Posts tonen met het label externalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label externalisme. Alle posts tonen

vrijdag 2 november 2012

Peek en Poke in Perspectief


Doodstil is het, in de bioscoop, tijdens het lezen van een boek of tijdens de uitvoering van klassieke muziek. We kijken naar het scherm, laten onze ogen in alle rust over de regels glijden, of sluiten onze ogen om de stiltes tussen het geluid nog beter te kunnen horen. In het Tate Modern op een bank, recht tegenover Weeds (1996) van Yayoi Kusama, worden we omringt door een oase van stilte, waarin gedetailleerde patronen en subtiele groennuances aan ons verschijnen. Dit is geen werk om al pratend langs te lopen.

Yayoi Kusama, Weeds, 1996
Afbeelding: www.worldmalls.com

De meest hedendaagse vormen van kunstbeleving zijn gebaseerd op een verstilde vorm van waarnemen, en in die zin sensomotorisch zeer specifiek. Als verdoofd zitten of staan we stil en om naar een kunstwerk te kijken, een boek te lezen, of te luisteren naar muziek. Onderzoek van Miguel Nicolelis laat echter zien dat dansen, het spelen van luchtgitaar, of dirigentmimesis, wel degelijk een verschil kan maken voor wat iemand hoort. Beweging, ritmische beweging op basis van muziek bijvoorbeeld, breng ons in een andere neurale toestand, brengt andere receptieve velden en een andere hersenorganisatie met zich mee zodat een kunstwerk op een andere wijze aan ons verschijnt. Sensomotorische patronen zijn bepalend voor kunstbeleving, terwijl tegelijkertijd dominante cultuuruitingen zijn gebaseerd op verstilling. Verstilde kunstbeleving is een uiterste van een enactivistisch spectrum waarin van de bewegingen van het lichaam in relatie tot een omgeving in variërende mate gebruik wordt gemaakt.

Klik hier voor het essay Peek en Poke in Perspectief, dat verscheen in Filosofie & Praktijk, oktober 2012, jaargang 33, nr. 3

vrijdag 6 januari 2012

Blij met een dood vogeltje

De grote boosdoener, de grote filosofische boosdoener is informatie. Informatie is voor de meeste hedendaagse denkers wat res cogitans was voor René Descartes: een manier om over de menselijke geest te kunnen spreken zonder de hindernissen van natuurwetenschappelijke strengheid. Nergens is de kracht van informatie sterker dan in neurologisch - of neuropsychologisch onderzoek en de daaraan gelieerde philosophy of mind. Informatie is daar een kritiekloos geaccepteerde goochelterm, een deus ex machina om gedachtenspinsels met hersenweefsel te verbinden. Zelden laat een beschrijving in termen van informatie of informatieverwerking meer over de menselijke geest of hersenen zien dan het onvermogen om een verschijnsel wetenschappelijk te benaderen. Tijd dus, om deze uitwassen van informatie weg te snoeien.

Dit korte essay is verschenen in Qualia, het blad dat wordt uitgegeven door STUFF, de studievereniging van de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

zondag 31 oktober 2010

Heeft lateralisatie betekenis?

Om de menselijke geest, onze hersenen, ons denken en bewustzijn, te kunnen bestuderen zullen we ons moeten ontworstelen aan de computermetafoor. Dat zal niet meevallen. Sinds de 17e eeuw zijn de grootste wetenschappelijke successen geboekt door verschijnselen te beschrijven als mechanische, rekenkundige processen. Dat geldt vooral voor de natuurwetenschappen. Maar, ook in de menswetenschappen is de zogenaamde mechanisering van het wereldbeeld niet zonder succes gebleven. De menselijke hersenen werden achtereenvolgens gezien als een klok, een stoommachine, telegraafsystemen en tenslotte als een computer. De zintuigen leveren de input, de hersenen verwerken de informatie en het lijf en de spieren verzorgen de output. Een zowel elegant, als begrijpelijk schema, tenminste, voor hen die zich in het digitale tijdperk bewegen.
Maar er verschijnen steeds meer scheuren en barsten in dit paradigma. De computermetafoor verliest haar glans. De voornaamste reden hiervoor is dat verschijnselen in de hersenen, blootgelegd door moderne scanapparatuur, zich niet eenvoudig laten vangen in termen van informatiestromen en berekeningsmodules. Er zijn nieuwe metaforen nodig, nieuwe wiskundige modellen. Het is nog niet duidelijk welke kant deze ontwikkeling op zal gaan, maar als ik geld zou mogen inzetten zou ik de dynamische systeemtheorie kiezen.
In het essay Heeft lateralisatie betekenis? onderzoek ik of het verschil tussen linker- en rechterhersenhelft kan worden gebruikt om nieuwe wegen in te slaan in de filosofie en wetenschap van de geest. Bij een computer maakt het niet uit waar informatieverwerkende modules zich bevinden. Als bij mensen plaatsing in het lichaam en koppeling aan de ledematen er wel degelijk toedoet, kunnen lateralisatieverschijnselen dus dienen als een aanzet voor nieuwe theorievorming. Hoe die nieuwe theorie er precies uit zal zien, zullen we helaas pas achteraf weten.

Klik hier voor het essay Heeft lateralisatie betekenis?

Dit essay heb ik op 29 oktober 2010 gepresenteerd in de collegereeks Lateralisatie en Cognitie van de Seniorenacademie Groningen. Klik hier voor de bijbehorende Powerpoint presentatie.

De website van deze collegereeks is Cultuur en Cognitie.

maandag 13 september 2010

Een memento door Remco Ekkers

'Memento' is een fraai Engels woord: "an object kept as a reminder of a person or event". In het Nederlands zou dat een 'aandenken' zijn, eveneens een prachtig woord. Een aandenken is een voorwerp dat aan een gebeurtenis of persoon herinnert. Maar een aandenken kan ook iets anders zijn dan een voorwerp. Een litteken kan een aandenken zijn aan een vechtpartij. Een tatoeage kan een aandenken zijn aan een familielid. Een pijnlijke hand herinnert aan een dronken bui. Een tinteling in de buik doet een verloren liefde herbeleven. Een aandenken kan eigenlijk alles zijn dat aan een gebeurtenis of een persoon (of een club, of een ...) herinnert.


In de film Memento verliest de hoofdpersoon (Leonard) het vermogen om nieuwe herinneringen aan te maken, anterograde amnesie. Na een paar minuten zijn verse ervaringen voor goed uit zijn geest verdwenen. Mensen die hij na zijn geheugenverlies ontmoet blijven vreemden voor hem. Leonard gebruikt aandenkens om een geheugen op te bouwen. Polaroidfoto's, korte teksten en tatoeages vormen voor Leonard breinprothesen waarmee hij zijn gebrek enigszins compenseert. Leonards geheugen bevindt zich daardoor niet in zijn hoofd, maar in zijn aandenkens.


Externalisten menen dat wat voor Leonard geldt niet meer is dan een grensgeval. Leonard's geheugen ontbeert inderdaad enkele nuttige neurale componenten, maar ook bij mensen zonder anterograde amnesie bevindt het geheugen zich voor een belangrijk deel in aandenkens. Het lijf en de omgeving zijn onmisbare onderdelen van het geheugenproces. Wat Leonard doet, doet iedereen. Zonder dat we er bij stilstaan gebruiken we lijf, versierselen, aankleding, objecten en omgeving als aandenkens om ons geheugen inhoud te geven. Ik zal dit, als eerbetoon aan de film, aanduiden met het memento-principe. Haal onze aandenkens weg, en ook wij houden bitter weinig geheugen over.
Ik ken geen krachtiger weergave van het memento-principe dan het gedicht Terug van Remco Ekkers. Het hangt ingelijst bij mij in huis, als meta-aandenken.
Terug

Je was het gras vergeten maar
dit is een geur uit je jeugd.

Je zat op je hurken en
opeens kwam het woord.

Toen je voelde aan die bloem
ook de naam van de vlinder.

Tussen alle groen rode daken
jouw felste herinnering.
Ekkers schreef het gedicht voor iemand die na een lange tijd terugkwam in het land van haar jeugd. Ze was het gras vergeten, maar de geur liet het haar herinneren. Het woord kwam terug toen ze hurkte. De aanraking van de bloem bracht de naam van de vlinder. Geuren, haar gehurkte lijf en de aanraking van de bloem zijn net zo hard onderdeel van haar herinneringsproces als haar hersenen. Want hier, in Nederland, was ze immers het gras vergeten, zoals Ekkers schrijft, net als de naam van de vlinder.


De laatste twee regels van het gedicht zijn wonderschoon voor liefhebbers van het memento-principe. "Tussen alle groen rode daken jouw felste herinnering". Het woord 'felste' is om drie redenen sterk gekozen. Ten eerste omdat het aangeeft dat herinneringen zeer intens kunnen zijn, en niet slechts een afgeleide onmiddellijke ervaringen. Daarnaast omdat het laat zien dat dergelijke herinneringen nooit in al hun hevigheid kunnen ontstaan in het brein alleen, maar slechts te midden van het memento van groen rode daken. Ekkers schrijft 'felste' en niet 'felle'. Tenslotte geeft het woord 'felste' ook de intense pijn aan waarmee een levendige herinnering gepaard kan gaan. Tussen alle groen rode daken keert ook een pijn terug die je wellicht liever had vermeden. Zo laat het memento-principe ons balanceren tussen de drang om terug te keren en te bewaren, en de angst om pijn te lijden.

dinsdag 8 juni 2010

Victor Lamme heeft een vrije wil

Ik kan u verzekeren dat Victor Lamme een vrije wil heeft. Zelf is hij daar klaarblijkelijk minder van overtuigd, getuige de titel van zijn laatste boek: De vrije wil bestaat niet: Over wie er nu echt de baas is in het brein. Iedereen die op de hoogte denkt te zijn van het functioneren van de menselijke geest, moet dit boek lezen. Het bevat een helder geschreven en vermakelijk overzicht van alle bizarre neurologische vondsten en experimenten uit de afgelopen anderhalve eeuw. Daaruit blijkt overduidelijk het failliet van het naïeve idee waarmee we de moderne tijd begonnen, het idee dat lichaam en geest twee onderscheiden substanties zijn. En daarmee is ook het idee verworpen dat de menselijke geest buiten de reguliere natuurwetten staat, en onafhankelijk van die natuurwetten beslissingen zou kunnen nemen.

Overigens ken ik nog maar weinig weldenkende mensen die twijfelen aan het feit dat het functioneren van onze hersenen, ons lijf en de ons omringende wereld onderworpen is aan natuurwetten, net zoals het functioneren van onze geest, ons bewustzijn en onze vrije wil. Lamme licht er in dit verband drie hoofdzaken uit. Ten eerste laat hij zien dat we meer door de wereld buiten ons worden beïnvloed dan we denken. In de meest extreme gevallen leidt dat tot environmental dependency (omgevingsafhankelijkheid), een toestand waarin het handelen uitsluitend door de directe omgeving wordt bepaald. Een man die automatisch alle brillen die hij ziet liggen oppakt en opzet. En die alle kammen in zijn blikveld door zijn haar haalt. Gelukkig kunnen de meesten van ons dergelijke neigingen onderdrukken, zodat we niet voortdurend met vreemde leesbrillen op onze neus zitten. Maar stiekem lijden wij toch allemaal aan een mildere vorm van deze omgevingsafhankelijkheid. Zonder dat we het opmerken bepaalt de ons omringende omgeving ons handelen. Hebben we werkelijk zin in een broodje kaas, of is het een gevolg van het soapsterretje op televisie dat met de kaasschaaf in haar hand vertelde dat haar beste vriendin het met haar man had gedaan?
Uiteraard verhaalt Lamme daarnaast van de experimenten van Benjamin Libet. Daaruit blijkt dat ons bewustzijn nogal achter de beslissende hersenactiviteit aan hobbelt. De “bewuste” keuzes die iemand gaat maken zijn in sommige gevallen meer dan zes seconden voordat het tot de proefpersoon doordringt, af te lezen aan zijn hersenactiviteit. “Daden volgen niet onze gedachten. Het is precies andersom,” schrijft Lamme. En hij heeft gelijk.
Tenslotte legt Lamme uit dat we slechts minimaal inzicht hebben in de oorzaken van ons gedrag. In de hersenen bevindt zich een babbelbox die mooie verhalen ophoest telkens wanneer we om een rechtvaardiging voor een handeling verlegen zitten. De kwaliteit van die verhalen is vooral dat ze sociaal acceptabel zijn, maar niet dat ze inzicht geven in de daadwerkelijke oorzaken.
Kortom, de vrije wil is een illusie. Een mooie illusie, misschien zelfs een nuttige illusie, maar een illusie. Aldus Lamme.

Stel, ten overstaan van een publiek discussieer ik met iemand over de vraag of het verantwoord is om een vliegvakantie te boeken. Op zo’n moment wil ik dat de argumenten uit mijn mond rollen, zonder dat ik iedere keer bewust over mijn woorden hoef na te denken. Ik wil ook dat mijn argumenten precies zijn afgestemd op dat wat mijn tegenstander zegt. En ik wil dat mijn argumenten een goede rechtvaardiging vormen voor mijn standpunt: als je wat aan het milieu wilt doen, ga dan nooit meer op vliegvakantie. Kortom, ik wil een hoge mate van omgevingsafhankelijkheid, een goed functionerende babbelbox en een brein dat minstens zes seconden voorloopt op mijn bewustzijn en mijn mond. Maar wil dit nu zeggen dat ik dan afstand doe van mijn vrije wil?
De denkfout van Victor Lamme is dat hij teveel waarde toekent aan het bewustzijn. Laat ik even heel duidelijk zijn. Ik ben het met Lamme eens dat onze geest volledig aan natuurwetten onderworpen is, en ik ben het met hem eens dat ons bewustzijn achter ons handelen aan hobbelt. Maar om daaruit te concluderen dat de wil niet vrij is, moet je de wil als een aspect van het bewustzijn zien. Het idee dat het bewustzijn en het ik (of het zelf) samenvallen is een restje naïef Cartesianisme waar Lamme prima zonder kan. Ik denk dat Lamme overtuigend heeft aangetoond dat als we de wil in het bewustzijn plaatsen, dat we dan geen vrije wil hebben. Maar hoe zit het met het alternatief? Wat als we de vrije wil gewoon opvatten als de mogelijkheid van een organisme om dat te toen wat goed voor hem is?
De wil is niets anders dan de kunst van een organisme om daar waar het profijtelijk is de buitenwereld uit te buiten en daar waar het nodig is de buitenwereld buiten te sluiten. In de loop van ons mensenleven leren de meesten van ons hierin een balans te vinden die werkt, die leidt tot een leven dat voldoening schenkt. Soms zijn we ons van het zoeken naar die balans bewust, soms maken anderen ons op onze onbalans attent, vaak ontgaat ons het hele proces. En, naarmate we er beter in slagen die balans te vinden, wordt onze wil vrijer. Bewustzijn is een prettig aspect van die balans, maar zeker niet het belangrijkste aspect. De vrije wil bestaat wel, maar moet, net als het zelf, zeker niet exclusief in dat bewustzijn worden gezocht.
Als Victor Lamme zich dus wat minder had laten meeslepen door het Cartesianisme van onze tijd, en de vrije wil niet klakkeloos in het bewustzijn geplaatst, dan had hij nog inventiever en intelligenter tegen hersenen en gedrag aangekeken. Maar ja, mag ik hem dat teveel aan omgevingsafhankelijkheid verwijten?

Lees ook:

Vrije wil bestaat niet

dinsdag 1 juni 2010

Welkom in Youtopia

In Welkom in Youtopia beschrijft Menno van der Veen de wereld van de Youtopisten.
Youtopisten zijn mensen die leven in een door henzelf gesponnen cocon. Ze praktiseren de maakbaarheid van het egocentrische leven. Youtopisten zijn de alfa en omega van hun cocon, en verzamelen in hun nest alle en uitsluitend die elementen waarmee zij zichzelf kunnen verwerkelijken of verrijken. Youtopisten zijn niet noodzakelijk egoïsten. Maar het zorgen voor anderen gebeurt slechts als het bijdraagt aan het eigen welbevinden. Van opoffering kan dus geen sprake zijn. De buitenwereld dwingt het gedrag van Youtopisten niet af, de buitenwereld is slechts het decor waartegen het zelfgeregisseerde leven van de Youtopist zich afspeelt.
Wellicht bent u in de veronderstelling dat Youtopia en de Youtopisten iets met nieuwe media of technologie (Youtube) hebben te maken. Laat ik u direct geruststellen: dat is niet zo. Volgens Van der Veen vormen de Youtopisten een normale (zij het enigszins elitaire) maatschappelijke klasse. Naast egocentrisme is de meest in het oog springende eigenschap van de leden van deze klasse dat ze met het grootste gemak van rol wisselen, en zich met geen enkele positie diep vereenzelvigen:
Carrièretijger, voetballer, geëngageerd burger, loverman. Zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist, discobabe. Hoeveel persoonlijkheden heb je precies? Of beter, hoeveel rollen weet je overtuigend te spelen?
Youtopisten willen zich niet vereenzelvigen met één rol. Ze ontlenen hun identiteit niet aan dienstjaren, religie of de strepen op een uniform. Als ze hun uniform, doktersjas of kostuum uittrekken, zijn ze andere mensen.
[Pagina 41]
In dit citaat komt de subtiele, maar alles doordringende denkfout van Van der Veen duidelijk aan het licht. Hij verzuimt de termen persoonlijkheid en rol helder te onderscheiden. Daarom zal ik hier het verschil tussen deze termen uiteenzetten, alvorens het betoog van Van der Veen te wegen.

Een actrice speelt rollen. Als Carice na een dag hard werken van de set stapt, zich afschminkt en haar alledaagse klofje aantrekt, dan is ze gewoon weer Carice van Houten. De rol die ze aannam is verdwenen, en ze wordt weer degene die ze ’s ochtends was voordat ze zich liet omkleden en schminken. De rollen die Carice speelt, zijn niet meer dan kostuums die ze aan en uit kan trekken. Naar dit type rollen verwijst Van der Veen in het bovenstaande citaat. Dit zijn de rollen waarachter een andere, waarachtigere, authentiekere persoonlijkheid schuilgaat.
Dit type rol is echter niet te vergelijken met de verschillende persoonlijkheden die iemand kan hebben. Het zelf wordt gevormd door de verzameling posities die een persoon kan innemen. Het zelf is dus een verzameling inherent waarachtige persoonlijkheden, en geen verzameling maskers. Achter die persoonlijkheden gaat niet nog eens een essentiële of echte of diepe of authentieke persoonlijkheid schuil. De zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist en discobabe zijn geen rollen van een diepere persoonlijkheid, maar aspecten van een en dezelfde persoon. Facetten van dezelfde groeibriljant, om maar eens een positiever beeld te gebruiken. Youtopisten slijpen zichzelf totdat ze schitteren in een omgeving van doffe mensen die hun persoonlijkheid nemen zoals ze die in beginsel aantreffen, en daar hoogstens wat rolletjes aan op hangen.
Van der Veen combineert psychologisch essentialisme met Platoons/Kantiaanse maatschappijkritiek, en daardoor slaat hij de plank mis. Zijn belangrijkste conclusie is dat de cocons van de Youtopisten onderling en in breder maatschappelijk verband onverenigbaar kunnen zijn, omdat in iedere cocon een specifieke maatstaf voor goed en kwaad, mooi en lelijk, van kracht is. Wat Van der Veen hierbij over het hoofd ziet is dat een Youtopist met als facet, bijvoorbeeld, een praktisch idealist, gedwongen is haar handelen in dat facet in overeenstemming te brengen met de groep waar zij deel vanuit wil maken. Hetzelfde geldt al voor een fitnessjunk die deelneemt aan een bewegingsklasje. Het innemen van diverse posities in de intermenselijke wereld, leidt tot het bijslijpen van persoonlijkheidsfacetten. Niet de essentiële persoon hoort centraal te staan, maar de facetten die in verschillende omstandigheden het invallende licht verschillend reflecteren.

Welkom in Youtopia eindigt zeer zwak. Iedereen kan bedenken dat je opsluiten in een cocon niet de meest vruchtbare maatschappelijke houding is. Iedereen begrijpt dat je je, als je uit je cocon komt, zult moeten aanpassen aan anderen. Iedereen snapt dat het fanatisme waarmee je in je dromen de wereld wilt verbeteren in werkelijkheid wel eens contraproductief kan zijn. Van der Veen beschrijft deze triviale punten omslachtig door drie groepen te onderscheiden: Producenten, Youtopisten en Amateurs. Na deze groepen uitgebreid te hebben omschreven en geduid, trekt Van der Veen in hoogdravende filosofentaal conclusies die we in de omgangstaal als open deuren terzijde zouden leggen. Zo bevolken Producenten, Youtopisten en Amateurs vooral de cocon van Van der Veen. Daarbuiten zullen ze weinig waarde hebben.

De toekomstloze mens

donderdag 13 mei 2010

Informatie over memen

Als een verschijnsel kan worden verklaard zonder een of andere hypothetische entiteit aan te nemen, dan is er geen enkele reden om deze entiteit aan te nemen. Zo luidt ongeveer Ockhams scheermes (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem) in de interpretatie van Bertrand Russell. Ik vind dat een mooi kentheoretisch principe. Beperk het aantal entiteiten dat je veronderstelt zoveel mogelijk. De talige variant van Ockhams scheermes luidt, wat mij betreft: voer (binnen de wetenschap) slechts nieuwe woorden in als je daarmee zaken kunt uitdrukken die anders niet (of slechts op zeer barokke wijze) onder woorden kunnen worden gebracht.
Er is dus enerzijds een ontologisch mes dat nutteloze entiteiten wegsnijdt. En, er is anderzijds een linguïstisch mes, dat het ongefundeerd babbelen tot een minimum beperkt. Tezamen vormen deze messen de snoeischaar die voorkomt dat de haag van wetenschap verwordt tot de wildgroei van pseudowetenschap.
In On the Senselessness of Memes betoog ik dat memen, indien ze worden opgevat als entiteiten die van de ene geest naar de andere worden gekopieerd, eenvoudig met het ontologisch mes kunnen worden weggesneden. De voornaamste reden daarvoor is, grofweg, dat het volstrekt onduidelijk is wat we bedoelen met een entiteit in de geest. Daarnaast hebben we geen criterium om vast te stellen of een meme (of een idee, of gedachte, of wereldbeeld) in de ene geest een kopie is van een meme in een andere geest. Als we niet weten wat memen in de geest precies zijn, en we niet weten wanneer de ene meme een kopie is van de andere meme dan kun je de hypothetische entiteit meme maar beter achterwege laten.

In plaats van een definitie van meme in geestrijke termen kunnen we dus beter kiezen voor een definitie in termen van observeerbaar gedrag of artefacten (door menselijk gedrag voortgebrachte voorwerpen). Derhalve mijn voorstel om meme na gebruik van het ontologisch mes aldus te definiëren:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.
Maar op deze half gesnoeide definitie van meme moet ook het linguïstische mes worden toegepast. Memen werden naar analogie met genen geïntroduceerd ten einde op het onderzoek naar en de beschrijving van cultuurverschijnselen evolutietheorie toe te kunnen passen. Maar als voor alle cultuurverschijnselen het traditionele jargon net zo goed voldoet, dan zou het woord 'meme' slechts verwarring scheppen, of, erger nog, ten onrechte scherpte en wetenschappelijkheid suggereren. Op grond van het linguïstische mes is het dan beter om 'meme' weg te snijden.
En inderdaad, voor verreweg de meeste cultuurverschijnselen voegt een verwoording in termen van een evolutionair proces van memen niets toe. Traditionele beschrijvingen van cultuur en gedrag met behulp van imitatie en genetisch voordeel voldoen uitstekend. Gekopieerd gedrag levert genetisch voordeel op. Altruïsme bij mensen, bijvoorbeeld, laat zich uitstekend beschrijven als een gevolg van zelfzuchtige genen in combinatie met imitatie. En gekopieerde artefacten maken het leven domweg een stuk gemakkelijker en aangenamer, zodat er meer energie overblijft (wasmachines) of zich meer mogelijkheden voordoen (auto’s) voor voortplanting.
Dus, al definiëren we meme op basis van gedrag en artefacten, dan is nog steeds de vraag of ze Ockhams linguïstische mes overleven. Hebben memen wel bestaansrecht? In On the Senselessness of Memes weeg ik een aantal mogelijkheden om dit bestaansrecht in te vullen. Uiteindelijk blijft er slechts één over: het gebruik van de term meme is slechts zinvol als memen parasieten zijn van organismen en hun genen. Anders gezegd, slechts als memen organismen weten te misbruiken voor hun voortbestaan, voortplanting, en verspreiding, zou het zinvol zijn om de term meme in te voeren. In dat geval, namelijk, schiet een verklaring in termen van genen of organismen altijd te kort, of laat aspecten onderbelicht die door het gebruik van de term meme wel zichtbaar worden.
Let wel, daarmee moet, om een verschijnsel zinvol met behulp van memen te beschrijven, aan zes voorwaarden zijn voldaan:
(1) Robuustheid. Memen moeten als entiteit voor langere tijd kunnen bestaan. In ieder geval lang genoeg om zich voort te planten. (Anders worden ze weggesneden door het ontologische mes.)
(2) Vruchtbaarheid. Memen moeten via een of ander proces kopieën van zichzelf in de wereld helpen. Deze kopieën en de kopieën van kopieën, enzovoort, zal ik aanduiden met “nakomelingen.”
(3) Subtiele variatie. Zo nu en dan moet een nakomeling iets afwijken van zijn voorouder. Dit afwijken mag niet zoveel zijn dat de nakomeling niet meer als kopie herkenbaar is.
(4) Selectie. Op memen moet een selectieproces plaatsvinden, waardoor sommige memen meer nakomelingen voortbrengen dan andere.
(De eisen 2 tot en met 4 zorgen voor een evolutionair proces.)
(5) Het succes van de meme mag niet te herleiden zijn tot voordeel voor het organisme, of de genen van het organisme. (Anders worden ze weggesneden door het linguïstische mes.)
(6) Om de term meme ingang te laten vinden moeten er memen zijn die het evolutionaire succes van organismen en hun genen verminderen. (De eis van parasitisme.)
Indien een meme aan deze zes eisen voldoet weten we zeker dat het als zelfstandige evolutionaire entiteit met zelfzuchtige belangen tegengesteld aan die van genen bestaat, en dus niet kan worden gereduceerd tot genen of tot het fenotype van genen. Zo betoog ik althans in On the Senselessness of Memes.
Bestaan er artefacten of gedragingen die aan deze zes eisen voldoen? Ik zal mij hier beperken tot artefacten. Dus, bestaan er artefacten die parasitair zijn op mensen?
Tot nu toe ben ik slechts één serieuze kandidaat voor een dergelijke parasitaire memetische status tegengekomen, de mobiele telefoon. Ik heb meerdere malen beschreven hoe mobieltjes ons leven verrijken en zich tegelijkertijd tot parasieten ontpoppen, en zal dat hier allemaal niet herhalen. Mijns inziens voldoet de mobiele telefoon aan de zes eisen:
(1) Het is een duidelijk object, met een behoorlijke levensduur.
(2) Mobieltjes zorgen voor kopieën van zichzelf. Dat doen ze door ons brein zodanig te bewerken dat wij hun voortplanting verzorgen. Deze situatie is niet ongewoon, ook niet in de biologische evolutie. (Richard Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype hoe de cannabis plant ons ook op die wijze gebruikt.)
(3) De nakomelingen van mobieltjes vertonen soms kleine variaties.
(4) Op de nieuwe typen mobieltjes vindt een sterke selectie plaats.
(5) Het gebruik van mobieltjes leidt niet tot verhoogde vruchtbaarheid bij mensen. (Eerlijk gezegd, weet ik dit niet helemaal zeker. Het zou zo kunnen zijn dat mensen met een mobieltje meer seksuele contacten hebben, en meer nakomelingen hebben dan mensen zonder mobieltje. Als dat zo is, dan is een mobieltje geen meme.)
(6) Het mobieltje vraagt veel van onze tijd, geld en energie, meer dan met het oog op ons eigen evolutionaire proces goed is. (Mits, zie 5.) Mensen besteden geld aan het mobieltje dat ze beter aan voedsel of nakomelingen zouden kunnen uitgeven.
En met het vervullen van deze zes eisen zou het mobieltje een heuse memeparasiet zijn geworden.
Of dat werkelijk zo is, zal de tijd leren. Mobieltjes staan in veel opzichten nog in de kinderschoenen. In de komende decennia zal het mobieltje daadwerkelijk fysiek ons lichaam binnendringen en pas dan zal het parasitaire karakter helemaal duidelijk kunnen worden.
Gisteren stuitte ik bij toeval op nog een kandidaat memeparasiet: de anticonceptie pil. Deze pil voldoet op zijn minst aan de eisen 1 tot en met 5. De vraag is echter of de pil het aantal nakomelingen van een vrouw nadelig beïnvloedt. Het zou zo kunnen zijn dat vrouwen die de pil gebruiken op de lange termijn (na een paar generaties) meer nakomelingen hebben, dan vrouwen die de pil niet gebruiken. Bijvoorbeeld doordat de nakomelingen die zij krijgen gezonder zijn, omdat de vrouwen meer energie kunnen investeren in ieder van hun nakomelingen. Mocht dat niet zo zijn, en mocht de pil het aantal nakomelingen daadwerkelijk negatief beïnvloeden, dan is de pil een memeparasiet. Wellicht zullen dan op de hele(!) lange termijn alle vrouwen een pilallergie hebben.

Nawoord
Wat levert een discussie rond memen op?
In ieder geval niet veel kandidaatmemen. Richard Dawkins heeft gelijk: “[de meme] is nog in het babystadium en drijft nog onhandig rond in zijn oersoep…”
Maar in On the Senselessness of Memes speelt op de achtergrond nog een andere filosofische discussie een rol, de discussie rond de term informatie. Hoe hard moet Ockhams snoeischaar worden gezet in informatie? Misverstanden rond de term meme zijn onlosmakelijk verbonden met misverstanden rond de term informatie. Memen worden vaak gezien als informatiepakketjes. Wikipedia spreekt van een "besmettelijk informatiepatroon". Deze informatiepakketjes vermenigvuldigen en verspreiden zich over breinen. Ik heb laten zien dat memen opgevat als dergelijke informatiepakketjes niet tot de haag van wetenschap behoren.
Maar de situatie rond de term informatie is nog ondoorzichtiger dan die rond meme. Is het bij meme ten minste nog mogelijk om eisen te formuleren waaraan het gebruik moet voldoen, de term informatie wordt te pas en te onpas gebruikt als het gaat om cognitieve aspecten van de menselijke geest. In de ergste gevallen worden onze hersenen een plek waarin informatie rond zingt, wordt er informatie tussen hersenengebieden heen en weer gezonden, of komt informatie voor hersengebieden beschikbaar. We weten in al deze gevallen niet precies wat er wordt bedoeld. Als we het woord ‘informatie’ hier zouden vervangen door het woord ‘memen’, dan zou de onzinnigheid onmiddellijk duidelijk zijn: de hersenen zijn een plek waar memen rond zingen, of er worden memen tussen gebieden heen en weer gezonden, of memen komen voor hersengebieden beschikbaar. Maar door over te schakelen op een nog veel vagere term, informatie, valt het pseudowetenschappelijke karakter van informatieverwerking nauwelijks meer op.
Mijn voorstel zou dan ook zijn om Ockhams ontologische en linguïstische mes eens stevig in de term informatie te zetten. Dat zou de filosofie, psychologie, cognitieve - en neurowetenschappen zeer ten goede komen.

zaterdag 6 maart 2010

De kunst van het chatten


Soms is het boek beter dan de film. Volgens sommigen is het boek zelfs altijd beter dan de film. Althans, als het een verfilming van een boek betreft. In het omgekeerde geval, een boek naar aanleiding van een film, valt het boek vaker tegen.
Is het erg dat sommigen het boek beter vinden dan de film? Volgens mij niet. Ik zou geen argumenten kunnen verzinnen op grond waarvan een film altijd boven het boek verkozen moet worden. Een goed voorbeeld, maar er zijn honderden andere voorbeelden, vind ik The Golden Compass van Philip Pullman. Het boek is prachtig. Ik beveel het groot en klein aan. De spanning in het boek is zowel expliciet als impliciet. Op de achtergrond spelen raadselen van natuurkundige, filosofische en theologische aard. De raadselen sijpelen door in de gebeurtenissen en de levens van de personages uit het boek. Pullman is een intelligent schrijver, en zijn boek opent een venster op de duistere rol van de kerk, parallelle universums en erfzonde. Schitterend.

De film viel ontzettend tegen. Toegegeven, de beelden waren mooi, mooier dan ik ze me bij het lezen van het boek had voorgesteld. Maar alhoewel ik al tijdens het lezen van het boek een hoofdrol zag weggelegd voor Nicole Kidman, en dus ook blij verrast was toen zij in de cast verscheen, kon de film wat mij betreft toch in geen enkel opzicht tippen aan de schoonheid van het barokke netwerk van thema’s en de onderhuidse spanningen van het boek.

Natuurlijk hoeft de film niet alle aspecten van het boek te weerspiegelen. Een film is een andere kunstvorm dan een boek. Er zijn prachtige films, er zijn prachtige boeken, en er zijn zelfs prachtige verfilmingen van boeken. Het staat iedereen vrij boeken te verkiezen boven films, of omgekeerd. Maar het snijdt geen hout om films een hogere status toe te kennen dan boeken, omdat ze echte beelden bevatten of omdat de acteurs niet slechts de tekst opzeggen, maar ook intonatie en lichaamstaal laten zien. Noch is het zinvol om boeken a priori hoger aan te slaan dan films, omdat ze ruimte laten voor de verbeelding of beter aansluiten bij genuanceerde gevoelens. Films en boeken bestaan vreedzaam naast elkaar, en in de beste geesten vullen ze elkaar aan.
Afgelopen dinsdag sprak ik in Philos, het filosofisch café van Groningen. Na afloop van de lezing kwam een vraag, of eerder een opmerking, die ik vaker krijg als blijkt dat ik een liefhebber ben van nieuwe media en techniek: “Vindt u niet dat in chat veel verloren gaat? Lichaamstaal bijvoorbeeld. Maar ook gezichtsuitdrukkingen, geuren, en nog veel meer. Die zijn toch allemaal afwezig in chat?! Dus is chat een verarming van de communicatie…”
Mijn antwoord luidt dan dat chat iets anders is dan een gesprek waarin twee mensen lijfelijk tegenover elkaar zitten. Naar analogie van de verhouding tussen boeken en films, is een chat soms zelfs te prefereren boven een lijfelijk gesprek. De vragenstellers zijn echter zo overtuigd van de armoede van chat, dat een dergelijk antwoord weinig indruk op ze zal maken. Ze zijn als filmdevoten die vinden dat een boek slechts tweedimensionaal is, en echte menselijke aspecten achterwege laat.

Het probleem is dat chatsceptici chats langs de meetlat van gesprekken leggen. Scherper geformuleerd, ze vragen zich af of chats alle aspecten van gesprekken weerspiegelen. Maar een chat is geen verzwakte versie van een gesprek. Een chat is een andere communicatievorm dan een gesprek. Tijdens een chat gebeuren andere dingen dan tijdens een gesprek. Daarom moeten mensen ook leren chatten. Zo vraagt het gebruik van emoticons behoorlijk wat oefening. Ook het ritme van een chat, de lengte van zinnen en de afwisseling van sprekers, is anders dan in een gesprek. Humor en ironie vragen in een chat om andere uitdrukkingswijzen. Kortom, de vaardigheden die men nodig heeft in een gesprek, zijn niet afdoende om te kunnen chatten. Chat is minder dan een gesprek (uiterlijk doet er niet toe, en de ander zal niet ruiken of je gewassen bent), maar chat is ook meer dan een gesprek. Om dezelfde redenen als waarom film geen verarming is van literatuur, verarmt chat de communicatie niet. Chat verrijkt de kunst van het communiceren.
Flexibele geesten genieten van boeken en films, en beheersen vele vormen van communicatie. Want het kan echt: verliefd worden op een persoon waarmee je chat, om vervolgens te ontdekken dat er in werkelijkheid geen normaal gesprek mee te voeren is.


Het gouden kompas

zaterdag 6 februari 2010

Akrasia en wilszwakte


De menselijke wil is een bron voor veel filosofisch vertier. De wil komt in twee smaken. Ten eerste is er de vrije wil. Daarover heb ik al eens eerder uitgebreid geschreven (Vrije Wil Binnenstebuiten). De vrije wil is geen ding, zo betoogde ik, geen neurologisch verschijnsel, geen vermogen van de ziel. De vrije wil ontstaat als talige organismen, zoals mensen, gesteund door structuren in de buitenwereld impulsieve besluiten kunnen onderdrukken, en meer afwogen hun handelingen kiezen. Met andere woorden, de vrije wil zit niet in het hoofd van mensen, maar is een eigenschap van menselijke organismen in een omgeving.
Ten tweede is er ook nog de gewone, alledaagse wil. De wil zoals in “Els wil een appel” of “Greet wil stoppen met roken.” Nu denk ik dat de termen wil en vrije wil over het algemeen weinig met elkaar hebben te maken. Hoogstens is het zo dat als een persoon iets uit vrije wil doet, deze persoon dat ook wil doen. Maar zelfs hier kan ik mij voorstellen dat het een niet in alle situaties uit het ander volgt. Wat de termen wil en vrije wil in ieder geval wel gemeenschappelijk hebben is dat ze slaan op het gedrag van mensen in relatie tot een omgeving, en niet op de geest, ziel of hersenen van handelende mensen. Met andere woorden, de wil zit niet tussen de oren. In hersenen zullen we geen wil of een module voor wilsbesluiten aantreffen.
De truc die filosofen wel eens uithalen, en die ik hierboven ook heb uitgehaald, is om het werkwoord willen te koppelen aan het zelfstandig naamwoord wil. Daarna gaan we dan boeken volschrijven over onze zoektocht naar die wil. Terwijl er in eerste instantie helemaal geen probleem was. Als we van iemand zeggen dat zij of hij iets wil, dan bedoelen we niet meer dan dat het gedrag van deze persoon het best omschreven kan worden met behulp van de term willen. Als we van Saskia zeggen dat ze geen vlees op brood wil, dan betekent dat bijvoorbeeld dat ze de vleeswaren die op tafel staan niet aanraakt, of dat ze, als er slechts vleeswaren zijn, niets op brood neemt. Zoiets. Het betekent niet dat dit gedrag van Saskia voortkomt uit een wil of wilsmodule, waarmee haar besluit om geen vlees te eten wordt genomen.
Of, als we zeggen dat Els een appel wil, dan vatten we daarmee een aantal waargenomen gedragingen van Els samen, en geven we heel losjes een voorspelling van het gedrag van Els. Zo kan Els hebben rondgekeken op de plek waar doorgaans appels liggen, ze kan hebben gezegd “Ik heb zin in een appel”, of ze kan een pak appelsap uit de koelkast hebben gepakt en bijna onmiddellijk hoofdschuddend hebben teruggezet. Daarnaast verwachten we dat ze op onze vraag “Heb je zin in deze appel?” enthousiast zal reageren met “Ja, lekker!” Zolang we met de term willen het gedrag van Els in kaart brengen, is er niets aan de hand. De problemen ontstaan wanneer we ons met een filosofische blik gaan afvragen waar zich in Els die wil bevindt. Die vraag is onoplosbaar, en zal onoplosbaar blijven.
Akrasia, of wilszwakte, betekent dat iemand willens en wetens iets anders doet dan wat hijzelf het beste vindt. We nemen kettingrookster Greet als voorbeeld. Greet roept namelijk al jaren dat ze met roken wil stoppen. Een paar keer in de afgelopen jaren heeft ze inderdaad enkele weken niet gerookt. Maar dit stoppen duurde nooit lang. Inmiddels rookt Greet weer drie pakjes per dag, al roept ze nog steeds dat ze echt wil stoppen. Is er bij Greet sprake van akrasia? Weet Greet dat roken slecht is, en is de wil om te stoppen te zwak om de verslaving de baas te kunnen? Om dit voorbeeld nog wat dramatischer te maken, laten we Greet roepen:
“Oh, ik wil zo graag stoppen met roken!”
“Ik raad iedereen aan om nooit te beginnen met roken. Ik zou willen dat ik zelf nooit met roken was begonnen.”
“Wat haat ik mijzelf als ik rook.”


Wil deze dramatische Greet stoppen met roken? Nee, niet als de term willen het gedrag van Greet beschrijft. De uitspraak “Eigenlijk wil Greet stoppen met roken” heeft geen voorspellende waarde, hoe losjes ook. Als je Greet een sigaret aanbiedt, neemt ze deze zonder twijfel aan. Ze zal je zelfs vragen om een vuurtje. Uit het gedrag van Greet blijkt dus op geen enkele wijze een drang om te stoppen met roken. Integendeel, als we sec naar het gedrag van Greet kijken, heeft ze juist een sterke drang tot roken. Na het eten, in een restaurant, zal Greet voordat het dessert op tafel komt, naar buiten glippen om een sigaret op te steken. Greet wil roken.
Maar wat betekent het dan als Greet zegt dat ze wil stoppen? Dat kan op drie manieren worden uitgelegd. (1) Het kan zo zijn dat Greet gewoon liegt. Ze zegt dat ze wil stoppen, terwijl ze, zoals uit haar gedrag blijkt, helemaal niet wil stoppen. (2) Greet kan een nogal groot gebrek aan zelfkennis hebben. Ze zegt dat ze wil stoppen, maar ze heeft niet door dat ze dat helemaal niet wil. (3) Greet liegt niet, en heeft geen gebrek aan zelfkennis, maar wil gewoon graag zeggen dat ze wil stoppen met roken. Mensen reageren namelijk erg positief als Greet dat zegt. In dit laatste geval wil Greet roken en daarnaast wil ze zeggen dat ze wil stoppen met roken.
Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste mogelijkheid, al heeft de verklaring van een domme Greet (2) ook wel wat, en is zelfs Greet als leugenaar (1) niet zomaar uit te sluiten. Ik kies 3 omdat de uitspraken dat Greet wil roken én dat ze wil zeggen dat ze wil stoppen met roken, een voortreffelijke voorspellende waarde hebben. Je hoeft geen helderziende te zijn om op basis van 3 af te leiden dat Greet op het volgende verjaardagsfeest samen met de andere rokers in de tuin zal staan te paffen, om daarna onder het naar binnenlopen tegen de gastheer te zeggen: “Binnenkort ga ik echt stoppen”. Dit gedrag volgt keurig uit 3.
Bestaat akrasia? Speelt het bij Greet een rol? Nee, want Greet doet precies wat ze wil, roken en zeggen dat ze wil stoppen met roken. Ik denk dat alle gevallen van akrasia op deze manier geherformuleerd kunnen worden. Van akrasia is slechts sprake als we er vanuit gaan dat de wil een faculteit van de geest of een module in het brein is. Maar als we daar vanuit gaan verzinken we spoorslags in een nog veel groter en dieper moeras van filosofische gedachtespinsels. Het is beter te zwijgen over dat wat we praktisch gezien toch niet nodig hebben.

vrijdag 15 januari 2010

Joshua Bell bespeelt ons brein

Het volgende verhaal bereikte mij via de mail:

Perceptie, iets om over na te denken...

Washington, DC, het metrostation op een koude januari ochtend in 2007. De man met viool speelde zes stukken van Bach gedurende ongeveer drie kwartier. Tweeduizend mensen passeerden het station, de meesten op weg naar hun werk. Na drie minuten viel het een man van middelbare leeftijd op dat er een muzikant aan het spelen was. Hij begon wat langzamer te lopen, stopte een paar seconden om zich daarna naar zijn afspraak te snellen.
4 minuten later:
De violist ontving zijn eerste dollar. Een vrouw wierp het geld in de hoed, en liep, zonder te stoppen, door.
6 minuten:
Een jongeman leunde tegen een muur om naar hem te luisteren, daarna keek hij op zijn horloge en liep door.
10 minuten:
Een jongetje van drie stopte, maar zijn moeder trok hem gehaast met zich mee. Het kind stopte om nog eens naar de violist te kijken, maar zijn moeder duwde hem stevig voort en het kind liep, telkens omkijkend, door. Dit tafereel herhaalde zich enkele malen met andere kinderen. Zonder uitzondering dwongen alle ouders hun kind snel door te lopen.
45 minuten:
De muzikant speelde voortdurend. Slechts zes mensen stopten en luisterden gedurende een korte tijd. Ongeveer twintig mensen gaven geld, maar liepen ondertussen op gewone snelheid door. De man verzamelde in totaal 32 dollar.
1 uur:
Hij was klaar met spelen. Het werd weer stil. Niemand merkte het op. Geen applaus, geen erkenning.
Niemand wist het, maar de violist was Joshua Bell, een van de grootste musici ter wereld. Hij speelde een van de meest complexe stukken ooit gecomponeerd, op een viool van 3,5 miljoen dollar. Twee dagen tevoren speelde Joshua Bell voor een uitverkocht theater in Boston waar een stoel gemiddeld 100 dollar kost.
Dit is een waar gebeurd verhaal. Joshua Bell incognito aan het spelen in een metrostation was georganiseerd door de Washington Post als onderdeel van een sociaal experiment over perceptie, smaak en de prioriteiten van mensen. De vraag waar het om draaide: herkennen we schoonheid in een alledaagse omgeving, op een ongebruikelijk tijdstip? Stoppen we om het te kunnen waarderen? Herkennen we talent in een onverwachte context?
Een mogelijke conclusie die we uit dit experiment zouden kunnen trekken is de volgende: als we ons niet de tijd gunnen om te stoppen en te luisteren naar een van de beste musici in de wereld, die de prachtigste muziek speelt ooit gecomponeerd, met een van de mooiste instrumenten ooit gebouwd… Hoeveel valt ons dan nog meer niet op?
Het bovenstaande verhaal is aangedikt. Er kwamen bijvoorbeeld slechts duizend mensen voorbij, en er bleven wel degelijk mensen staan om te kijken. Een vrouw herkende hem. “Ik zag u in de Library of Congress…” De volgende video geeft een betere indruk van wat er gebeurde (en de verdere details staan in de Washington Post):



Zelfs als we het verhaal voor waar aannemen, dan nog is de gevolgtrekking hierboven (
Hoeveel valt ons dan nog meer niet op?) te gemakkelijk. Merkten de voorbijgangers echt niet op dat hier prachtige muziek werd gespeeld? Stel, we hadden ze bij aankomst op hun werk als collega gevraagd: “Heb jij ook die virtuoze violist gezien?” Wat zouden ze dan hebben geantwoord?
Onze hersenen hebben geen hoogste instantie die de beslissing neemt om te blijven staan en te luisteren. Het idee van een ultieme opmerker, een finale beslisser, de wil, is een waanidee. In onze hersenen zijn allerlei verschillende gebieden naast elkaar actief. Het ene gebied meer dan het andere. Sommige gebieden versterken elkaar. Andere gebieden onderdrukken elkaar. Wat we doen, hoe we handelen, hangt af van welk gebied de overhand krijgt. Dat kan doordat de activiteit in dit gebied het sterkst is, of doordat de activiteit in andere gebieden is verzwakt. William James heeft dit proces mooi beschreven als het gaat om het opstaan uit een warm bed in een koude kamer:
A fortunate laps of consciousness occurs; we forget both the warmth and the cold; we fall into some revery connected with the day’s life, in the course of which the idea flashes across us, “Hollo, I must lie here no longer” – an idea which at that lucky instant awakens no contradictory or paralyzing suggestions; and consequently produces immediately its appropriate motor effects.
William James, 1890, Principles of Psychology, geciteerd en verder uitgelegd door Kolk (zie onderaan).
Een idee dat actief wordt staat bij James gelijk aan de motorische actie die bij dat idee hoort. “Dit zeer centrale principe in de psychologie van de wil noemt James het principe van ideomotor action.” (Kolk, p. 141). Naast een ideomotorisch idee dat de overhand krijgt is er dan niet nog een aanvullend wilsbesluit nodig.

Hoe werkt het nu bij de passanten van Joshua Bell? In hun geest hadden de ideeën die samenhangen met het spitsuur het voor het zeggen. Ze snelden naar hun trein of naar hun werkplek. Natuurlijk hoorden ze de muziek. Natuurlijk herkenden velen de virtuositeit. Maar deze ideeën kregen niet de overhand. Daarom stopten ze niet om te luisteren. Het haastig doorlopen was net iets sterker dan het warme Bach-bad. Ze hoorden prachtige muziek, herkenden het soms zelfs als Bach, maar stonden er niet bij stil.
Behalve dan die ene vrouw. In tegenstelling tot alle andere passanten had zij Joshua Bell zien optreden. Bij haar was de activiteit van ideomotorische complexen net iets anders dan bij de overige passanten. Want “het optreden was fantastisch”, en nog steeds waren de bij het concert behorende ideeën in haar geest actief. Bij haar kwam Bell net zo binnen als bij alle andere passanten. Maar de aanblik van Bell raakte verbonden met de herinneringen aan het concert, en die dubbele activiteit was sterk genoeg om concurrerende ideeën, zoals werktijden en haast, op de achtergrond te drukken. Dus bleef ze staan om te luisteren, en haar bewondering uit te spreken.
Haar bewustzijn verschilt sterk van de andere passanten, maar haar hersenen nauwelijks (als ik aanneem dat ook zij gehaast op weg is naar haar werk). In haar hersenen zijn dezelfde ideeën actief als in de hersenen van alle andere forenzen. Maar zij stopt en kijkt naar Bell, omdat haar Bell/Bach-gebieden een lichte voorsprong hadden. Wel of niet stoppen is geen kwestie van een wilsbesluit, maar van een relatie tussen de buitenwereld en toevalligheden in het brein. Nu staat zij te kijken, de klanken van Bach onderdrukken de ideomotoriek van haar forenszijn. Als Joshua Bell stopt met spelen, zal zij gewoon haar weg vervolgen.
Ja, we herkennen schoonheid altijd. Ja, vaak we wenden ons hoofd, al is het slechts licht. Maar nee, we stoppen niet altijd. Waarom zouden we? Een vrijgezelle vrouw op zoek naar een muzikale man zou stoppen. Een vioolbouwer zou stoppen. Een organisator van klassieke muziekfestivals zou stoppen. Een componist zou stoppen. Of we stoppen hangt af van de rekruten die Bach en Bell in ons hoofd aantreffen. We herkennen schoonheid altijd, alleen soms trekt de rest van de wereld harder.