Posts tonen met het label disciplinering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label disciplinering. Alle posts tonen

vrijdag 2 november 2012

Peek en Poke in Perspectief


Doodstil is het, in de bioscoop, tijdens het lezen van een boek of tijdens de uitvoering van klassieke muziek. We kijken naar het scherm, laten onze ogen in alle rust over de regels glijden, of sluiten onze ogen om de stiltes tussen het geluid nog beter te kunnen horen. In het Tate Modern op een bank, recht tegenover Weeds (1996) van Yayoi Kusama, worden we omringt door een oase van stilte, waarin gedetailleerde patronen en subtiele groennuances aan ons verschijnen. Dit is geen werk om al pratend langs te lopen.

Yayoi Kusama, Weeds, 1996
Afbeelding: www.worldmalls.com

De meest hedendaagse vormen van kunstbeleving zijn gebaseerd op een verstilde vorm van waarnemen, en in die zin sensomotorisch zeer specifiek. Als verdoofd zitten of staan we stil en om naar een kunstwerk te kijken, een boek te lezen, of te luisteren naar muziek. Onderzoek van Miguel Nicolelis laat echter zien dat dansen, het spelen van luchtgitaar, of dirigentmimesis, wel degelijk een verschil kan maken voor wat iemand hoort. Beweging, ritmische beweging op basis van muziek bijvoorbeeld, breng ons in een andere neurale toestand, brengt andere receptieve velden en een andere hersenorganisatie met zich mee zodat een kunstwerk op een andere wijze aan ons verschijnt. Sensomotorische patronen zijn bepalend voor kunstbeleving, terwijl tegelijkertijd dominante cultuuruitingen zijn gebaseerd op verstilling. Verstilde kunstbeleving is een uiterste van een enactivistisch spectrum waarin van de bewegingen van het lichaam in relatie tot een omgeving in variërende mate gebruik wordt gemaakt.

Klik hier voor het essay Peek en Poke in Perspectief, dat verscheen in Filosofie & Praktijk, oktober 2012, jaargang 33, nr. 3

maandag 17 oktober 2011

Waarom geen oase van levenskunst?


Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw is werk, en dan uiteraard het liefst betaald werk, het hoofddoel geworden van mensenlevens. Dat wil zeggen, het is het hoofddoel geworden van gezonde mensenlevens. Zoals Michel Foucault laat zien in zijn boek “Geschiedenis van de Waanzin,” worden vanaf die zeventiende eeuw mensen die niet willen of kunnen werken opgepakt en opgesloten, om te worden hervormd via een uitgekiend rehabilitatieprogramma dat ze weer klaarstoomde voor arbeid. Iemand die niet kan of wil werken is vanaf dan uitschot of excentriek of idioot of alle drie. Een leven zonder werk werd een leven zonder gezondheid. De eerste vraag bij kennismaking werd “Wat doe jij eigenlijk?”, en “Helemaal niets, wat rondhangen en genieten van de natuur” was niet langer een geaccepteerd antwoord.
Hoe anders was het in de tijd van de Griekse filosofen, ruim tweeduizend jaar geleden. In het leven van filosofen zoals Socrates, Diogenes en Epicures draaide het beslist niet om de beslommeringen van een betaalde baan. Dit waren mannen die baadden in vrije tijd, zich met maaltijden lieten betalen voor hun filosofische kunsten of zich oefenden in een leven met schaarste. Zij zouden ons hebben beschouwd als moderne slaven, van onze vrijheid beroofd door de financiële ketting van hypotheken, leningen, creditcards en belastingen. Werk maakt van onze lichaam en geest knechten. Ons lichaam slijt van het vroege opstaan, forenzen en de sleur van vergaderingen en het klaslokaal. Onze geest wordt gericht naar de bovenmeesters die de financiële wereld beheersen. Zonder uitzondering zijn we ervan overtuigd dat we een arbeidzaam, dus zinvol leven leiden, en dat ten minste enkele van onze leerlingen door ons toedoen goed terecht zijn gekomen: in een leuke baan. Desgevraagd kunnen we tientallen argumenten geven waarom een leven met een baan beter is dan een werkeloos bestaan.
Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn, ware het niet dat werkenden het beslist niet kunnen aanzien als iemand op een alternatieve wijze zijn leven inricht. Zitten vissen langs de waterkant, de eentjes voeren in het park, door de stad slenteren, tegen blikjes schoppen, op een grassprietje sabbelen, een praatje maken met een toevallige voorbijganger, achter de televisie hangen en stiekem gluren naar de lieve buurvrouw, kunnen geen zinvolle elementen van een mensenleven zijn. We worden steeds intoleranter ten opzichte van de dorpsidioot, de zwerver en de alternatieveling. “Zoek toch een baan!,” roept onze jaloerse geest, “Wie niet werkt, zal ook niet eten (en zeker niet van mijn zuurverdiende geld)!”

Daarom worden mensen die niet kunnen werken uit de maatschappij gehaald. We leven in een kenniseconomie, en iedereen die achterblijft in kennis of economische bijdrage is dus een bedreiging voor de gezondheid van onze samenleving. Voor deze afwijkende mensen resteert er slechts één mogelijkheid: buitensluiting. Net zoals melaatsen de stad moesten verlaten om de gezondheid van de rest van de bevolking niet aan te tasten, zo moeten de niet-werkenden als een gezwel uit ons midden worden weggesneden. We zijn doodsbenauwd voor besmetting. Welke ouder wil nu dat het niveau in de klas van zijn beloftevolle dochter onderuit wordt gehaald door een gehandicapte dwaas? We willen een leven met een gezond arbeidsethos, om ondertussen te dromen van ons pensioen.
Scholen in het speciaal onderwijs(S.O.) zijn een opvangplaats voor uitgestotenen. Zij ontvangen de leerlingen van wie het gedrag, de gezondheid of geestelijke vermogens ontoereikend zijn om ten volle in de kenniseconomie mee te draaien. S.O.-scholen zouden dus een oase van rust kunnen zijn, een plek waar de duizelingwekkende snelheid van de wereld wordt vertraagd. Leerlingen zouden kunnen worden onderwezen in levenskunst. Ze zouden kunnen leren hoe een zinvol bestaan zonder werk is vorm te geven, een bestaan in de luwte van de maatschappij. Ze zouden kunnen worden onderwezen in het experimenteren met hun leven: wandelen met de hond, schilderen in het buurthuis, eten met de buren, een boodschap doen voor de basisschool, slenteren over de markt, vissen langs de waterkant. Uiteraard zou hun leven net zo veel pijnlijke momenten kennen als het leven van ons allemaal, en misschien wel meer. Maar, ze zouden leren hoe de pijn te verdragen en hoe tussendoor ontspannende en zinvolle perioden te creëren. En wellicht zouden hun levens zo kunnen bijdragen aan ons eigen inzicht in onze onvolkomenheden en dwaasheid.
Maar zo is het niet, in tegendeel. S.O.-scholen zijn klinieken geworden waarin de etterende wond van een werkloos bestaan zoveel mogelijk gestelpt. Niet levenskunst, maar arbeidstraining en stage staan centraal. Op internet worden foto’s geplaatst van leerlingen die een certificaat hebben gehaald, en misschien wel werk zullen vinden. En ik wed dat de meest succesvol geachte trajectplannen eindigen met “Betaald werk” en een uitroepteken. Met andere woorden, S.O.-scholen zijn geenszins een veilige haven waar degenen rust vinden die niet mee kunnen draaien in de vaart der volkeren. Nee, zelfs op S.O.-scholen worden ze achtervolgd door reken-, taal- en handvaardigheidsonderwijs gericht op een terugkeer in de kenniseconomie. Uiteraard met de beste bedoelingen, omdat de ouders erom vragen, omdat de inspectie erop afrekent, omdat ze enorm blij zijn als ze een baantje hebben en ook omdat we niets beters kunnen verzinnen.
Zo lopen zelfs S.O.-scholen, kort aangelijnd aan de leiband van de kenniseconomie, van arbeidstraining, naar stageproject, naar leerwerktraject en weer terug. En dat geeft ons, hardwerkende mensen, de mogelijkheid om onze eigen idiotie als volkomen normaal te beschouwen. Waarvoor dank!

woensdag 28 januari 2009

Eerlijk en tragisch

Disciplinering is een term die in filosofische analyses de betekenis krijgt die Michel Foucault (1926-1984) eraan heeft gegeven. Het is lastig om deze betekenis in een paar zinnen uiteen te zetten, maar aangezien dat nu eenmaal bij alle termen van Foucault het probleem is voel ik mij niet bezwaard om te volstaan met een slordige schets. Het handigst is het om te beginnen met een vorm van disciplinering waaraan velen zich weleens onderworpen hebben, een georganiseerde teamsport. Om daaraan mee te doen dienen we ons te schikken naar het team waarvan we deel uitmaken, de club, de regels van het spel, de vaktermen, de sportbond, het speelveld, de schoenen, de kledingfabrikant en nog vele andere mensen, afspraken, instellingen, regels en gewoonten. Hoeveel vrijdenker we ook menen te zijn, op het voetbalveld onderwerpen we ons aan de regels en de scheidsrechter, en daarbuiten aan de club en de bond. Degenen die zich niet onderwerpen worden gestraft, met geel, rood of een reprimande van de voorzitter en als dat te vaak gebeurt uitsluiting van de hele sport.
De maatschappij waarin we leven legt ons een disciplinering op die vergelijkbaar is met die van een sport in teamverband. Zonder dat we ons er voortdurend van bewust zijn schikken wij ons naar de taal, gewoonten, moraal, instellingen, instituties en machinaties van onze maatschappij. Zo laat Foucault laat in zijn analyses zien dat onze ziektes en opvattingen over gezondheid, onze psychische aandoeningen, onze gezonde arbeidsmoraal en ons regime van straf en toezicht onderdelen zijn van een allesomvattende disciplineringstructuur. Die structuur is door niemand bedacht of met een vooropgezet plan ingevoerd, net zoals de voorzitter van de club niet het snode brein is achter de disciplinering in het voetbal (sterker nog zijn eigen gedrag is ook een gevolg van die disciplineringsstructuur). Disciplineringstructuren hebben ons allen in de greep, zonder dat we er goed zich op hebben en zonder dat we er iemand de schuld van kunnen geven.
Het briljante televisieprogramma Heerlijk, Eerlijk, Heertje gepresenteerd door Raoul Heertje legt de disciplineringstructuren bloot van de televisiewereld. In de eerste aflevering was te zien hoe programma’s worden voorgekookt, hoe interviews vooraf doorgesproken worden, hoe weinig spontaan presentatoren zijn en hoe bij dit alles programmamakers volharden in het opwekken van de illusie dat de kijkers een echte en spontane interacties tussen mensen voorgeschoteld krijgen. Geheel in lijn met Foucault werd er geen schuldige aangewezen. Televisiemakers produceren, presentatoren en hun productieteam maken, adverteerders stimuleren de illusie en kijkers smullen ervan. Zo wordt het onmogelijk om je als programmamaker aan deze disciplinering te onttrekken. De eerste aflevering ging dus niet zozeer over eerlijkheid, want dat zaken achter de schermen zo gaan is geen geheim, maar over een disciplinering die niemand wil, maar waaraan iedereen is onderworpen.
Maar, wat in de eerste aflevering nog deels impliciet was, werd in de tweede aflevering door Heertje naar de voorgrond getrokken. Heertje wilde aan de disciplinering ontsnappen, hij wilde vreselijk graag ontsnappen. Wanhopig zocht hij naar een mogelijkheid om niet ten prooi te vallen aan de machinaties van de televisie. Hij probeerde het publiek weg te sturen dat als klapvee was ingehuurd. Hij zocht wanhopig naar eerlijkheid, filmde zijn overwegingen met een webcam, en zond beelden van redactievergaderingen en fotoshoots uit. Om te ontsnappen greep hij zich vast aan een onmogelijke hand, de hand van God. Heertje wilde met een Waarachtige combinatie van Eerlijkheid & Volledigheid het Foucauliaanse monster verslaan, Joris en de draak. Hij bracht twijfels en beslissingsmomenten in beeld en alles wat bij de montage was weggelaten is terug te vinden op de website die bij het programma hoort.
Uiteraard gaat het Heertje niet lukken. Heertje is al onderworpen. Het programma is snel gesneden, met beeldwisselingen die de aandacht vasthouden, humor, verrassende momenten en spektakel: Heertje die door toedoen van zijn eigen productieteam voor schut komt te staan. Dat is televisie zoals televisie volgens producenten, adverteerders en kijkers moet worden gemaakt. Ook Heertje schikt zich naar deze structuren. Want hoe harder hij zich aan deze disciplinering probeert te onttrekken, hoe onbegrijpelijker zijn programma wordt en hoe eerder kijkers en adverteerders hem vriendelijk edoch beleefd zullen verzoeken omroepland te verlaten.
Heertje steekt nog wanhopig een hand uit naar Totale Eerlijkheid. Ook dat mislukt jammerlijk. Een mooi voorbeeld daarvan is de fotoshoot in aflevering 2. Heertje wordt gevraagd om met een gerbera voor zijn gezicht te poseren. Het wordt een gekunsteld geheel, waarbij Heertje niet weet hoe hij moet kijken en de fotograaf niet weet wat hij van Heertje kan vragen. Twee beelden later staat Heertje met enkele leden van het productieteam naar de resultaten te kijken. “Ik vind het echt niet mooi. Bah, doe weg,” zegt Heertje. Maar wat vindt hij echt?
Vind hij de foto’s lelijk omdat ze gekunsteld zijn en dus in dat opzicht niet eerlijk? Maar wat zijn dan niet gekunstelde foto’s? Is een foto van Raoul Heertje met een gerbera niet bij uitstek een eerlijke foto? Iedereen weet dat Heertje niet zomaar met een gerbera voor zijn neus gaat zitten. Dus heeft de foto daarmee al niet zijn eigen oneerlijkheid in zich opgenomen? Of weet Heertje niet wat hij van de foto’s vindt en zijn deze beelden er in gemonteerd omdat ze zo mooi bij de rest van het programma passen? Wij zullen het nooit weten. Wij zullen het nooit weten omdat zelfs Heertje het nooit zal weten, omdat zelfs Heertje nooit zijn eigen disciplineringsstructuren kan overzien.
Heertje is een held, maar een tragische held, en daarom verheug ik mij op alle volgende afleveringen.

Klik hier voor de website van Heerlijk, Eerlijk, Heertje. Op deze website zijn ook de beelden van de eerste afleveringen te vinden. De volgende aflevering is te zien op vrijdag 30 januari rond 22.00 uur.