijk mag alles wijken voor de waarde van aandelen of de euro. De wreedheden als gevolg van bezuinigen en de daarvoor benodigde politieke compromissen verdampen in het licht van dit hogere doel. Zo gijzelen verrijkende groei en schone genotzucht onze ethiek.
Een dergelijk publiek, dat zich dus doorgaans de koning te rijk weet met de ontwerpen van Studio Job, is uiteraard geschokt door de aanblik van een gestileerd concentratiekamp. Maar die schok is niet het gevolg van de verwijzing naar de wreedste periode uit de recente historie. Wat vooral pijn doet is de confrontatie met onze eigen voorliefde voor design die tevens een vlucht voor ethische vragen inhoudt. Daarom kan ook alleen een designstudio, waarvan we uitsluitend schoonheid verwachten, deze werken maken.


Studio Job heeft een laatste stap gezet naar de plek waar zij noodzakelijkerwijs toch wel zouden zijn uitgekomen. Hun werkwijze heeft altijd al bestaan uit het grotesk uitvergroten van prototypische kenmerken. Als een postmodern museum dus vraagt om een tafelkleed voor de business lounge, een ruimte die slechts voor de happy rich few toegankelijk is, waarom dan niet een groteske verwijzing naar een fantastische maaltijd onder het genot van klassieke muziek terwijl op de achtergrond mensen sterven? Waarom mag een hek rond een landgoed in een zeer welgestelde buurt, dan niet veranderen in het ultieme symbool van de vernietiging van niet ons soort mensen?
Job laat slechts zien dat design, net als kunst, een spiegel kan zijn.

vrijdag 6 januari 2012

Blij met een dood vogeltje

De grote boosdoener, de grote filosofische boosdoener is informatie. Informatie is voor de meeste hedendaagse denkers wat res cogitans was voor René Descartes: een manier om over de menselijke geest te kunnen spreken zonder de hindernissen van natuurwetenschappelijke strengheid. Nergens is de kracht van informatie sterker dan in neurologisch - of neuropsychologisch onderzoek en de daaraan gelieerde philosophy of mind. Informatie is daar een kritiekloos geaccepteerde goochelterm, een deus ex machina om gedachtenspinsels met hersenweefsel te verbinden. Zelden laat een beschrijving in termen van informatie of informatieverwerking meer over de menselijke geest of hersenen zien dan het onvermogen om een verschijnsel wetenschappelijk te benaderen. Tijd dus, om deze uitwassen van informatie weg te snoeien.

Dit korte essay is verschenen in Qualia, het blad dat wordt uitgegeven door STUFF, de studievereniging van de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

Nieuwe website!

De website www.liaturches.nl is geheel vernieuwd en aangepast. Voortaan kunt u dit blog ook via deze site vinden. Daarnaast bevat de website aanvullende elementen, zoals Powerpoint presentaties van workshops en lessen, links over filosofie en foto's. Nieuwe blogs worden daar ook aangegeven onder het kopje "Nieuws".
Welkom dus op Liaturches - filosofie.

maandag 17 oktober 2011

Waarom geen oase van levenskunst?


Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw is werk, en dan uiteraard het liefst betaald werk, het hoofddoel geworden van mensenlevens. Dat wil zeggen, het is het hoofddoel geworden van gezonde mensenlevens. Zoals Michel Foucault laat zien in zijn boek “Geschiedenis van de Waanzin,” worden vanaf die zeventiende eeuw mensen die niet willen of kunnen werken opgepakt en opgesloten, om te worden hervormd via een uitgekiend rehabilitatieprogramma dat ze weer klaarstoomde voor arbeid. Iemand die niet kan of wil werken is vanaf dan uitschot of excentriek of idioot of alle drie. Een leven zonder werk werd een leven zonder gezondheid. De eerste vraag bij kennismaking werd “Wat doe jij eigenlijk?”, en “Helemaal niets, wat rondhangen en genieten van de natuur” was niet langer een geaccepteerd antwoord.
Hoe anders was het in de tijd van de Griekse filosofen, ruim tweeduizend jaar geleden. In het leven van filosofen zoals Socrates, Diogenes en Epicures draaide het beslist niet om de beslommeringen van een betaalde baan. Dit waren mannen die baadden in vrije tijd, zich met maaltijden lieten betalen voor hun filosofische kunsten of zich oefenden in een leven met schaarste. Zij zouden ons hebben beschouwd als moderne slaven, van onze vrijheid beroofd door de financiële ketting van hypotheken, leningen, creditcards en belastingen. Werk maakt van onze lichaam en geest knechten. Ons lichaam slijt van het vroege opstaan, forenzen en de sleur van vergaderingen en het klaslokaal. Onze geest wordt gericht naar de bovenmeesters die de financiële wereld beheersen. Zonder uitzondering zijn we ervan overtuigd dat we een arbeidzaam, dus zinvol leven leiden, en dat ten minste enkele van onze leerlingen door ons toedoen goed terecht zijn gekomen: in een leuke baan. Desgevraagd kunnen we tientallen argumenten geven waarom een leven met een baan beter is dan een werkeloos bestaan.
Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn, ware het niet dat werkenden het beslist niet kunnen aanzien als iemand op een alternatieve wijze zijn leven inricht. Zitten vissen langs de waterkant, de eentjes voeren in het park, door de stad slenteren, tegen blikjes schoppen, op een grassprietje sabbelen, een praatje maken met een toevallige voorbijganger, achter de televisie hangen en stiekem gluren naar de lieve buurvrouw, kunnen geen zinvolle elementen van een mensenleven zijn. We worden steeds intoleranter ten opzichte van de dorpsidioot, de zwerver en de alternatieveling. “Zoek toch een baan!,” roept onze jaloerse geest, “Wie niet werkt, zal ook niet eten (en zeker niet van mijn zuurverdiende geld)!”

Daarom worden mensen die niet kunnen werken uit de maatschappij gehaald. We leven in een kenniseconomie, en iedereen die achterblijft in kennis of economische bijdrage is dus een bedreiging voor de gezondheid van onze samenleving. Voor deze afwijkende mensen resteert er slechts één mogelijkheid: buitensluiting. Net zoals melaatsen de stad moesten verlaten om de gezondheid van de rest van de bevolking niet aan te tasten, zo moeten de niet-werkenden als een gezwel uit ons midden worden weggesneden. We zijn doodsbenauwd voor besmetting. Welke ouder wil nu dat het niveau in de klas van zijn beloftevolle dochter onderuit wordt gehaald door een gehandicapte dwaas? We willen een leven met een gezond arbeidsethos, om ondertussen te dromen van ons pensioen.
Scholen in het speciaal onderwijs(S.O.) zijn een opvangplaats voor uitgestotenen. Zij ontvangen de leerlingen van wie het gedrag, de gezondheid of geestelijke vermogens ontoereikend zijn om ten volle in de kenniseconomie mee te draaien. S.O.-scholen zouden dus een oase van rust kunnen zijn, een plek waar de duizelingwekkende snelheid van de wereld wordt vertraagd. Leerlingen zouden kunnen worden onderwezen in levenskunst. Ze zouden kunnen leren hoe een zinvol bestaan zonder werk is vorm te geven, een bestaan in de luwte van de maatschappij. Ze zouden kunnen worden onderwezen in het experimenteren met hun leven: wandelen met de hond, schilderen in het buurthuis, eten met de buren, een boodschap doen voor de basisschool, slenteren over de markt, vissen langs de waterkant. Uiteraard zou hun leven net zo veel pijnlijke momenten kennen als het leven van ons allemaal, en misschien wel meer. Maar, ze zouden leren hoe de pijn te verdragen en hoe tussendoor ontspannende en zinvolle perioden te creëren. En wellicht zouden hun levens zo kunnen bijdragen aan ons eigen inzicht in onze onvolkomenheden en dwaasheid.
Maar zo is het niet, in tegendeel. S.O.-scholen zijn klinieken geworden waarin de etterende wond van een werkloos bestaan zoveel mogelijk gestelpt. Niet levenskunst, maar arbeidstraining en stage staan centraal. Op internet worden foto’s geplaatst van leerlingen die een certificaat hebben gehaald, en misschien wel werk zullen vinden. En ik wed dat de meest succesvol geachte trajectplannen eindigen met “Betaald werk” en een uitroepteken. Met andere woorden, S.O.-scholen zijn geenszins een veilige haven waar degenen rust vinden die niet mee kunnen draaien in de vaart der volkeren. Nee, zelfs op S.O.-scholen worden ze achtervolgd door reken-, taal- en handvaardigheidsonderwijs gericht op een terugkeer in de kenniseconomie. Uiteraard met de beste bedoelingen, omdat de ouders erom vragen, omdat de inspectie erop afrekent, omdat ze enorm blij zijn als ze een baantje hebben en ook omdat we niets beters kunnen verzinnen.
Zo lopen zelfs S.O.-scholen, kort aangelijnd aan de leiband van de kenniseconomie, van arbeidstraining, naar stageproject, naar leerwerktraject en weer terug. En dat geeft ons, hardwerkende mensen, de mogelijkheid om onze eigen idiotie als volkomen normaal te beschouwen. Waarvoor dank!

zaterdag 15 oktober 2011

Warm en koud eten

Koude empathie is het ergste dat een mens kan krijgen toebedeeld. Koude empathie is het gevolg van het onvermogen om zich verplaatsen in het leven en de geest van mensen die niet voldoen aan de door massamedia verspreide stereotypen. Uiteraard, hebben we allemaal begrip voor een moeder die na een aardbeving wanhopig op zoek is naar haar jongste dochtertje die op het cruciale moment haar hand had losgelaten. Moeders houden immers, zo leert iedere Hollywoodfilm, zielsveel van hun kinderen. Volgens hetzelfde genre bekoelt vaderliefde iets sneller, zeker als er seksuele of zakelijke belangen in het geding zijn. Daarom begrijpen we de vader die zijn zoontje te laat van de crèche haalt omdat hij nog een stapel dikke dossiers met zijn secretaresse moest doornemen.
We hebben aanmerkelijk meer moeite om ons in te leven in een moeder die op het cruciale moment van de aardbeving de hand van haar verstandelijk gehandicapte dochtertje losliet, of de vader die vanwege de melkplekken op zijn pak en stropdas verzuimt een order binnen te halen. Zoiets doe je toch niet? Hij had zich toch even kunnen omkleden? Het wordt helemaal lastig als ons wordt gevraagd mee te leven met een vrouw die een burka veilig en zelfs seksueel opwindend vindt. We trekken de wenkbrauwen op bij het idee alleen al dat er jonge meiden zijn die bewust loverboys zoeken, om er later vreselijk spijt van te krijgen. En om mannen die door hun vrouw worden mishandeld, moeten we op zijn minst meewarig glimlachen. Dat kennen we niet uit Hollywood.
Volgens de Amerikaanse filosoof Richard Rorty leidt koude empathie tot wreedheid. Nietsontziend spreken we over de burka of over loverboys, en maken we grappen over mannen met blauwe plekken in hun ziel. Gestoorde vrouwen, naïeve pubermeisjes en mietjes hoef je niet met al te veel empathie tegemoet te treden. Ze verdienen een psychologische behandeling, en slechts in die zin medeleven. Dus leidt de behandeling die we ze geven niet zelden tot een wrede vergroting van hun leed.


Dankzij Walt Disney zitten dieren gevangen in dezelfde wreedheidsparadox: op grond van een empathie ontwikkeld in relatie tot Dombo, Babe en The Lion King zijn we dieren gaan zien als redelijke wezens, die domme en gemene circusartiesten, boeren, en jagers in medemenselijkheid ver overtreffen. Tegelijkertijd zijn we circusartiesten, boeren en jagers gaan verachten om hun beneden gemiddelde intelligentie en gewetenloze moordneigingen. De Partij voor de Dieren, het Dieren Bevrijdingsfonds, en Stichting Lekker Dier drijven zo op een dubbele dosis koude empathie. Enerzijds doen ze gedomesticeerde en wilde dieren hopeloos te kort, anderzijds ontmenselijken ze beroepsgroepen die sedert duizenden jaren hecht met dierenlevens zijn verbonden. Thieme en Graus blinken uit in wreedheid. Diederik Stapel en Roos Vonk verzonken in ijskoude empathie met hun vooronderstelling dat vleeseters grotere hufters zijn dan vegetariërs.
  

Er was niet zoveel mis met de boerderijplaat van Jetses. De meeste boeren gaan op een door en door liefhebbende wijze met hun dieren om. Ze verzorgen, voeden en slachten op een manier die aansluit bij de geest en waardigheid van hun beesten. Dieren zijn er nu eenmaal ook om te worden uitgemolken en opgegeten. Natuurlijk, er zijn ook onder boeren grote hufters, net zoals er in de wetenschap oplichters en in de politiek populistische charlatans zijn. Maar, het grote dierenleed van onze samenleving wordt niet zozeer veroorzaakt door deze rotte appels uit het boerenbedrijf, maar door wetenschappers en politici die samen met het grote publiek zijn opgegroeid voor de videorecorder met banden van Disney. Daardoor, en alleen daardoor, ervaren we Tinkebell die een hond fileert als wreder dan Thieme die een boerengezin kapot maakt.


zondag 4 september 2011

Hooggeleerde prietpraat

In het laatste nummer van de Academische Boekengids schrijft Douwe Draaisma een mooi artikel over grensoverschrijdingen in wetenschap, It’s all right, I am a doctor. Draaisma betoogt dat emeriti, en dan met name medici, zich al te gemakkelijk en zelfs met een zeker dedain op het terrein van andere wetenschappen begeven. Als voorbeelden bespreekt hij Pim van Lommel en Dick Swaab. Beiden maken in hun bestsellers, Eindeloos Bewustzijn en Wij zijn ons brein, een uitstap naar vakgebieden waarop zij beslist niet zijn geschoold. “[M]ijn ontzag voor de cardioloog Van Lommel en de neuroloog Swaab is groot. Wat is dan het probleem? Het probleem is dat het ene boek niet over cardiologie gaat en het andere niet over neurologie,” schrijft Draaisma, om vervolgens een vileine incisie te maken in het werk van Van Lommel. De kwaliteit van de excursies die Van Lommel zich in Eindeloos Bewustzijn permitteert naar kwantumfysica en geschiedschrijving zou een sterk argument zijn om een eerstejaarsstudent te vragen een andere studie te kiezen, of in ieder geval zo snel mogelijk de het-is-maar-een-werkstuk-instelling van het VWO te verlaten. Wetenschappers mogen geen aantoonbare onzin verkondigen, zelfs artsen niet.


Het NRC Handelsblad van 2 augustus vroeg Swaab en Van Lommel naar een reactie op het stuk van Draaisma. Van Lommel ergert zich aan de toon van Draaisma: “Zelf heb ik nooit iets negatiefs over Draaisma of Swaab gezegd. […] De hersenen produceren het bewustzijn niet, maar zorgen dat je het ontvangt en ervaart.” (Dit laatste is Van Lommels uitstapje naar de filosofie, waarover later meer.)
Swaab, die er in het artikel van Draaisma iets beter vanaf komt, wil vooral specifiekere kritiek op zijn boek: “[A]ls [Draaisma] zegt dat ik geen mening mag geven over onderwerpen binnen de psychologie, filosofie, criminologie etc., dan moet hij aantonen waar ik fout zit - niet alleen: daar zit een hek omheen.”
“Daar heeft hij wel gelijk in” reageert Draaisma in het NRC.
Omdat die gerichte kritiek op Swaab in het artikel van Draaisma ontbreekt, en omdat ik er afgelopen maand tijdens zijn optreden in VPRO’s Zomergasten weer eens om zat te gniffelen, volgt nu een illustratie van de filosofische ongeschooldheid van Swaab.
Swaab heeft de titel van zijn boek, naar eigen zeggen, beslist niet metaforisch bedoeld. Wij zijn letterlijk ons brein. Bij Pauw en Witteman zei Swaab eerder: “De rest van het lichaam dient uitsluitend om dat brein te voeden en van zuurstof te voorzien, voort te bewegen en nieuwe breinen te maken.” Nu ben ik het wat dit betreft hartgrondig oneens met Swaab. Waarom zou mijn brein niet gewoon een orgaan kunnen zijn zoals andere organen? Als ik hardloop, of mij voortplant, doe ik dat dan uitsluitend voor mijn hersenen? Maar ik ga er, volgens een goed filosofisch gebruik, even vanuit dat Swaabs uitgangspunt klopt, om vervolgens te bekijken hoe dit uitgangspunt zich verhoudt tot andere beweringen van Swaab. Dus, wij zijn ons brein, en meer specifiek, ik ben mijn hersenen.
Op de website van Zomergasten staat: “In de vorig jaar verschenen bestseller Wij zijn ons brein schrijft [Swaab] dat niet de mens het brein stuurt, maar het brein de mens, waarmee hij in vergaande mate het bestaan van een vrije wil ontkent.” In het programma God bestaat niet (RVU) wordt Swaab geïnterviewd door Paul Jan van de Wint:

Sturen wij onszelf met ons bewustzijn?
Nee, ik denk dat het bewustzijn achter onszelf aanloopt. We doen dingen en zijn het ons een fractie van een seconde later bewust. En omdat we het ons bewust zijn, waardoor we de volgende keer dat mee berekenen dat als we dat doen dan zou er wel eens dat en dat de uitkomst van kunnen zijn. Dus dat bewustzijn dat er achteraan holt heeft wel nut, maar voor de volgende keer.

Hoe nemen we beslissingen dan?
Als een heel complexe computer die gevormd is, enerzijds vanuit de genetische basis die gelegd is, en anderzijds vanuit de omgeving en de ontwikkeling die we hebben doorgemaakt. We komen in een bepaalde situatie en die computer berekent dan de beslissing op basis van de beste mogelijkheden, de beste kansen.

Dus onze hersenen hebben al een beslissing genomen voordat we ons daar bewust van zijn?
Ja, dat bewustzijn dat hobbelt achter de beweging aan.

En daardoor lijkt het net of we zelf die beslissing hebben genomen?
Ja, daardoor hebben we het idee dat we dat zelf doen.

Swaab reageerde tijdens Zomergasten ook instemmend toen Jelle Brandt Corstius hem vroeg: “Is dat niet erg pessimistisch, het idee dat ons brein alles voor ons beslist? Dan hebben we geen vrije wil meer…” Brandt Corstius wilde dat niet geloven, maar volgens Swaab is er op grond van wetenschappelijk onderzoek geen andere conclusie mogelijk.

Maar dat is vreemd, want als ik mijn hersenen ben, en mijn hersenen nemen beslissingen, dan ben ik het toch die beslissingen neemt?! Als mijn hersenen verantwoordelijk zijn voor mijn beslissingen, dan ben ik toch verantwoordelijk voor mijn beslissingen, en niet mijn bewustzijn? Als de beslissingen van mijn hersenen worden bepaald door de omgeving waarin ik mij bevind, de ontwikkeling die ik in mijn leven heb doorgemaakt, en de ontwikkeling die de soort waartoe ik behoor in de evolutie heeft doorgemaakt (mijn genetische basis), waar heb ik dan sowieso nog een vrije wil voor nodig? Om iets te doen dat nergens, echt helemaal nergens, op slaat? Juist dat lukt prima zonder vrije wil. Als het bewustzijn achter de beweging van de hersenen aan hobbelt, “achter onszelf”, dan heeft mijn bewustzijn dus weinig met mijzelf te maken. Ik ben immers mijn brein, toch?! En, hoe verhoudt dat bewustzijn zich dan tot mij, tot mijn hersenen? Is dat een soort ontvangsttoestel van de hersenen, zoals mijn televisie weergeeft wat er in omroepland gebeurt? Van Lommels opvatting, maar dan in omgekeerde richting? En, als het bewustzijn nut heeft voor een volgende keer, ontvangen de hersenen dat bewustzijn dan weer, precies zoals Van Lommel zegt?


Draaisma heeft gelijk. Swaab en Van Lommel stuntelen net zo met filosofische vraagstukken als middelbare scholieren met hun eerste liefde. Daarin schuilt wellicht ook de populariteit van hun boeken. Het is voor lezers erg moeilijk om het onderscheid te zien tussen boeken waarin wetenschappelijk gedachtegoed wordt gepopulariseerd, en boeken waarin wetenschappers borrelpraat verwarren met filosofie. En ja, Draaisma heeft nogmaals gelijk: Hierin schuilt een belangrijke taak voor de Academische Boekengids (maar wat mij betreft ook voor het NRC Handelsblad, Teleac en NTR). De vraag blijft echter of lezers die gretig Swaab en Van Lommel verslinden überhaupt wel zijn geïnteresseerd in wetenschappelijk doorwrochte bewustzijnsfilosofie.
Is hooggeleerde borrelpraat in de meeste gevallen niet genoeg?


maandag 4 juli 2011

Het digitale ontij

In 2010 hield de journalistiek op te bestaan. Niet iedereen had dit onmiddellijk in de gaten. Kranten bleven nog jarenlang verschijnen, televisiejournalisten bleven journaals verzorgen alsof er niets aan de hand was, en in Groningen trachtten Henk Blanken en Kees de Vey Mestdagh in een lezing voor het Studium Generale het tij alsnog te keren. Maar, het wereldwijde digitale tij van snelheid en beeld was allang over de dijken geslagen, en had het door journalisten ingepolderde land verzwolgen.
Blanken, adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden, en De Vey, hoofd afdeling Recht en ICT van de Rijksuniversiteit Groningen, reageerden in hun lezing op de commotie die was ontstaan door onthullingen van de website WikiLeaks. Op WikiLeaks.com werden honderdduizenden top-secret e-mails geplaatst van diplomaten. Uiteraard waren deze documenten niet vrijwillig ter beschikking gesteld, maar via een klokkenluider in handen gekomen van WikiLeaks. De wereld smulde van de documenten. Eindelijk kon met eigen ogen worden gelezen wat diplomaten schreven over de landen waarin en de mensen met wie ze verkeerden. Maar Blanken en De Vey waren niet onder de indruk.
Blanken betoogde uitvoerig dat journalisten meer doen dan documenten onthullen. Journalisten, of zoals Blanken zei “echte journalisten”, doen aan waarheidsvinding. Blanken herhaalde deze boodschap zo vaak dat het voor iedere toehoorder duidelijk werd dat het hier niet ging om een filosofische analyse, maar om het langzamerhand verstommende evangelie van een analoge journalist. Want, noch bij WikiLeaks, noch bij Twitter, noch bij Youtube was waarheidsvinding zinvol. Niemand betwijfelde namelijk de echtheid van op WikiLeaks onthulde documenten. Natuurlijk waren ze echt. Niemand vroeg zich ooit af of de tienduizenden tweets ten tijde van de onrust in de Arabische wereld echt van opstandelingen afkomstig waren. Natuurlijk waren ze dat. Niemand dacht bij het zien van schokkende onthoofdingen of gewelddadige politieoptredens, dat het in scène gezette, goed geregisseerde filmopnamen betrof. De snelheid waarmee beelden op Youtube beschikbaar kwamen, de ongekende hoeveelheid twitterende bronnen, en de onwerkelijke omvang van het diplomatiek materiaal maakten de waarheidsvraag overbodig.
In de 18e en 19e eeuw hadden journalisten het primaat op Waarheid van de kerk overgenomen. Na duizenden jaren Waarheid van de Schrift, volgenden honderden jaren Waarheid van de Drukpers. Pausen werden vervangen door Magnaten, het Edict van Nantes door de Code van Bordeaux. Maar ook Journalistieke Waarheid bleef problematisch. Vaak waren er slechts één of twee bronnen, en nog vaker slechts één journalist om die bronnen te openbaren. Wat zou er zijn gebeurd als de honderdduizenden documenten niet in handen waren gevallen van Julian Assange (de grote man achter WikiLeaks), maar in handen van het Dagblad van het Noorden? Hadden we dan maanden moeten wachten totdat Henk Blanken er een leuk overzichtsartikeltje aan wijdde?
Kees de Vey Mestdagh speelde tijdens zijn lezing de andere troef van het Analoge Evangelie. “WikiLeaks brengt niets nieuws,” zo verzuchtte hij talloze malen, “De foto’s en video’s die WikiLeaks openbaarde bevestigden slechts wat we al wisten.” Wat bedoelde De Vey hiermee? We weten dat Osama bin Laden dood is, dus de foto’s maken niets meer uit? Ik weet dat mijn vrouw het doet met de buurman, dus wat voegen videobeelden dan nog toe? Wat voegen foto’s en videobeelden überhaupt toe aan een reeds bekende boodschap?
Het antwoord: Waarheid. In ons digitale tijdperk bestaat waarheid bij de gratie van beelden, het liefst zoveel mogelijk en zo snel mogelijk. Een gelekte video vanuit een aanvalshelikopter, bewakingscamera’s die Yolante vangen of foto’s van het kapotte hoofd van Osama voegen waarheid toe aan de lettertjes van analoge journalisten. De pen is machtiger dan het zwaard, de drukpers kent meer gewicht dan de pen, maar waarheid bestaat slechts in het digitale licht.Dat besef deed aan het begin van de 21ste eeuw eventjes pijn.

zondag 31 oktober 2010

Heeft lateralisatie betekenis?

Om de menselijke geest, onze hersenen, ons denken en bewustzijn, te kunnen bestuderen zullen we ons moeten ontworstelen aan de computermetafoor. Dat zal niet meevallen. Sinds de 17e eeuw zijn de grootste wetenschappelijke successen geboekt door verschijnselen te beschrijven als mechanische, rekenkundige processen. Dat geldt vooral voor de natuurwetenschappen. Maar, ook in de menswetenschappen is de zogenaamde mechanisering van het wereldbeeld niet zonder succes gebleven. De menselijke hersenen werden achtereenvolgens gezien als een klok, een stoommachine, telegraafsystemen en tenslotte als een computer. De zintuigen leveren de input, de hersenen verwerken de informatie en het lijf en de spieren verzorgen de output. Een zowel elegant, als begrijpelijk schema, tenminste, voor hen die zich in het digitale tijdperk bewegen.
Maar er verschijnen steeds meer scheuren en barsten in dit paradigma. De computermetafoor verliest haar glans. De voornaamste reden hiervoor is dat verschijnselen in de hersenen, blootgelegd door moderne scanapparatuur, zich niet eenvoudig laten vangen in termen van informatiestromen en berekeningsmodules. Er zijn nieuwe metaforen nodig, nieuwe wiskundige modellen. Het is nog niet duidelijk welke kant deze ontwikkeling op zal gaan, maar als ik geld zou mogen inzetten zou ik de dynamische systeemtheorie kiezen.
In het essay Heeft lateralisatie betekenis? onderzoek ik of het verschil tussen linker- en rechterhersenhelft kan worden gebruikt om nieuwe wegen in te slaan in de filosofie en wetenschap van de geest. Bij een computer maakt het niet uit waar informatieverwerkende modules zich bevinden. Als bij mensen plaatsing in het lichaam en koppeling aan de ledematen er wel degelijk toedoet, kunnen lateralisatieverschijnselen dus dienen als een aanzet voor nieuwe theorievorming. Hoe die nieuwe theorie er precies uit zal zien, zullen we helaas pas achteraf weten.

Klik hier voor het essay Heeft lateralisatie betekenis?

Dit essay heb ik op 29 oktober 2010 gepresenteerd in de collegereeks Lateralisatie en Cognitie van de Seniorenacademie Groningen. Klik hier voor de bijbehorende Powerpoint presentatie.

De website van deze collegereeks is Cultuur en Cognitie.

zaterdag 25 september 2010

Als de goden zich vergissen

Wat nu, als de goden zich vergissen? Of, sterker nog, wat als God zich zo nu en dan vergist? Wat als God op de Dag des Oordeels een verschrikkelijke inschattingsfout zou maken? Terwijl de mensenschare aan hem voorbij trekt en aan een ieder het loon voor haar of zijn leven wordt toebedeeld, verbant God een devote Christen, met een onbesproken leven, voorgoed naar de binnenste duisternis, de plek van geween en tandengeknars. Hoewel God overtuigd is van de juistheid van zijn daad – Hij is tenslotte God – weten alle andere denkenden dat God er naast zit. Sommige protesteren zelfs, maar God laat zich niet vermurwen. Hij acht zijn oordeel Juist.
Als God zich zou kunnen vergissen, dan zou zelfs in de ogen van de diepst gelovige Christenen het oordeel van een Goede God onrechtvaardig kunnen zijn. Daarmee zou tegelijkertijd een de pijlers onder de menselijke rechtspraak ineenstorten. Gods Alwetendheid is immers de noodzakelijke voorwaarde voor ultieme rechtvaardigheid. Als al te menselijke rechters zich vergissen, garandeert de Dag des Oordeels het herstel van Rechtvaardigheid. Veroordeelde onschuldigen en vrijgesproken misdadigers worden aan het einde der tijden feilloos afgerekend.

Maar, op het moment dat we God hebben gedood, of op het moment dat de hemel domweg leeg blijkt te zijn, vervalt deze ultieme garantie. Fouten in de rechtspraak worden dan nimmermeer teniet gedaan. En aangezien aardse rechters nooit onfeilbaar zijn, zullen er dus misdadigers voor eeuwig ongestraft rondlopen en onschuldigen zonder kans op wederopstanding opgehangen worden. Het pijnlijkste moment in ieder seculariseringsproces is het moment waarop het besef doordringt dat we voor rechtvaardigheid afhankelijk zijn van onze medemens. Niet God neemt de maat, maar meester Visser, of Dr. Phil of Albert Verlinden. Wat helpt een zuiver geweten ons, als we een menselijke jury niet weten te overtuigen?
Maar deze pijn van het publiek valt in het niet bij de pijn van de rechters zelf. Als er geen God meer is om fouten te herstellen, als zij er moederziel alleen voor staan, met hoeveel gemoedsrust zouden rechters dan nog ingrijpende beslissingen nemen? De pijn van dit besef, het besef dat zij fouten maken die tot in de eeuwigheid niet zullen worden hersteld, wordt nog verhevigd door het besef dat het publiek hun hachelijke situatie begrijpt. Dit brengt rechters ertoe hun positie verzwakken. Om met vertrouwen een vonnis uit te kunnen spreken moet de door God verlaten zetel moet opnieuw worden ingenomen, het liefst door een instantie die door het publiek wordt geaccepteerd.

Wetenschap en techniek waren goede kandidaten. Maar het probleem is dat wetenschappers en technici zichzelf allerminst onfeilbaar achten. Zij vertrouwen hun eigen oordelen slechts tot aan moment van falsificatie. Zij weten als geen ander dat tussen feiten en oordelen interpretaties schuilgaan die niemand verder kan funderen. In tegenstelling tot God hebben wetenschap en techniek geen eeuwigheidswaarde.
Daarom heeft de rechterlijke macht rechtstreeks haar toevlucht gezocht tot het publiek. Rechters die hun kunsten op televisie vertonen, programma’s waarin leken worden uitgenodigd om mee te beslissen, videobeelden vanuit politieauto’s, en triomfantelijke berichten waarin rechterlijke dwalingen breed worden uitgemeten, plaatsen feitelijk het publiek in de zetel van God. Peter R. de Vries is daarom geenszins een luis in de pels van de rechterlijke macht. Integendeel, hij is de enige garantie voor rechterlijke gemoedsrust en zelfvertrouwen.

De Dag des Oordeels is de dag waarop de rechtsgang op televisie komt. Met een beetje geluk, kraait er geen haan naar, en blijft het stil tot in de Eeuwigheid. En mocht het publiek een rechterlijke dwaling over het hoofd zien, dan is het eigen schuld, dikke bult.

maandag 13 september 2010

Een memento door Remco Ekkers

'Memento' is een fraai Engels woord: "an object kept as a reminder of a person or event". In het Nederlands zou dat een 'aandenken' zijn, eveneens een prachtig woord. Een aandenken is een voorwerp dat aan een gebeurtenis of persoon herinnert. Maar een aandenken kan ook iets anders zijn dan een voorwerp. Een litteken kan een aandenken zijn aan een vechtpartij. Een tatoeage kan een aandenken zijn aan een familielid. Een pijnlijke hand herinnert aan een dronken bui. Een tinteling in de buik doet een verloren liefde herbeleven. Een aandenken kan eigenlijk alles zijn dat aan een gebeurtenis of een persoon (of een club, of een ...) herinnert.


In de film Memento verliest de hoofdpersoon (Leonard) het vermogen om nieuwe herinneringen aan te maken, anterograde amnesie. Na een paar minuten zijn verse ervaringen voor goed uit zijn geest verdwenen. Mensen die hij na zijn geheugenverlies ontmoet blijven vreemden voor hem. Leonard gebruikt aandenkens om een geheugen op te bouwen. Polaroidfoto's, korte teksten en tatoeages vormen voor Leonard breinprothesen waarmee hij zijn gebrek enigszins compenseert. Leonards geheugen bevindt zich daardoor niet in zijn hoofd, maar in zijn aandenkens.


Externalisten menen dat wat voor Leonard geldt niet meer is dan een grensgeval. Leonard's geheugen ontbeert inderdaad enkele nuttige neurale componenten, maar ook bij mensen zonder anterograde amnesie bevindt het geheugen zich voor een belangrijk deel in aandenkens. Het lijf en de omgeving zijn onmisbare onderdelen van het geheugenproces. Wat Leonard doet, doet iedereen. Zonder dat we er bij stilstaan gebruiken we lijf, versierselen, aankleding, objecten en omgeving als aandenkens om ons geheugen inhoud te geven. Ik zal dit, als eerbetoon aan de film, aanduiden met het memento-principe. Haal onze aandenkens weg, en ook wij houden bitter weinig geheugen over.
Ik ken geen krachtiger weergave van het memento-principe dan het gedicht Terug van Remco Ekkers. Het hangt ingelijst bij mij in huis, als meta-aandenken.
Terug

Je was het gras vergeten maar
dit is een geur uit je jeugd.

Je zat op je hurken en
opeens kwam het woord.

Toen je voelde aan die bloem
ook de naam van de vlinder.

Tussen alle groen rode daken
jouw felste herinnering.
Ekkers schreef het gedicht voor iemand die na een lange tijd terugkwam in het land van haar jeugd. Ze was het gras vergeten, maar de geur liet het haar herinneren. Het woord kwam terug toen ze hurkte. De aanraking van de bloem bracht de naam van de vlinder. Geuren, haar gehurkte lijf en de aanraking van de bloem zijn net zo hard onderdeel van haar herinneringsproces als haar hersenen. Want hier, in Nederland, was ze immers het gras vergeten, zoals Ekkers schrijft, net als de naam van de vlinder.


De laatste twee regels van het gedicht zijn wonderschoon voor liefhebbers van het memento-principe. "Tussen alle groen rode daken jouw felste herinnering". Het woord 'felste' is om drie redenen sterk gekozen. Ten eerste omdat het aangeeft dat herinneringen zeer intens kunnen zijn, en niet slechts een afgeleide onmiddellijke ervaringen. Daarnaast omdat het laat zien dat dergelijke herinneringen nooit in al hun hevigheid kunnen ontstaan in het brein alleen, maar slechts te midden van het memento van groen rode daken. Ekkers schrijft 'felste' en niet 'felle'. Tenslotte geeft het woord 'felste' ook de intense pijn aan waarmee een levendige herinnering gepaard kan gaan. Tussen alle groen rode daken keert ook een pijn terug die je wellicht liever had vermeden. Zo laat het memento-principe ons balanceren tussen de drang om terug te keren en te bewaren, en de angst om pijn te lijden.

woensdag 11 augustus 2010

Onbeperkt en oneindig

Al fietsend door Nederland kwamen we op een goede donderdag aan in Gouda. De rit naar Gouda was wonderschoon, in de zon langs de Amstel en op smalle wegen door plassen omzoomd met rietkragen. De rit was ook iets langer dan gepland, en er was in Gouda geen hotelkamer meer voor handen. Althans, geen gewone hotelkamer voor drie personen. Zo belandden mijn twee zoons en ik in de bruidssuite van hotel De Utrechtse Dom. Het gebruikelijke ritueel van de kamer besnuffelen, languit op bed neerstorten, douchen en fris aankleden nam derhalve iets langer in beslag dan normaal. Zo vaak vertoeft een mens immers niet in een bruidssuite.

Dus het was laat toen we enigszins uitgehongerd het stadje inliepen. Vlak achter het hotel passeerden we La Cubanita: “Bij La Cubanita kun je terecht voor overheerlijke tapas en een fantastisch Cubaanse sfeer. Compleet met salsamuziek!” Er stond een bord aan de weg, dat ons attent maakte op een uitgelezen mogelijkheid om onze lege magen te vullen. “COMANLO TODO! Op maandag t/m donderdag kunt u onbeperkt tapas eten voor € 17,50 p.p.” De ogen van mijn jongste zoon werden groter:
“Pap! Oneindig tapas eten! Zullen we…?”
We namen kort de andere opties door, maar dit was verreweg de beste. Na een tactiekbespreking (niet te veel drankjes, rustig eten en geen toetjes) gingen we buiten aan een tafeltje zitten.

Een filosofisch detail bleef echter door mijn hoofd spoken. Op het bord aan de weg stond “Onbeperkt tapas eten”, terwijl mijn jongste het “Oneindig tapas eten” had genoemd. Was er een verschil? Gingen we nu onbeperkt of oneindig tapas eten?
Aristoteles (384 – 322 voor Christus) bracht een onderscheid aan tussen actueel en potentieel oneindig. Dit onderscheid wordt over het algemeen als vrij lastig ervaren, maar de tapasmaaltijd in La Cubanita werkte zeer verhelderend. Onbeperkt tapas eten wil namelijk zeggen dat na ieder geserveerd en opgegeten schaaltje tapas een nieuwe kan worden toegevoegd. Zo ontstaat een reeks tapasgerechten die in principe altijd door kan gaan, maar die in werkelijkheid natuurlijk een keer stopt. Onbeperkt tapas eten is dus slechts potentieel oneindig tapas eten.
Onbeperkt tapas eten is, gelukkig voor de restauranthouder, nooit actueel oneindig tapas eten. Aan iedere onbeperkte tapasmaaltijd komt een eind, al had dat niet gehoeven. “Echt niet meer?”, vroeg de serveerster vriendelijk nadat wij hadden meegedeeld dat we tjokvol zaten. De grote vraag is uiteraard of er ook actueel oneindige tapasmaaltijden of andere reeksen bestaan. Aristoteles worstelde al met dit probleem.

Heel in het algemeen zou je kunnen zeggen dat reëel, in werkelijkheid, bestaande reeksen onbeperkt kunnen zijn, maar nooit (actueel) oneindig. Zelfs het heelal is, net zoals onze tapasmaaltijd, onbeperkt groot, maar niet oneindig. Als je naar het einde van het heelal reist, wordt er automatisch een stukje heelal toegevoegd, alsof een Hemelse Serveerster blijft bedienen zonder dat u extra hoeft te bestellen. Echte oneindigheden, actuele oneindigheden, komen alleen voor in wiskunde en theologie. De verzameling van alle gehele getallen (0, 1, 2, 3, enzovoort) is oneindig groot. Je kunt onbeperkt doorgaan met tellen, dus als je alle potentiële getallen tegelijk in een bak gooit, krijg je een actueel oneindig grote verzameling. Zo denken vele wiskundigen er althans over. En God is natuurlijk oneindig in alle opzichten (Spinoza: ens absolute infinitum, een volstrekt oneindig zijnde).
Op grond van deze overwegingen moest ik mijn jongste corrigeren, zoveel zal u inmiddels duidelijk zijn. De tapasmaaltijd was goddelijk, maar niet Goddelijk.
“We hebben niet oneindig tapas gegeten. We hebben onbeperkt tapas gegeten.”
“Wat jij wil, pap. Het was in ieder geval erg lekker.”
“Ja, maar niet oneindig lekker!”
“We hebben fietsvakantie, pap, geen filosofieles. Heb je trouwens al uitgerekend hoeveel winst we hebben gemaakt? Een schaaltje tapas kostte gemiddeld € 5,50 en we hebben 30 schaaltjes besteld. Dat is een winst van…”

Terwijl hij op het hemelbed lag rekende hij het tot op de cent voor mij uit. Ik liet hem de rekening zien, en zei dat ik ondanks de grote winst nog altijd minder in mijn portemonnee had dan aan het begin van de avond. Zo blijkt maar weer dat filosofische begrippen nog altijd minder verwarrend zijn dan economische. Of, zoals Albert Einstein het uitdrukte: “Only two things are infinite, the universe and human stupidity - and I'm not sure about the former.”

donderdag 10 juni 2010

Epstein en Axtell

Waarschijnlijk hebt u nog nooit wakker gelegen van een computersimulatie. Waarom zou u ook? Computersimulaties zijn abstracties. De werkelijkheid is altijd complexer, en bezaaid met factoren die een beslissende rol spelen, maar die in simulaties achterwege worden gelaten. Toch is er één computersimulatie die ik op zijn minst schokkend vind. Zo schokkend, dat ik mijn vader er nooit over heb durven vertellen. Zo schokkend ook, dat ik het er tijdens lezingen of lessen liever niet over heb. Maar sinds vandaag is het bespreekbaar. Sinds vandaag is namelijk duidelijk dat meer dan een miljoen Nederlanders geen enkele moeite heeft met een lijsttrekker die spreekt van “kopvoddentax”. Sinds vandaag weten we dat in de beslotenheid van het stemhokje meer dan een miljoen mensen niet schroomt om te stemmen op een man die ontoelaatbaar schoffeert: “Sorry, van jullie Marokkanen is niet zes procent crimineel. Nee, haha, zeven procent is crimineel!” Dus sinds vandaag mogen we de segregatie van onze samenleving bespreken. Wellicht hebben we sinds vandaag zelfs de plicht om dit te doen.

Josh Epstein en Robert Axtell voerden een zeer leerzame reeks computersimulaties uit. De resultaten beschreven ze in het boek Growing Artificial Societies: Social Science from the Bottom up. Hun simulaties van de sociale werkelijkheid zijn doodsimpel, en juist daardoor zo onthutsend en intellectueel uitdagend.
Neem een vierkant ruitjespapier met 2500 hokjes (50x50 hokjes). Neem twee kleurpotloden, zeg een rode en een blauwe. Kleur nu lukraak hokjes rood of blauw en laat ongeveer 500 hokjes wit. U bent nu waarschijnlijk al enige tijd aan het kleuren, en vandaar dat Epstein en Axtell de computer gebruikten voor dit proces.
Vervolgens voeren we een regel in op grond waarvan we rode en blauwe hokjes verplaatsen:
Verplaats een hokje naar de dichtstbijzijnde open plek als minder dan 25 procent van de buren dezelfde kleur heeft. De kleur van de overige 75 procent van de buren doet er niet toe. Zolang er ten minste een kwart gelijkgekleurden is, wordt een hokje niet verplaatst. Maar wordt het percentage nog lager, dan laten we een hokje verhuizen.
Dit proces is met de hand lastig uit te voeren, maar u begrijpt wat er moet gebeuren. Rode hokjes met minder dan 25 procent rode buren worden opgepakt en ergens anders neergezet. En dit proces wordt een aantal ronden, voor alle hokjes herhaald.
Wat blijkt? Zelfs met deze bescheiden voorkeur voor gelijkgekleurden is na een paar ronden de verdeling van rode en blauwe hokjes over het ruitjespapier al niet meer willekeurig. Epstein en Axtell zagen al milde vormen van kleurscheiding ontstaan. En let op, de regel is zeer tolerant geformuleerd. Rode hokjes worden niet verplaatst omdat ze een afkeer hebben van blauwe hokjes. Nee, rode hokjes worden verplaatst omdat ze ten minste 25 procent andere rode hokjes om zich heen willen hebben. 25 procent van de omringende hokjes moet ons soort hokjes zijn, zeg maar. Je wilt toch geen volslagen vreemde zijn in je eigen wijk?
Vervolgens verfijnden Epstein en Axtell hun model. Hokjes kregen niet langer een vaste tolerantiegrens toegekend. De percentages verschilden per hokje, en lagen ergens tussen 25 en 50 procent in. De meest tolerante hokjes verhuisden als minder dan 25 procent van de buren gelijkgekleurd was. De minst tolerante hokjes verhuisden al als niet ten minste de helft (50 procent) van de buren dezelfde kleur had. Alle andere hokjes verhuisden bij een percentage ergens tussen de 25 en 50 procent.
Epstein en Axtell rekenden dit model door. De uitkomst vind ik iedere keer weer spectaculair. Na een aantal rekenrondes (zie de afbeelding hieronder) zijn de kleuren strikt gesegregeerd. Rood bij rood, blauw bij blauw. Ons soort hokjes, bij ons soort hokjes.

Dus zelfs al bij een op zich begrijpelijke wens om in een buurt te wonen waar tussen de 25 en 50 procent dezelfde kleur heeft, ontstaat op den duur een streng gesegregeerde samenleving. Doordenk op basis van deze computersimulatie eens de volgende vragen:

• Wat gebeurt er als we de regel formuleren op basis van angst: een hokje verhuist zodra 25 procent van de buren een andere kleur heeft?
• Wat gebeurt er als we hokjes via radio, kranten en televisie de indruk geven dat er heel veel anders gekleurde hokjes om hen heen wonen? Anders gekleurde hokjes waar ze bang voor moeten zijn? Wat zou dat voor het stemgedrag van hokjes betekenen?
• Wat gebeurt er als we hokjes via nieuwe media en technologie de mogelijkheid geven om met een paar muisklikken te verhuizen van de ene naar de andere groep? Hoeveel diversiteit zal er dan nog binnen sociale groepen (op het internet) zijn?
• Wat gebeurt er als blanke mannelijke hokjes alleen in managementteams met ten minste 50 procent blanke mannelijke hokjes willen zitten?
• Hoe ziet een samenleving eruit waar mensen zich al tolerant noemen als ze één anders gekleurd hokje onder hun beste vrienden hebben, of als zij hun buurhokje tolereren die toch echt een heel andere kleur heeft?

De computersimulaties van Epstein en Axtell zijn een opdracht voor intellectueel Nederland, van beleidsmakers en columnisten, tot bestuurders en onderwijzenden: Hoe krijgen we hokjes zo ver dat ze verhuizen als niet ten minste 50 procent van de buren een andere kleur heeft? Hoe zetten we een voorkeur voor gelijkgekleurden, om in een voorkeur voor andersgekleurden?
In tegenstelling tot mijn vader ben ik een rasoptimist. Al vraagt het om nieuwe denkwegen, veel durf, doorzettingsvermogen en ongebreidelde creativiteit, ik denk dat deze vragen te beantwoorden zijn. En trouwens, uiteindelijk zijn het maar computersimulaties, toch?

Growing Artificial Societies