Posts tonen met het label hedonisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hedonisme. Alle posts tonen

maandag 17 oktober 2011

Waarom geen oase van levenskunst?


Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw is werk, en dan uiteraard het liefst betaald werk, het hoofddoel geworden van mensenlevens. Dat wil zeggen, het is het hoofddoel geworden van gezonde mensenlevens. Zoals Michel Foucault laat zien in zijn boek “Geschiedenis van de Waanzin,” worden vanaf die zeventiende eeuw mensen die niet willen of kunnen werken opgepakt en opgesloten, om te worden hervormd via een uitgekiend rehabilitatieprogramma dat ze weer klaarstoomde voor arbeid. Iemand die niet kan of wil werken is vanaf dan uitschot of excentriek of idioot of alle drie. Een leven zonder werk werd een leven zonder gezondheid. De eerste vraag bij kennismaking werd “Wat doe jij eigenlijk?”, en “Helemaal niets, wat rondhangen en genieten van de natuur” was niet langer een geaccepteerd antwoord.
Hoe anders was het in de tijd van de Griekse filosofen, ruim tweeduizend jaar geleden. In het leven van filosofen zoals Socrates, Diogenes en Epicures draaide het beslist niet om de beslommeringen van een betaalde baan. Dit waren mannen die baadden in vrije tijd, zich met maaltijden lieten betalen voor hun filosofische kunsten of zich oefenden in een leven met schaarste. Zij zouden ons hebben beschouwd als moderne slaven, van onze vrijheid beroofd door de financiële ketting van hypotheken, leningen, creditcards en belastingen. Werk maakt van onze lichaam en geest knechten. Ons lichaam slijt van het vroege opstaan, forenzen en de sleur van vergaderingen en het klaslokaal. Onze geest wordt gericht naar de bovenmeesters die de financiële wereld beheersen. Zonder uitzondering zijn we ervan overtuigd dat we een arbeidzaam, dus zinvol leven leiden, en dat ten minste enkele van onze leerlingen door ons toedoen goed terecht zijn gekomen: in een leuke baan. Desgevraagd kunnen we tientallen argumenten geven waarom een leven met een baan beter is dan een werkeloos bestaan.
Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn, ware het niet dat werkenden het beslist niet kunnen aanzien als iemand op een alternatieve wijze zijn leven inricht. Zitten vissen langs de waterkant, de eentjes voeren in het park, door de stad slenteren, tegen blikjes schoppen, op een grassprietje sabbelen, een praatje maken met een toevallige voorbijganger, achter de televisie hangen en stiekem gluren naar de lieve buurvrouw, kunnen geen zinvolle elementen van een mensenleven zijn. We worden steeds intoleranter ten opzichte van de dorpsidioot, de zwerver en de alternatieveling. “Zoek toch een baan!,” roept onze jaloerse geest, “Wie niet werkt, zal ook niet eten (en zeker niet van mijn zuurverdiende geld)!”

Daarom worden mensen die niet kunnen werken uit de maatschappij gehaald. We leven in een kenniseconomie, en iedereen die achterblijft in kennis of economische bijdrage is dus een bedreiging voor de gezondheid van onze samenleving. Voor deze afwijkende mensen resteert er slechts één mogelijkheid: buitensluiting. Net zoals melaatsen de stad moesten verlaten om de gezondheid van de rest van de bevolking niet aan te tasten, zo moeten de niet-werkenden als een gezwel uit ons midden worden weggesneden. We zijn doodsbenauwd voor besmetting. Welke ouder wil nu dat het niveau in de klas van zijn beloftevolle dochter onderuit wordt gehaald door een gehandicapte dwaas? We willen een leven met een gezond arbeidsethos, om ondertussen te dromen van ons pensioen.
Scholen in het speciaal onderwijs(S.O.) zijn een opvangplaats voor uitgestotenen. Zij ontvangen de leerlingen van wie het gedrag, de gezondheid of geestelijke vermogens ontoereikend zijn om ten volle in de kenniseconomie mee te draaien. S.O.-scholen zouden dus een oase van rust kunnen zijn, een plek waar de duizelingwekkende snelheid van de wereld wordt vertraagd. Leerlingen zouden kunnen worden onderwezen in levenskunst. Ze zouden kunnen leren hoe een zinvol bestaan zonder werk is vorm te geven, een bestaan in de luwte van de maatschappij. Ze zouden kunnen worden onderwezen in het experimenteren met hun leven: wandelen met de hond, schilderen in het buurthuis, eten met de buren, een boodschap doen voor de basisschool, slenteren over de markt, vissen langs de waterkant. Uiteraard zou hun leven net zo veel pijnlijke momenten kennen als het leven van ons allemaal, en misschien wel meer. Maar, ze zouden leren hoe de pijn te verdragen en hoe tussendoor ontspannende en zinvolle perioden te creëren. En wellicht zouden hun levens zo kunnen bijdragen aan ons eigen inzicht in onze onvolkomenheden en dwaasheid.
Maar zo is het niet, in tegendeel. S.O.-scholen zijn klinieken geworden waarin de etterende wond van een werkloos bestaan zoveel mogelijk gestelpt. Niet levenskunst, maar arbeidstraining en stage staan centraal. Op internet worden foto’s geplaatst van leerlingen die een certificaat hebben gehaald, en misschien wel werk zullen vinden. En ik wed dat de meest succesvol geachte trajectplannen eindigen met “Betaald werk” en een uitroepteken. Met andere woorden, S.O.-scholen zijn geenszins een veilige haven waar degenen rust vinden die niet mee kunnen draaien in de vaart der volkeren. Nee, zelfs op S.O.-scholen worden ze achtervolgd door reken-, taal- en handvaardigheidsonderwijs gericht op een terugkeer in de kenniseconomie. Uiteraard met de beste bedoelingen, omdat de ouders erom vragen, omdat de inspectie erop afrekent, omdat ze enorm blij zijn als ze een baantje hebben en ook omdat we niets beters kunnen verzinnen.
Zo lopen zelfs S.O.-scholen, kort aangelijnd aan de leiband van de kenniseconomie, van arbeidstraining, naar stageproject, naar leerwerktraject en weer terug. En dat geeft ons, hardwerkende mensen, de mogelijkheid om onze eigen idiotie als volkomen normaal te beschouwen. Waarvoor dank!

dinsdag 8 juni 2010

Victor Lamme heeft een vrije wil

Ik kan u verzekeren dat Victor Lamme een vrije wil heeft. Zelf is hij daar klaarblijkelijk minder van overtuigd, getuige de titel van zijn laatste boek: De vrije wil bestaat niet: Over wie er nu echt de baas is in het brein. Iedereen die op de hoogte denkt te zijn van het functioneren van de menselijke geest, moet dit boek lezen. Het bevat een helder geschreven en vermakelijk overzicht van alle bizarre neurologische vondsten en experimenten uit de afgelopen anderhalve eeuw. Daaruit blijkt overduidelijk het failliet van het naïeve idee waarmee we de moderne tijd begonnen, het idee dat lichaam en geest twee onderscheiden substanties zijn. En daarmee is ook het idee verworpen dat de menselijke geest buiten de reguliere natuurwetten staat, en onafhankelijk van die natuurwetten beslissingen zou kunnen nemen.

Overigens ken ik nog maar weinig weldenkende mensen die twijfelen aan het feit dat het functioneren van onze hersenen, ons lijf en de ons omringende wereld onderworpen is aan natuurwetten, net zoals het functioneren van onze geest, ons bewustzijn en onze vrije wil. Lamme licht er in dit verband drie hoofdzaken uit. Ten eerste laat hij zien dat we meer door de wereld buiten ons worden beïnvloed dan we denken. In de meest extreme gevallen leidt dat tot environmental dependency (omgevingsafhankelijkheid), een toestand waarin het handelen uitsluitend door de directe omgeving wordt bepaald. Een man die automatisch alle brillen die hij ziet liggen oppakt en opzet. En die alle kammen in zijn blikveld door zijn haar haalt. Gelukkig kunnen de meesten van ons dergelijke neigingen onderdrukken, zodat we niet voortdurend met vreemde leesbrillen op onze neus zitten. Maar stiekem lijden wij toch allemaal aan een mildere vorm van deze omgevingsafhankelijkheid. Zonder dat we het opmerken bepaalt de ons omringende omgeving ons handelen. Hebben we werkelijk zin in een broodje kaas, of is het een gevolg van het soapsterretje op televisie dat met de kaasschaaf in haar hand vertelde dat haar beste vriendin het met haar man had gedaan?
Uiteraard verhaalt Lamme daarnaast van de experimenten van Benjamin Libet. Daaruit blijkt dat ons bewustzijn nogal achter de beslissende hersenactiviteit aan hobbelt. De “bewuste” keuzes die iemand gaat maken zijn in sommige gevallen meer dan zes seconden voordat het tot de proefpersoon doordringt, af te lezen aan zijn hersenactiviteit. “Daden volgen niet onze gedachten. Het is precies andersom,” schrijft Lamme. En hij heeft gelijk.
Tenslotte legt Lamme uit dat we slechts minimaal inzicht hebben in de oorzaken van ons gedrag. In de hersenen bevindt zich een babbelbox die mooie verhalen ophoest telkens wanneer we om een rechtvaardiging voor een handeling verlegen zitten. De kwaliteit van die verhalen is vooral dat ze sociaal acceptabel zijn, maar niet dat ze inzicht geven in de daadwerkelijke oorzaken.
Kortom, de vrije wil is een illusie. Een mooie illusie, misschien zelfs een nuttige illusie, maar een illusie. Aldus Lamme.

Stel, ten overstaan van een publiek discussieer ik met iemand over de vraag of het verantwoord is om een vliegvakantie te boeken. Op zo’n moment wil ik dat de argumenten uit mijn mond rollen, zonder dat ik iedere keer bewust over mijn woorden hoef na te denken. Ik wil ook dat mijn argumenten precies zijn afgestemd op dat wat mijn tegenstander zegt. En ik wil dat mijn argumenten een goede rechtvaardiging vormen voor mijn standpunt: als je wat aan het milieu wilt doen, ga dan nooit meer op vliegvakantie. Kortom, ik wil een hoge mate van omgevingsafhankelijkheid, een goed functionerende babbelbox en een brein dat minstens zes seconden voorloopt op mijn bewustzijn en mijn mond. Maar wil dit nu zeggen dat ik dan afstand doe van mijn vrije wil?
De denkfout van Victor Lamme is dat hij teveel waarde toekent aan het bewustzijn. Laat ik even heel duidelijk zijn. Ik ben het met Lamme eens dat onze geest volledig aan natuurwetten onderworpen is, en ik ben het met hem eens dat ons bewustzijn achter ons handelen aan hobbelt. Maar om daaruit te concluderen dat de wil niet vrij is, moet je de wil als een aspect van het bewustzijn zien. Het idee dat het bewustzijn en het ik (of het zelf) samenvallen is een restje naïef Cartesianisme waar Lamme prima zonder kan. Ik denk dat Lamme overtuigend heeft aangetoond dat als we de wil in het bewustzijn plaatsen, dat we dan geen vrije wil hebben. Maar hoe zit het met het alternatief? Wat als we de vrije wil gewoon opvatten als de mogelijkheid van een organisme om dat te toen wat goed voor hem is?
De wil is niets anders dan de kunst van een organisme om daar waar het profijtelijk is de buitenwereld uit te buiten en daar waar het nodig is de buitenwereld buiten te sluiten. In de loop van ons mensenleven leren de meesten van ons hierin een balans te vinden die werkt, die leidt tot een leven dat voldoening schenkt. Soms zijn we ons van het zoeken naar die balans bewust, soms maken anderen ons op onze onbalans attent, vaak ontgaat ons het hele proces. En, naarmate we er beter in slagen die balans te vinden, wordt onze wil vrijer. Bewustzijn is een prettig aspect van die balans, maar zeker niet het belangrijkste aspect. De vrije wil bestaat wel, maar moet, net als het zelf, zeker niet exclusief in dat bewustzijn worden gezocht.
Als Victor Lamme zich dus wat minder had laten meeslepen door het Cartesianisme van onze tijd, en de vrije wil niet klakkeloos in het bewustzijn geplaatst, dan had hij nog inventiever en intelligenter tegen hersenen en gedrag aangekeken. Maar ja, mag ik hem dat teveel aan omgevingsafhankelijkheid verwijten?

Lees ook:

Vrije wil bestaat niet

zondag 11 april 2010

Onweerstaanbare verleiding

Eva is de oermoeder van onweerstaanbare verleiding. Zij wordt door een slang verleid tot het eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Daarna verleidt zij op haar beurt Adam tot het snoepen van de verboden vrucht (vaak uitgebeeld als een appel). De gevolgen van deze zondeval zijn bekend. God had het eten van deze boom uitdrukkelijk verboden, dus leidde de knieval voor de verleiding tot het einde van het paradijs, schaamte en oneindig veel leed.

Het verhaal verbeeldt onze opvattingen over het happen in verboden vruchten. Tiger Woods weet er alles van. Door zijn prominente rol op het sporttoneel staat Woods symbool voor de hele mensheid. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat hij een mengelmoes van bijna alle rassen en culturen is. Hij leefde samen met een prachtige blonde vrouw en twee kinderen in een paradijselijk golfresort van mondiale omvang. Maar Woods viel voor de onweerstaanbare verleiding van vrouwelijk schoon, niet één keer, maar tientallen keren. Daardoor stortte hij de diepte in.
Het verhaal van Woods verschilt niet van het verhaal van Adam. Onweerstaanbare verleidingen leiden tot verderf en ondergang. Vallen voor de verleiding van vet voedsel, leidt tot onvermijdelijk tot een vervet lichaam, en uiteindelijk tot een hartaanval en de dood. Vallen voor de verleiding van geld, leidt tot een graaicultuur en uiteindelijk tot een economische crisis die de mensheid in het verderf stort. Vallen voor een verleiding is spelen met de duivel, flirten met de dood.

En, als vallen voor verleiding flirten met de dood is, dan is weerstand bieden aan alle verleiding de garantie voor het Eeuwige Leven. In christelijke culturen vormt het gevecht van Jezus met de duivel het symbool voor deze weerstand. Tiger Woods en de economische crisis zijn hedendaagse symbolen voor de zwakte van de mens.
Oppervlakkig beschouwd lijkt dit overeen te komen met Plato’s allegorie van de strijdwagen. Plato beschrijft de menselijke ziel als een strijdwagen met een menner op de bok en twee paarden. De menner staat voor het verstand, de paarden voor het gemoed. Het ene paard is gewillig en nobel, het andere onstuimig, geil. Het onstuimige paard
[...] trekt zich niks aan van sporen en zweep van de menner. Het holt met geweld vooruit en bezorgt het andere paard en de menner een hoop last. Het dwingt hen naar de geliefde toe te gaan en hem [of haar] aan seksuele genoegens te herinneren. In het begin verzetten het goede paard en de menner zich, boos als ze zijn dat ze tot vreselijke, ongeoorloofde dingen worden gedwongen. Uiteindelijk, wanneer de ellende niet ophoudt, laten ze zich maar meetrekken. (Faidros 253E-254A)
Het verstand en de nobele gedeelten van Tiger Woods verzetten zich, maar het onstuimige paard was sterker. Een mooi beeld. Het is de taak van de mens zijn geile paard te temmen, zodat zijn karos het smalle pad van het Goede Leven kan volgen.
Toch doet dit beeld geen recht aan de werkelijkheid. Het probleem is dat het verstand en de nobele gedeelten van het gemoed geen drijfveer voor grootse daden kunnen zijn. Zonder de brute kracht van het geile paard staat de karos nagenoeg stil. De wereldwonderen, de meest indrukwekkende verdiensten van de mensheid zijn ondenkbaar zonder een bijna alles vernietigende drijfveer. Prestaties in technologie, kunst en wetenschap vragen om mensen bij wie het geile paard rukt en sjort, hinnikt en geen slaap toestaat. Verstand en zelfbeheersing zijn mooi, maar zonder ontsporing zou de wereld nooit een betere plek worden om te leven. Als de Hemel het doel van het leven is, dient het geile paard te worden getemd. Maar als geluk slechts verscholen ligt in de aardse werkelijkheid, dan zullen we ons woeste paard moeten koesteren.
Het seksuele gedrag van Tiger Woods ontspruit aan dezelfde kracht als zijn geniale drive en swing op de golfcourses. De liefde voor paté van Michel Onfray, zijn hartaanval en zijn ongebreidelde filosofische passie verraden een briesend paard in de diepten van zijn ziel. De economische crisis en onze ongekende welvaart vloeien voort uit dezelfde bron: geile hebzucht. Salvador Dali’s vlijmscherpe kunst valt samen met zijn seksuele idiotie (Dirty Dalì, heette het televisieprogramma). Diane Fossey’s doodsverachtende liefde voor gorilla’s werd getrokken door hetzelfde paard als haar fanatieke gebruik van sigaretten en alcohol.
Wellicht had Eva een ander belang. Wellicht zag ze op tegen een eeuwigheid met een duffe Adam die zijn woeste paard al te strak beteugelde. Zonder de drijfveer van de zondige verleiding worden er nooit schatten ontdekt. Eten van de boom der kennis van goed en kwaad is geen zonde, alhoewel het tegen de regels van de God is. Mits het verstand en het nobele gemoed de teugels niet helemaal laten vieren, zijn verboden vruchten de opmaat tot de allerhoogste hoogten van onze beschaving.

Dit is een korte samenvatting van de lezing die ik gisteren in Museum Wierdenland heb gegeven.

woensdag 25 juni 2008

Zin in leven

















You live a little and then you die.

Geen zin vat de zin van het leven mooier samen dan deze acht woorden. Je leeft een beetje en dan ga je dood. Natuurlijk, we zijn meer dan mieren, maar ten opzichte van een universum met een doorsnee van dertien miljard lichtjaar valt dat niet op. Je leeft een miniem klein beetje en dan ga je dood.

We have been around for an infinitesimally small proportion of the life of the universe, and even the best estimates for our continuation don’t give us too much longer in the cosmic scheme of things. None of us, not even the cleverest, really understands where we came from – the origin of the universe we inhabit is necessarily a mystery to us. And, as far as we can tell, the fate of this universe we inhabit is heat death… No life, no light, no change – for ever and ever.
(Mark Rowlands in Philosopher at the End of the Universe)

Of, om Rowlands even samen te vatten, you live a little and then you inevitably die.
Die absurditeit van het leven wordt weergegeven in de mythe van Sisyphos. Met een slimmigheid probeerde hij aan de vergetelheid te ontsnappen en om die reden werd Sisyphos door de goden veroordeeld tot eeuwigdurende zinloze arbeid. Hij moest een steen tegen een steile berg oprollen, en als hij boven kwam rolde de steen naar beneden en kon hij weer van voren af aan beginnen. Voor Sisyphos, die even had gedacht intelligenter te zijn dan de goden, was dit een hemeltergende kwelling. Zo slim en dan veroordeeld tot een zinloos bestaan!
De situatie voor ons is niet veel anders. Alles wat we met ons superieure brein voor de eeuwigheid denken te bereiken, zal door de hittedood van het universum worden uitgewist. Met iedere steen die wij verleggen in een rivier, gaat het water anders stromen dan voorheen, maar slechts voor een lachwekkend korte tijd. Je leeft een beetje en dan ga je dood. Niet lang daarna zijn al je sporen uitgewist. Over honderd jaar (en dit is een ruime schatting) zijn jullie allemaal dood, ik ook, en is er niemand meer die zich ons herinnert.
Sisyphos wilde zich meten met de goden en daarvoor werd hij gestraft, althans dat is de gebruikelijke interpretatie van deze mythe. Het werkelijke probleem van Sisyphos was dat hij zich überhaupt met de goden wilde meten. Dus niet omdat de goden hem daarvoor straften, maar omdat zich willen meten met de goden een straf op zich is! Sisyphos wilde de goden evenaren, en als er iets een straf is, dan is het wel de menselijke drang om aan de goden gelijk te zijn, of de hoop te koesteren om aan de zijde van de goden deel te mogen hebben aan de eeuwigheid. Geen dwingende hoop vernietigt het menselijk leven meer dan deze hunkering naar eeuwigdurende eeuwigheid.
Want wat als Sisyphos zich bescheidener had opgesteld? Natuurlijk had hij de goden dan nog steeds dezelfde poets gebakken. Wat is er nu leuker dan goden voor de gek houden? Natuurlijk was hij dan ook veroordeeld tot het zinloos rollen van een steen. Want goden kunnen nu eenmaal slecht tegen hun verlies. Maar… dan had Sisyphos gelachen om zijn straf. Als je niet de pretentie hebt te leven in het goddelijke licht, als je de zinloosheid van het leven beschouwt als heerlijk onderdeel van je menselijke, al te menselijke bestaan, dan is een steen nutteloos omhoog rollen net zo verrukkelijk nutteloos als dag in dag uit werken en koken, week in week uit bedden verschonen en bladeren ruimen, maand in maand uit de oude kranten buitenzetten en vaste lasten betalen, jaar in jaar uit feestdagen, verjaardagen, kozijnen verven en vliegvakanties.
Het valt mij nog mee dat de steen aan het einde van de tocht naar boven vanzelf weer omlaag rolde. Wat een vreugdevol moment zou dat voor bescheidener Sisyphos zijn geweest. Gniffelend had hij de steen nagekeken. Tenminste, als hij de doelloosheid van zijn bestaan tot in het diepst van zijn hart had gevoeld. Dan had hij geweten dat die doelloosheid juist de reden was om zijn leven in alle hevigheid te omarmen. Dan was hij zo hard mogelijk, gierend van de lach achter de steen aan van de berg afgerend, en honderden keren woest over de kop gevlogen. Zonder enige pretentie, gewoon genietend van het gevoel.
Op de weg naar boven had hij zich kunnen verheugen en verwonderen over de oneindigheid van priemgetallen, de overaftelbaarheid van reële getallen, de schoonheid van Aretha Franklin en Beethoven, de smaak van chocola, de klanken van het Spaans, de nieuwe, maar net te dure Bosatlas, de gedachte dat bewustzijn wel eens voor een deel buiten het hoofd zou kunnen zitten, en het heerlijke, verwarrende, soms moeizame, maar onmisbare gevoel van lief te hebben. Een steen zinloos rollen is een mensonterende opgave als je je een metgezel van de goden acht, maar kan nooit een belemmering zijn om je mens-zijn vol overgave te vieren.

De wolken boven ons sluiten
en scheiden zich
De bries op de binnenplaats
ebt weg en keert terug
Zo is het leven, dus waarom
niet alle tijd genomen?
Wie kan ons weerhouden er
een feest van te maken?

(Loe Yoe)

maandag 16 juni 2008

Een kiem voor levensgeluk

















Laten we eens niet beginnen aan de religieuze, cryptoreligieuze, mystieke of esoterische kant. Laten we ons in ons denken eens niet laten leiden door dogma’s of ervaringen die de rationaliteit ver te boven gaan. Laten we eens beginnen bij de menselijke kant. Laten we beginnen bij de kant van het levensgeluk en het verstand.
Als we daar beginnen is er namelijk helemaal geen probleem. Dan is embryoselectie zo voor de handliggend dat het in sommige gevallen zelfs misdadig is om het niet te doen. Dan is orgaandonatie zo vanzelfsprekend dat te lang wachten met transplantatie na het overlijden in het Wetboek van Strafrecht opgenomen zou moeten worden. Waarom discussiëren wij over deze vragen? Waarom staan de niet-religieuze politieke partijen niet en bloc op om de stormvloed van irrationaliteit te keren die ons ethische landschap aan het teisteren is? Waarom staan we toe dat dogma’s en 2000 jaar verouderde teksten de levens bedreigen van mensen die behept zijn met ernstige erfelijke aandoeningen? Waarom staan we toe dat deze mensen levensgeluk wordt ontnomen, net zoals we hebben toegestaan dat kettervervolging, kruistochten, heksenjacht, slavernij en een verbod op condooms het levensgeluk van velen hebben vernietigd? Waarom buigen we voor opvattingen die niet aan het verstand ontsproten zijn maar aan het principieel onkenbare?
Levensgeluk is dat waar het om draait in een ethiek zonder irrationele wortels. En levensgeluk is geen eigenschap van een klompje cellen, en ook niet van een orgaan uit een gestorven lichaam. Levensgeluk is een eigenschap van het biografisch leven van mensen. Zonder een mens die leeft, liefheeft, beslissingen neemt, twijfelt, angsten kent en vreugde kan er geen sprake zijn van levensgeluk. En als we aan de kant van levensgeluk beginnen dan is embryoselectie een plicht. Met embryoselectie wordt immers bijgedragen aan het levensgeluk van aanstaande ouders uit families die ontwricht worden door vreselijke ziekten.
En we zouden op nog veel meer moeten selecteren dan op ziekten die met een hoge waarschijnlijkheid optreden en dodelijk zijn. Psoriasis lijkt mij een goed voorbeeld. Dat is een in de meeste gevallen niet levensbedreigende huidziekte waar heel goed mee te leven is. Aan de andere kant, het is wel lastig, en zeker als de puberteit over de toppen van onzekerheid scheert kan het tot wanhoop leiden. Als embryoselectie een fluitje van een cent zou zijn geweest, had ik gekozen voor nazaten waaraan ik dit gen zeker niet had doorgegeven, mede om zo bij te dragen aan een wereld waarin psoriasis niet meer voorkomt.
Van een glijdende schaal is hierbij uiteraard geen sprake. De grens is al jaren klip en klaar. Alle ziekten waarbij we nu miljoenen euro’s uitgeven aan geneesmiddelen en behandelingswijzen mogen, als dat kan, met behulp van embryoselectie worden vermeden. Daarmee wordt het levensgeluk van mensen met die ziekten geen cent minder waard (anders zouden we er nu niet zoveel aan uitgeven), en erkennen we tegelijk dat een ziekten levensgeluk in de weg kunnen staan (anders zouden we nu niet streven naar genezing). Slechts zij die aan een klompje van acht cellen een of andere mysterieuze status toekennen zullen menselijk levensgeluk willen opofferen. Henk Jochemsen van het Lindeboom Instituut, christelijk studiecentrum voor medische ethiek, verwoordde deze irrationaliteit prachtig in De Volkskrant van afgelopen zaterdag:
“Het leven, ook dat van een embryo, bergt een geheim dat om respect vraagt. […] Wij willen het leed van vrouwen met een erfelijke vorm van borstkanker helemaal niet van tafel vegen. Maar het betekent niet dat je zover mag gaan dat je kwaliteit van leven selecteert.”
Een geheim op basis waarvan we mensen levensgeluk ontnemen. Tegen euthanasie, tegen abortus, tegen embryoselectie, tegen inenting, tegen levensgeluk op basis van een geheim? Daar kan de plicht tot het bevorderen van het levensgeluk van jezelf en dat van anderen inderdaad niet tegen op.
Orgaandonatie is in dat licht helemaal een bizar vraagstuk aan het worden. Aan de ene kant zijn er dode mensen waarop de term levensgeluk niet langer van toepassing is, aan de andere kant mensen van wie het levensgeluk oneindig zou kunnen worden vergroot met behulp van organen uit die dode mensen. Wat is het probleem?! Leeghalen dat dode lichaam, zo snel mogelijk! Wat voor overwegingen kunnen nabestaanden ertoe brengen geen toestemming te geven? Lees de eerste regels van dit stuk nog eens. Als we beginnen bij de menselijke kant, bij de kant van het levensgeluk, is orgaandonatie na overlijden een onvermijdelijke plicht. Dat er mensen zijn die orgaandonatie op basis van een religieus geheim of een mysterieus gevoel liever vermijden is diep en diep triest. Vanaf de menselijke kant bezien is het zelfs misdadig.
Er zijn veel ethische vraagstukken waarover we ons het hoofd moeten breken omdat ze er toe doen, omdat de antwoorden bepalend zijn voor het levensgeluk van onze dierbaren, naasten, verre naasten en toekomstige generaties. Maar er zijn ook ethische vraagstukken die slechts bestaan bij de gratie van voortwoekerende irrationaliteit. Dat daarmee levensgeluk wordt geofferd aan het onkenbare is niet langer een geheim.

dinsdag 27 mei 2008

Tegennatuurlijk












Is homoseksualiteit tegennatuurlijk? Nee, zo toont het Natuurhistorisch Museum in Maastricht aan in de tentoonstelling “Against Nature” die nog tot 31 augustus is te zien: “Bij de Rosékakatoe is de helft van alle paartjes homoseksueel… De expositie is ontwikkeld door het Natuurhistorisch Museum van de Universiteit van Oslo, naar aanleiding van de opmerking van een prominente Noorse geestelijke die homoseksualiteit “tegennatuurlijk” vindt.”
In het dierenrijk komt homoseksualiteit veelvuldig voor. Het hele idee dat twee dieren van hetzelfde geslacht het nooit met elkaar doen, of slechts in zeer uitzonderlijke situaties, is volkomen misplaatst. Bij vrouwtjes bonobo’s hebben we er zelfs een naam voor: Hoka-hoka, ongeveer het geluid dat de vrouwtjes maken als ze klaarkomen terwijl ze hun clitorissen tegen elkaar wrijven. Tegennatuurlijk?
Tentoonstellingen zoals in Maastricht of gewoon een uurtje websurfen zijn voldoende om het ongelijk aan te tonen van de gehele geestelijkheid of welke andere moreel verdwaalde geest dan ook. Toch is bij morele argumentaties op basis tegennatuurlijkheid meer aan de hand. Want, wanneer is gedrag tegennatuurlijk? Laat ik beginnen met een aantal gedragingen die wat mij betreft tegennatuurlijk zijn, hoe de definitie van natuurlijk gedrag er ook uit ziet. Bovenaan de lijst staat uiteraard skiën, en sowieso alles wat met wintersport te maken heeft. Welke andere niet in de sneeuw levende diersoort hult zich in dikke lagen in fabrieken geproduceerde kleding, om met auto’s en vliegtuigen af te reizen naar bergen waar hellingen van bomen zijn ontdaan en geëgaliseerd om zich met een lift omhoog te laten slepen en vervolgens op gehuurde of gekochte latten naar beneden te laten glijden? Is het niet tegennatuurlijk dat veel mensen meer moeite hebben met homoseksualiteit dan met skiën?
En dit is nog maar de nummer één van de lijst onnatuurlijke gedragingen. Wat te denken van duiken in belachelijke rubberpakjes met een persluchtfles op je rug? Of korfballen? Of zittend plassen op een toilet dat is aangesloten om een immens buizenstelsel? Als homoseksualiteit tegennatuurlijk is dan heeft de Noorse geestelijke, hoe prominent ook, nog een hoop werk te verzetten. Skiërs, duikers, korfballers en alle zeikerds gedragen zich onnatuurlijk. En dat mag niet, want onnatuurlijk is moreel onjuist.
En daar zit ‘m nu juist de kneep. Is onnatuurlijk ook immoreel? Het tegenovergestelde is in ieder geval niet waar. Niet alles wat natuurlijk is, is moreel te verantwoorden. Mannetjes orang-oetans verkrachten soms vrouwtjes. Dat is natuurlijk gedrag waarvoor zelfs evolutionair, genetische argumenten zijn aan te voeren, maar het gedrag is niet moreel. Dus gedrag dat natuurlijk is hoeft nog niet moreel te zijn. Maar is het omgekeerde wel waar? Als gedrag niet in de natuur voorkomt, zoals skiën, duiken en korfballen, is het dan ook moreel niet te verantwoorden? Zelfs als u zich, net zoals ik, toch wat ongemakkelijk voelt bij de aanblik van skiërs, duikers of korfballers, dan nog zult u moeten toegeven dat uit de onnatuurlijkheid van deze gedragingen geen morele veroordeling kan worden afgeleid. Onnatuurlijkheid kan geen argument zijn in morele discussies.
Daarom brengt de tentoonstelling in het Natuurhistorisch Museum in Maastricht ook een gevaar met zich mee. Door te laten zien dat homoseksualiteit natuurlijk is wordt het idee dat natuurlijkheid een grond is voor morele overwegingen bekrachtigd. Maar wij mensen zijn geen natuurlijke wezens, in ieder geval niet in dat opzicht. Wij doen voortdurend onnatuurlijke dingen, zelfs als we nooit skiën, duiken of korfballen. Onnatuurlijkheid is een van de geneugtes van mens-zijn. Laten we derhalve afstand nemen van morele argumentaties op basis van natuurlijkheid.
Homoseksuelen, skiërs, duikers en zelfs korfballers genieten zichtbaar van hun gedrag. Wat voor diepere morele grond dan dat genot is er nodig om hun gedrag te rechtvaardigen? Wellicht speelt de vraag in hoeverre ze anderen daarbij schade toebrengen nog een rol. Maar in dat opzicht komen homoseksuelen er beter af dan duikers en korfballers, en veel beter dan skiërs.

Het Natuur Historisch Museum in Maastricht:
http://www.nhmmaastricht.nl/nederlands/index2.htm

vrijdag 28 maart 2008

Een elektrode voor geluk

Ik kom net onder de douche vandaan. Dat is voor mij een van de meest gelukzalige momenten van de dag. En als ik er echt van wil genieten ga ik eerst een rondje hardlopen. Daarna stap ik dan onder de douche. Een grote douche, met heel veel water, en een geiser die ik weet niet hoeveel liter warm water per minuut levert zodat ik nooit het gevoel heb dat er ergens een koud straaltje tussen zit. En ik douche lang, heel lang, want dat gelukzalige gevoel wil ik vasthouden. Liters drinkwater, heel veel gas, op jaarbasis een belachelijke verspilling en veel te hoge emissie voor het dagelijkse genotskwartiertje van een filosoof. Houdt dit beeld even vast.
Gisteravond was in De Wereld Draait Door een neuropsychiater te gast. Damiaan Denys is gespecialiseerd in de behandeling van dwangneurosen. Hij behoort, zoals Matthijs van Nieuwkerk zei, tot de voorhoede van het wetenschappelijke onderzoek op dit gebied. Denys behandelt dwangneurosen door een elektrode in te brengen in het hersengebied dat voor de dwanghandelingen verantwoordelijk is. Onder de schedel wordt een batterij geplaatst die de elektrode van stroom voorziet. De elektrische activiteit van de elektrode zorgt ervoor dat de activiteit in het hersengebied verandert waardoor de dwanghandelingen sterk afnemen.
"De eerste resultaten waren," zo sprak Denys, "hoopvol." En Denys verhaalde uiteraard over patiënten die nu slechts een of anderhalf uur per dag verloren aan hun dwangneurose, tegenover soms wel tien uur voor de operatie. Het levensgeluk van deze mensen, die in de reguliere psychiatrie waren uitbehandeld, nam zienderogen toe. Prachtig. Een ieder die genot hoog in het vaandel heeft staan, kan niet anders dan dergelijk onderzoek toejuichen.
Toch was Denys niet onverdeeld gelukkig met de resultaten. Bij een meisje had de behandeling geen effect. Dat wil zeggen, geen effect op haar dwanghandelingen. Het meisje voelde zich echter wel gelukkiger dan voor die tijd, ze was gewoon blij! “Toen,” sprak Denys, “hebben we gezegd, we gaan toch een ethisch standpunt innemen.” En hij en zijn team besloten de elektrode weer te verwijderen, omdat “wij als psychiater niet gemaakt zijn om u gelukkiger te maken, wij zijn er om u van uw klachten af te helpen. Dus wat gaan we doen? We gaan het uitzetten, en we zoeken een ander proces om toch die klachten trachten te doen afnemen.”
De uitspraak “we gaan een ethisch standpunt innemen” kan twee dingen betekenen. Ten eerste kan het betekenen dat er een standpunt moest worden ingenomen van ethische aard, een standpunt dat betrekking had op het goede leven. Ten tweede kan de uitspraak betekenen dat een ethisch correct standpunt moest worden ingenomen. Denys heeft een standpunt ingenomen over het goede leven van zijn patiënte, maar de grote vraag is of het een correct standpunt is.
Waarom zou je een elektrode die iemand gelukkiger maakt verwijderen? We koppelen ons voortdurend aan apparaten die ons prettiger doen voelen. Auto’s, horloges, televisies, golfclubs, laptops, boeken, senseo’s en mobiele telefoons prikkelen onze genotcentra en maken het leven een stuk aangenamer. En nu is er een apparaat dat onder onze schedel zit en ons gelukkiger maakt, en dan mag het niet?! Wat voor ethische theorie heeft Denys tevoorschijn gehaald om zijn standpunt te rechtvaardigen? In ieder geval niet het utilisme. In ieder geval geen theorie die zegt dat het je menselijke taak is om te genieten en te laten genieten.
Haal nu het beeld van de douchende filosoof even terug. Stel dat een elektrode hetzelfde effect zou hebben als mijn doucheritueel, maar voor nog geen 1 procent van de emissie (en stel ook dat u er van overtuigd bent dat verlaging van emissie essentieel is voor het geluk van toekomstige generaties). Moet Denys bij mij een elektrode plaatsen?
Natuurlijk moet hij die plaatsen. Een lange warme douche is een hopeloos verouderd, vervuilend ritueel uit een tijdsgewricht waarin men de hersenen een mythische status gaf als zetel van de ziel, geest en persoonlijkheid. Terwijl wij allang weten dat de hersenen een doodnormaal orgaan zijn, waar een hoop vreugde, genot en geluk aan te beleven is. Dus plaatsen die elektrode! Misschien moet Denys in dat magnifieke orgaan van mij zelfs twee elektroden plaatsen, als daarmee het genotseffect verdubbeld wordt, met zo’n batterij uit een roze konijntje dat heel lang en gelukzalig neurotisch doortrommelt.

De uitzending van De Wereld Draait Door is te zien op: