Posts tonen met het label betekenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label betekenis. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2012

De pijn van prikkeldraad


Voor de Business Lounge van het Groninger Museum ontwierp Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) een tafelkleed met motieven die ondubbelzinnig verwijzen naar concentratiekampen. Op het damasten kleed prijken spoorrails, barakken, wachttorens, rollen prikkeldraad en een stapel brilletjes. Het ontwerp heeft de Business Lounge nooit gehaald, maar het is aan de vergetelheid onttrokken door televisieprogramma’s, kranten en websites. De commotie rond de verwijzingen naar concentratiekampen is nog verder aangewakkerd door het ontwerp voor een hek rond de villa van een verzamelaar in Bentveld. Ook in dit hek zijn prototypische kampelementen verwerkt. Boven de toegangspoort opgetrokken uit de rokende schoorstenen van verbrandingsovens prijkt een verwijzing naar concentratiekamp Buchenwald: “Jedem das Seine.”
In, vaak bewogen, beschouwingen vragen critici zich af wat Job in ’s hemelsnaam voor ogen kan hebben gehad met deze ontwerpen, of de motieven van Job wel zuiver zijn, of Job zich wel als designstudio mag profileren, en of een dergelijk ontwerp wel geschikt is voor een openbare ruimte zoals een museum of een villawijk.


De commentaren van de critici bevatten een opvallende grootste gemene deler: de fout wordt uitsluitend gezocht bij Studio Job. Volgens de één zou Job zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de gevoeligheden die het thema omringen. Volgens een ander was Job slechts uit op gemakkelijk effectbejag. Een derde betreurt de oppervlakkigheid van de ontwerpen. Weer een ander vindt dat Job zich beter onder kunstenaars dan onder designers zou kunnen scharen, waarbij het nog maar de vraag is of het goede kunstenaars zouden zijn. Een laatste vindt dat er nauwelijks is nagedacht over de impact van dergelijke ontwerpen op argeloze voorbijgangers. De teneur moge duidelijk zijn. Impliciet wordt geconcludeerd dat de fout in ieder geval niet ligt bij het publiek of de critici.
Maar de betekenis van ontwerpen en kunstwerken kan niet zomaar worden herleid tot de designers of de werken zelf. Dat is precies wat Marcel Duchamp ons leerde toen hij in 1917 een urinoir, gesigneerd “R. Mutt,” inzond voor een tentoonstelling in New York. De organisatie vatte het op als een belediging en weigerde het werk. Maar, bijna een eeuw later, werd hetzelfde werk van dezelfde kunstenaar door vijfhonderd kunstkenners verkozen tot het meest invloedrijke kunstwerk uit de 20ste eeuw. Was de kunstenaar of het werk in de tussenliggende periode veranderd? Nee, wat was veranderd, was de relatie met publiek en critici. Achteraf gezien werd de betekenis van Duchamp’s urinoir in eerste instantie bepaald door de armoede van het publiek, en niet door de afstotelijkheid van een pisbak, de onheuse intenties van Duchamp, of de vraag of een urinoir wel in een openbare ruimte mag hangen. Op de langere termijn verrijkte Duchamp’s werk het publiek en daarmee de plaats van kunst in onze samenleving.
Designstudio’s, zoals Studio Job, bestaan bij de gratie van de esthetische en hedonistische levensinstelling van hun publiek. Een goed glas wijn, naast een notebook van Steve Jobs, zijn iPhone, trendy merkkleding, een passende auto en een design interieur zijn eigentijdse voorwaarden voor een goed leven. Zelfs in de meest barre omstandigheden klinkt de verzuchting: “Ik ga er in ieder geval van proberen te genieten.” Als deze argumenten van lifestyling al worden overtroffen dan slechts door argumenten van economie of efficiency. Uiteindelijk mag alles wijken voor de waarde van aandelen of de euro. De wreedheden als gevolg van bezuinigen en de daarvoor benodigde politieke compromissen verdampen in het licht van dit hogere doel. Zo gijzelen verrijkende groei en schone genotzucht onze ethiek.
Een dergelijk publiek, dat zich dus doorgaans de koning te rijk weet met de ontwerpen van Studio Job, is uiteraard geschokt door de aanblik van een gestileerd concentratiekamp. Maar die schok is niet het gevolg van de verwijzing naar de wreedste periode uit de recente historie. Wat vooral pijn doet is de confrontatie met onze eigen voorliefde voor design die tevens een vlucht voor ethische vragen inhoudt. Daarom kan ook alleen een designstudio, waarvan we uitsluitend schoonheid verwachten, deze werken maken.


Studio Job heeft een laatste stap gezet naar de plek waar zij noodzakelijkerwijs toch wel zouden zijn uitgekomen. Hun werkwijze heeft altijd al bestaan uit het grotesk uitvergroten van prototypische kenmerken. Als een postmodern museum dus vraagt om een tafelkleed voor de business lounge, een ruimte die slechts voor de happy rich few toegankelijk is, waarom dan niet een groteske verwijzing naar een fantastische maaltijd onder het genot van klassieke muziek terwijl op de achtergrond mensen sterven? Waarom mag een hek rond een landgoed in een zeer welgestelde buurt, dan niet veranderen in het ultieme symbool van de vernietiging van niet ons soort mensen?
Job laat slechts zien dat design, net als kunst, een spiegel kan zijn.

zondag 25 april 2010

Over de zinloosheid van memen

(en hoe ze toch een rol kunnen spelen als replicatoren)
door: Ronald Hünneman


In 1976 introduceerde Richard Dawkins het begrip meme in zijn boek De Zelfzuchtige Genen. Een meme is de culturele tegenhanger van wat een gen is in de biologie. Memen zijn eenheden van culturele overdracht, net zoals genen eenheden zijn van biologische overdracht: beide vormen van overdracht kunnen een vorm van evolutie teweeg brengen.
De verwachtingen rond dit nieuwe concept waren hooggespannen. Vele boeken, essays, wetenschappelijke artikelen, tijdschriften, internet forums, symposia en documentaires waren gewijd aan memetica, de wetenschap van memen. Echter, de aandacht voor memen verdween net zo snel als dat ze was opgekomen. In dit essay (mijn masterthese) onderzoek ik waarom memen nooit een harde wetenschappelijke status verkregen, ondanks de grote hoeveelheid energie die aan memetica is besteed. Vandaag de dag zijn er geen echte meme-onderzoekers meer, zeker niet binnen het veld waarin memen werden geïntroduceerd, wetenschappelijke evolutiebiologie.
Dawkins wilde een replicator introduceren die kon concurreren met genen. Volgens zijn eigen criteria moet het dan mogelijk zijn om vast te stellen of het ene meme een kopie is van het andere meme. Echter, vrij snel na hun introductie werden memen voornamelijk opgevat als geestelijke eenheden. Als gevolg hiervan werd het onmogelijk om een eenduidige beschrijving van memen te geven, en werd het dus ook onmogelijk om een eenduidige notie van een kopie van een meme te geven. Bovendien, als memen worden gedefinieerd in termen van ideeën, gedachten en dergelijke, dan wordt Quine’s these van de onbepaaldheid van vertaling van toepassing: twee wetenschappers kunnen allebei een adequate verklaring geven van een cultureel verschijnsel, terwijl hun beschrijvingen van de betrokken memen onverzoenbaar uit elkaar lopen. In dat geval zou een memetische analyse gebaseerd zijn op een vertaalhandleiding en zou dus goed beschouwd geen onderdeel zijn van een natuurwetenschap zoals evolutiebiologie.
Waarschijnlijk werd de definitie van een meme in geestelijke termen geïnspireerd door de fascinatie met software en computervirussen uit de jaren 1980. Memen werden vergeleken met softwaremodules. Zonder deze preoccupatie zouden Dawkins en anderen wellicht hebben gekozen voor een meer Quineaanse definitie van memen in termen van gedrag en/of artefacten:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.

Als Dawkins tevreden was geweest met een definitie zoals deze, dan zou hij een analysemethode hebben kunnen toepassen die hij herhaaldelijk gebruikt in The Extended Phenotype (1982). Hij zou memen hebben kunnen beschrijven als (gedeelten van) parasieten die wedijveren met genen en hun overlevingsmachines, organismen. Waarschijnlijk zou dit de enige weg zijn geweest waarlangs memen een wetenschappelijke ontologische status zouden hebben kunnen krijgen. Want, zolang memen niet in staat zijn om genen te beïnvloeden of misbruiken, kunnen ze terzijde worden geschoven als niets meer dan gedachtespinsels, met ten hoogste een literaire status.



The Selfish Gene

The Extended Phenotype

woensdag 10 februari 2010

Helen de Hoop

Sinds gisteravond ben ik fan van professor Helen de Hoop, theoretisch taalkundige aan de universiteit van Nijmegen. Haar optreden in De Wereld Draait Door was weergaloos. Ze zuchtte en kreunde om de domheid van minister Plasterk.


De aanleiding was een column van de minister in NRC•Next, met als titel: Mooi of lelijk maakt niet uit, als taal maar correct is; Minder verandering van de taal is juist beter.
Ik ben geen taalkundige zoals De Hoop. Ik ben hoogstens taalfilosoof. Maar ik kreeg net als De Hoop al kromme tenen bij het lezen van de frase “als taal maar correct is.” Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw weten we namelijk dat er geen criterium is te geven voor correcte taal. Althans, niet in het geval van een natuurlijke taal, zoals Nederlands, Engels of Spaans. In formeel logische of programmeertalen spelen criteria voor grammaticale correctheid wel een zeer belangrijke rol. Maar voor natuurlijke talen bestaan dergelijke criteria niet. Filosofen hanteren daarom voor natuurlijke talen veel lossere criteria zoals:

Zolang de communicatie gladjes verloopt is het taalgebruik in orde
(W.V.O. Quine)
of
Zolang interpretaties mogelijk zijn die tot niet al te veel onzin leiden is het taalgebruik in orde
(D. Davidson).

Taal is een werktuig waarmee wij leven en communicatie vormgeven. Taal is daarom eerder te vergelijken met een hamer of een schroevendraaier, dan met logica of programmeertalen. Stelt u zich, met taal als tool in uw achterhoofd, eens voor dat er een groep mensen is die een nieuwe schroevendraaier ontwikkelt. Die schroevendraaier kan schroeven losdraaien die normaliter slechts kunnen worden uitgeboord. De schroevendraaier wint snel aan populariteit. Mensen gooien hun oude schroevendraaiers weg, en stappen over op het nieuwe model.


Maar dan komt er een minister, met een tamelijk groot ego, prime time op tv en deze minister stelt:
Ho ho, let even op het gezag. De Nederlandse tools worden beheerd door de Nederlandse Toolunie, waarvan ondergetekende voorzitter is. Die Unie bepaalt wat correcte Nederlandse schroevendraaiers zijn. En dit is geen correcte schroevendraaier.
Als zo’n minister naast je zit, kun je toch slechts zuchten en kreunen? Wat een flapdrol. Waar haalt hij de hoogmoed vandaan?! We kunnen afspraken maken over de kleuraanduidingen die we op schroevendraaiers zetten, zodat werktuigen snel worden herkend. Natuurlijk. Daar mag de minister ook best het laatste woord in hebben. Maar de minister kan toch niet bepalen wat goede werktuigen zijn, en wat niet? Zoiets blijkt uit de praktijk, en daarover vallen nu eenmaal geen afspraken te maken.
Helen de Hoop trachtte het minister Plasterk duidelijk te maken. Maar het drong niet tot hem door. Terwijl de boodschap toch zelfs voor een bèta alfamannetje te begrijpen moet zijn. Over spelling kunnen we afspraken maken, over taalgebruik niet. Spelling kan goed of fout zijn. Taalgebruik niet. Als een nieuwe taalconstructie werkt, als de communicatie gladjes verloopt, dan kan zelfs een minister niet zeggen dat het fout is. De Nederlandse Taalunie bepaalt hoe we moeten spellen, niet hoe we met taal mogen spelen. Maar Plasterk schrijft:
Gisteren schreef de neerlandicus Julius Althuisius in nrc•next: “Er is geen gezag in de taal. Taal ontwikkelt zich.” Dat tweede is wel waar, het eerste niet. Er is wél gezag. De Nederlandse Taal wordt beheerd door de Nederlandse Taalunie, waarvan ondergetekende voorzitter is. Die Unie bepaalt wat correct Nederlands is.
Nee, minister Plasterk, u mag bepalen wat correct gespeld is en wat niet, maar u kunt onmogelijk bepalen wat correct Nederlands is. Een slordige 21 miljoen mensen spreekt Nederlands. Voor deze mensen is taal het aller voornaamste dagelijkse werktuig. Deze mensen bepalen dus welke taalconstructies werken, en niet hun van de Taalunie.


De Hoop viel Plasterk voortdurend hoofdschuddend in de rede. Ze werd wanhopig van alle onzin die de minister uitkraamde. Maar het mocht niet baten. De minister snapte niets van de nieuwe schroevendraaier. En wat de Hoogste Minister niet begrijpt, mag door het volk niet worden gebruikt. Precies zoals in dictatoriaal China.

dinsdag 5 januari 2010

Monteurs, ingenieurs & filosofen

Het verdient aanbeveling om nog eens goed na te denken over de slagzin van het laboratorium van Heike Kamerlingh Onnes: Door meten tot weten. Want let op, de slagzin was uitdrukkelijk niet: Meten = Weten. Tussen meten en weten bevinden zich namelijk wetenschappelijke concepten, wiskundige noties, rekenkundige principes en onuitgesproken vooronderstellingen. Doorbraken op het gebied van perceptie, dieper inzicht in cognitie en onderzoek naar bewustzijn zijn op dit moment meer afhankelijk van conceptuele vernieuwingen dan van verdergaande metingen. Het wachten is dus op de komst van creatieve neurofilosofen, aldus bijvoorbeeld Michael Gazzaniga. Tot die tijd hopen we dat onderzoekers met hun scanners steeds meer onverklaarbare feiten aandragen, zodat de verwarring toeneemt en in brede neurowetenschappelijke kring het besef postvat dat scannen nog geen weten is.

Bovenstaande is de conclusie van een essay dat te lang is om in een blog te plaatsen. Klik hier voor het hele essay (op SCRIBD).

zondag 5 juli 2009

Zomerpuzzel: Betekenis en Waarheid

Stel.
Er is een persoon, Lucky B. genaamd. Op Lucky B. zijn de volgende uitspraken van toepassing:
(1) Alle voorspellingen van Lucky B. met betrekking tot het tossen van muntjes komen uit. Dus als Lucky B. zegt: “Het wordt munt”, dan wordt het munt. En als Lucky B. zegt “Het wordt kop”, dan wordt het kop.
(2) Lucky B. zegt vaak: “Soms haal ik kop en munt door elkaar.”
(3) Soms haalt Lucky B. kop en munt door elkaar. (Als hem vlak voor een toss wordt gevraagd: “Is dit kop of munt?”, dan geeft hij wel eens een verkeerd antwoord. Zijn voorspelling komt echter altijd uit, zegt hij “Kop” dan wordt het kop, zegt hij “Munt” dan wordt het munt.)
Op een goede dag krijgt Lucky B. een muntje onder ogen dat gaat worden opgegooid. Hij krijgt de kopzijde van de munt te zien en zegt desgevraagd dat het munt is. Dit antwoord is fout (sic!). Maar de voorspelling die hij daarop doet, “Het wordt munt”, komt uiteraard uit: Het wordt munt.
Wat betekent de uitspraak, “Het wordt munt” van Lucky B. in dit laatste geval?

Vertaalhandleiding A
Lucky B. noemde de kopzijde “munt”, dus “Het wordt munt” betekent dat het kop wordt. Zijn voorspelling komt dus niet uit. Lucky B. is gewoon een extreme bofkont, door een rare talige verwarring komen zelfs zijn onware voorspellingen uit. (Stel dat een tweede persoon, Lucky A., dit weet, en nadat Lucky B. een voorspelling heeft gedaan, deze herhaalt. Wat betekenen de uitspraken van Lucky A. dan? Hetzelfde als de uitspraken van Lucky B.?)

Vertaalhandleiding B
Lucky B. haalt soms de woorden “kop” en “munt” door elkaar (kop-munt-afasie), vooral als hij een zijde van een munt moet identificeren. Dat strookt ook met (2). Echter bij het voorspellen van de uitkomst van een toss, weet hij altijd wat kop is en wat munt is. “Het wordt munt” betekent dus dat het munt wordt. (Deze vertaalhandleiding maximaliseert de waarheid van de uitspraken van Lucky B. = Principle of Charity)

Vertaalhandleiding C
De uitspraak “Het wordt munt” betekent niets. Lucky B. is gewoon een soort machine die correcte voorspellingen doet, zonder de betekenis van de woorden te kennen. (Zo kan ook een theorie ware voorspellingen opleveren, zonder dat het duidelijk is wat de termen van die theorie betekenen.)

Vertaalhandleiding D
De uitspraak “Het wordt munt” verwijst niet naar de uitkomst van de toss, maar naar het gedrag van de mensen die naar de toss kijken. Lucky B. weet niet precies wat kop of munt is, zo blijkt uit zijn gedrag. Maar hij weet feilloos hoe de toeschouwers op de uitkomst van een toss reageren.

Welke van deze vertaalhandleidingen is correct? Wat voor empirisch materiaal zouden we nodig hebben om A, B, C en D te onderscheiden? Zijn er nog andere vertaalhandleidingen mogelijk (oneindig veel misschien)?
Gaarne uw reactie!