Posts tonen met het label mobieltjes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mobieltjes. Alle posts tonen

donderdag 13 mei 2010

Informatie over memen

Als een verschijnsel kan worden verklaard zonder een of andere hypothetische entiteit aan te nemen, dan is er geen enkele reden om deze entiteit aan te nemen. Zo luidt ongeveer Ockhams scheermes (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem) in de interpretatie van Bertrand Russell. Ik vind dat een mooi kentheoretisch principe. Beperk het aantal entiteiten dat je veronderstelt zoveel mogelijk. De talige variant van Ockhams scheermes luidt, wat mij betreft: voer (binnen de wetenschap) slechts nieuwe woorden in als je daarmee zaken kunt uitdrukken die anders niet (of slechts op zeer barokke wijze) onder woorden kunnen worden gebracht.
Er is dus enerzijds een ontologisch mes dat nutteloze entiteiten wegsnijdt. En, er is anderzijds een linguïstisch mes, dat het ongefundeerd babbelen tot een minimum beperkt. Tezamen vormen deze messen de snoeischaar die voorkomt dat de haag van wetenschap verwordt tot de wildgroei van pseudowetenschap.
In On the Senselessness of Memes betoog ik dat memen, indien ze worden opgevat als entiteiten die van de ene geest naar de andere worden gekopieerd, eenvoudig met het ontologisch mes kunnen worden weggesneden. De voornaamste reden daarvoor is, grofweg, dat het volstrekt onduidelijk is wat we bedoelen met een entiteit in de geest. Daarnaast hebben we geen criterium om vast te stellen of een meme (of een idee, of gedachte, of wereldbeeld) in de ene geest een kopie is van een meme in een andere geest. Als we niet weten wat memen in de geest precies zijn, en we niet weten wanneer de ene meme een kopie is van de andere meme dan kun je de hypothetische entiteit meme maar beter achterwege laten.

In plaats van een definitie van meme in geestrijke termen kunnen we dus beter kiezen voor een definitie in termen van observeerbaar gedrag of artefacten (door menselijk gedrag voortgebrachte voorwerpen). Derhalve mijn voorstel om meme na gebruik van het ontologisch mes aldus te definiëren:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.
Maar op deze half gesnoeide definitie van meme moet ook het linguïstische mes worden toegepast. Memen werden naar analogie met genen geïntroduceerd ten einde op het onderzoek naar en de beschrijving van cultuurverschijnselen evolutietheorie toe te kunnen passen. Maar als voor alle cultuurverschijnselen het traditionele jargon net zo goed voldoet, dan zou het woord 'meme' slechts verwarring scheppen, of, erger nog, ten onrechte scherpte en wetenschappelijkheid suggereren. Op grond van het linguïstische mes is het dan beter om 'meme' weg te snijden.
En inderdaad, voor verreweg de meeste cultuurverschijnselen voegt een verwoording in termen van een evolutionair proces van memen niets toe. Traditionele beschrijvingen van cultuur en gedrag met behulp van imitatie en genetisch voordeel voldoen uitstekend. Gekopieerd gedrag levert genetisch voordeel op. Altruïsme bij mensen, bijvoorbeeld, laat zich uitstekend beschrijven als een gevolg van zelfzuchtige genen in combinatie met imitatie. En gekopieerde artefacten maken het leven domweg een stuk gemakkelijker en aangenamer, zodat er meer energie overblijft (wasmachines) of zich meer mogelijkheden voordoen (auto’s) voor voortplanting.
Dus, al definiëren we meme op basis van gedrag en artefacten, dan is nog steeds de vraag of ze Ockhams linguïstische mes overleven. Hebben memen wel bestaansrecht? In On the Senselessness of Memes weeg ik een aantal mogelijkheden om dit bestaansrecht in te vullen. Uiteindelijk blijft er slechts één over: het gebruik van de term meme is slechts zinvol als memen parasieten zijn van organismen en hun genen. Anders gezegd, slechts als memen organismen weten te misbruiken voor hun voortbestaan, voortplanting, en verspreiding, zou het zinvol zijn om de term meme in te voeren. In dat geval, namelijk, schiet een verklaring in termen van genen of organismen altijd te kort, of laat aspecten onderbelicht die door het gebruik van de term meme wel zichtbaar worden.
Let wel, daarmee moet, om een verschijnsel zinvol met behulp van memen te beschrijven, aan zes voorwaarden zijn voldaan:
(1) Robuustheid. Memen moeten als entiteit voor langere tijd kunnen bestaan. In ieder geval lang genoeg om zich voort te planten. (Anders worden ze weggesneden door het ontologische mes.)
(2) Vruchtbaarheid. Memen moeten via een of ander proces kopieën van zichzelf in de wereld helpen. Deze kopieën en de kopieën van kopieën, enzovoort, zal ik aanduiden met “nakomelingen.”
(3) Subtiele variatie. Zo nu en dan moet een nakomeling iets afwijken van zijn voorouder. Dit afwijken mag niet zoveel zijn dat de nakomeling niet meer als kopie herkenbaar is.
(4) Selectie. Op memen moet een selectieproces plaatsvinden, waardoor sommige memen meer nakomelingen voortbrengen dan andere.
(De eisen 2 tot en met 4 zorgen voor een evolutionair proces.)
(5) Het succes van de meme mag niet te herleiden zijn tot voordeel voor het organisme, of de genen van het organisme. (Anders worden ze weggesneden door het linguïstische mes.)
(6) Om de term meme ingang te laten vinden moeten er memen zijn die het evolutionaire succes van organismen en hun genen verminderen. (De eis van parasitisme.)
Indien een meme aan deze zes eisen voldoet weten we zeker dat het als zelfstandige evolutionaire entiteit met zelfzuchtige belangen tegengesteld aan die van genen bestaat, en dus niet kan worden gereduceerd tot genen of tot het fenotype van genen. Zo betoog ik althans in On the Senselessness of Memes.
Bestaan er artefacten of gedragingen die aan deze zes eisen voldoen? Ik zal mij hier beperken tot artefacten. Dus, bestaan er artefacten die parasitair zijn op mensen?
Tot nu toe ben ik slechts één serieuze kandidaat voor een dergelijke parasitaire memetische status tegengekomen, de mobiele telefoon. Ik heb meerdere malen beschreven hoe mobieltjes ons leven verrijken en zich tegelijkertijd tot parasieten ontpoppen, en zal dat hier allemaal niet herhalen. Mijns inziens voldoet de mobiele telefoon aan de zes eisen:
(1) Het is een duidelijk object, met een behoorlijke levensduur.
(2) Mobieltjes zorgen voor kopieën van zichzelf. Dat doen ze door ons brein zodanig te bewerken dat wij hun voortplanting verzorgen. Deze situatie is niet ongewoon, ook niet in de biologische evolutie. (Richard Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype hoe de cannabis plant ons ook op die wijze gebruikt.)
(3) De nakomelingen van mobieltjes vertonen soms kleine variaties.
(4) Op de nieuwe typen mobieltjes vindt een sterke selectie plaats.
(5) Het gebruik van mobieltjes leidt niet tot verhoogde vruchtbaarheid bij mensen. (Eerlijk gezegd, weet ik dit niet helemaal zeker. Het zou zo kunnen zijn dat mensen met een mobieltje meer seksuele contacten hebben, en meer nakomelingen hebben dan mensen zonder mobieltje. Als dat zo is, dan is een mobieltje geen meme.)
(6) Het mobieltje vraagt veel van onze tijd, geld en energie, meer dan met het oog op ons eigen evolutionaire proces goed is. (Mits, zie 5.) Mensen besteden geld aan het mobieltje dat ze beter aan voedsel of nakomelingen zouden kunnen uitgeven.
En met het vervullen van deze zes eisen zou het mobieltje een heuse memeparasiet zijn geworden.
Of dat werkelijk zo is, zal de tijd leren. Mobieltjes staan in veel opzichten nog in de kinderschoenen. In de komende decennia zal het mobieltje daadwerkelijk fysiek ons lichaam binnendringen en pas dan zal het parasitaire karakter helemaal duidelijk kunnen worden.
Gisteren stuitte ik bij toeval op nog een kandidaat memeparasiet: de anticonceptie pil. Deze pil voldoet op zijn minst aan de eisen 1 tot en met 5. De vraag is echter of de pil het aantal nakomelingen van een vrouw nadelig beïnvloedt. Het zou zo kunnen zijn dat vrouwen die de pil gebruiken op de lange termijn (na een paar generaties) meer nakomelingen hebben, dan vrouwen die de pil niet gebruiken. Bijvoorbeeld doordat de nakomelingen die zij krijgen gezonder zijn, omdat de vrouwen meer energie kunnen investeren in ieder van hun nakomelingen. Mocht dat niet zo zijn, en mocht de pil het aantal nakomelingen daadwerkelijk negatief beïnvloeden, dan is de pil een memeparasiet. Wellicht zullen dan op de hele(!) lange termijn alle vrouwen een pilallergie hebben.

Nawoord
Wat levert een discussie rond memen op?
In ieder geval niet veel kandidaatmemen. Richard Dawkins heeft gelijk: “[de meme] is nog in het babystadium en drijft nog onhandig rond in zijn oersoep…”
Maar in On the Senselessness of Memes speelt op de achtergrond nog een andere filosofische discussie een rol, de discussie rond de term informatie. Hoe hard moet Ockhams snoeischaar worden gezet in informatie? Misverstanden rond de term meme zijn onlosmakelijk verbonden met misverstanden rond de term informatie. Memen worden vaak gezien als informatiepakketjes. Wikipedia spreekt van een "besmettelijk informatiepatroon". Deze informatiepakketjes vermenigvuldigen en verspreiden zich over breinen. Ik heb laten zien dat memen opgevat als dergelijke informatiepakketjes niet tot de haag van wetenschap behoren.
Maar de situatie rond de term informatie is nog ondoorzichtiger dan die rond meme. Is het bij meme ten minste nog mogelijk om eisen te formuleren waaraan het gebruik moet voldoen, de term informatie wordt te pas en te onpas gebruikt als het gaat om cognitieve aspecten van de menselijke geest. In de ergste gevallen worden onze hersenen een plek waarin informatie rond zingt, wordt er informatie tussen hersenengebieden heen en weer gezonden, of komt informatie voor hersengebieden beschikbaar. We weten in al deze gevallen niet precies wat er wordt bedoeld. Als we het woord ‘informatie’ hier zouden vervangen door het woord ‘memen’, dan zou de onzinnigheid onmiddellijk duidelijk zijn: de hersenen zijn een plek waar memen rond zingen, of er worden memen tussen gebieden heen en weer gezonden, of memen komen voor hersengebieden beschikbaar. Maar door over te schakelen op een nog veel vagere term, informatie, valt het pseudowetenschappelijke karakter van informatieverwerking nauwelijks meer op.
Mijn voorstel zou dan ook zijn om Ockhams ontologische en linguïstische mes eens stevig in de term informatie te zetten. Dat zou de filosofie, psychologie, cognitieve - en neurowetenschappen zeer ten goede komen.

zondag 25 april 2010

Over de zinloosheid van memen

(en hoe ze toch een rol kunnen spelen als replicatoren)
door: Ronald Hünneman


In 1976 introduceerde Richard Dawkins het begrip meme in zijn boek De Zelfzuchtige Genen. Een meme is de culturele tegenhanger van wat een gen is in de biologie. Memen zijn eenheden van culturele overdracht, net zoals genen eenheden zijn van biologische overdracht: beide vormen van overdracht kunnen een vorm van evolutie teweeg brengen.
De verwachtingen rond dit nieuwe concept waren hooggespannen. Vele boeken, essays, wetenschappelijke artikelen, tijdschriften, internet forums, symposia en documentaires waren gewijd aan memetica, de wetenschap van memen. Echter, de aandacht voor memen verdween net zo snel als dat ze was opgekomen. In dit essay (mijn masterthese) onderzoek ik waarom memen nooit een harde wetenschappelijke status verkregen, ondanks de grote hoeveelheid energie die aan memetica is besteed. Vandaag de dag zijn er geen echte meme-onderzoekers meer, zeker niet binnen het veld waarin memen werden geïntroduceerd, wetenschappelijke evolutiebiologie.
Dawkins wilde een replicator introduceren die kon concurreren met genen. Volgens zijn eigen criteria moet het dan mogelijk zijn om vast te stellen of het ene meme een kopie is van het andere meme. Echter, vrij snel na hun introductie werden memen voornamelijk opgevat als geestelijke eenheden. Als gevolg hiervan werd het onmogelijk om een eenduidige beschrijving van memen te geven, en werd het dus ook onmogelijk om een eenduidige notie van een kopie van een meme te geven. Bovendien, als memen worden gedefinieerd in termen van ideeën, gedachten en dergelijke, dan wordt Quine’s these van de onbepaaldheid van vertaling van toepassing: twee wetenschappers kunnen allebei een adequate verklaring geven van een cultureel verschijnsel, terwijl hun beschrijvingen van de betrokken memen onverzoenbaar uit elkaar lopen. In dat geval zou een memetische analyse gebaseerd zijn op een vertaalhandleiding en zou dus goed beschouwd geen onderdeel zijn van een natuurwetenschap zoals evolutiebiologie.
Waarschijnlijk werd de definitie van een meme in geestelijke termen geïnspireerd door de fascinatie met software en computervirussen uit de jaren 1980. Memen werden vergeleken met softwaremodules. Zonder deze preoccupatie zouden Dawkins en anderen wellicht hebben gekozen voor een meer Quineaanse definitie van memen in termen van gedrag en/of artefacten:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.

Als Dawkins tevreden was geweest met een definitie zoals deze, dan zou hij een analysemethode hebben kunnen toepassen die hij herhaaldelijk gebruikt in The Extended Phenotype (1982). Hij zou memen hebben kunnen beschrijven als (gedeelten van) parasieten die wedijveren met genen en hun overlevingsmachines, organismen. Waarschijnlijk zou dit de enige weg zijn geweest waarlangs memen een wetenschappelijke ontologische status zouden hebben kunnen krijgen. Want, zolang memen niet in staat zijn om genen te beïnvloeden of misbruiken, kunnen ze terzijde worden geschoven als niets meer dan gedachtespinsels, met ten hoogste een literaire status.



The Selfish Gene

The Extended Phenotype

zaterdag 10 oktober 2009

Nomofobie (2)

Nomofobie is de angst je mobiele telefoon niet bij je te hebben. Dit klinkt voor velen waarschijnlijk als een grappige, maar toch vooral puberale angst van voornamelijk tienermeisjes die de hele dag willen kletsen en smessen met hun vriendinnen. Maar nomofobie is geen puberale angst. Het is strikt genomen zelfs geen fobie; het is wel een angst, maar geen stoornis. Nomofobie is vergelijkbaar met de angst om blind te worden, of om reuk, smaak of gevoel te verliezen. En aangezien ieder gezond mens in paniek zou raken bij het vooruitzicht een zintuig te verliezen, kunnen we de definitie van nomofobie ook omkeren: Mensen zonder nomofobie zijn (nog) niet in staat gebleken het gebruik van de mobiele telefoon onder de knie te krijgen.
Net zoals blinden niet bang zullen zijn voor het donker (achluofobie), zo zullen mensen voor wie de mobiele telefoon niet meer is dan een draagbare versie van de ouderwetse huistelefoon, geen last hebben van nomofobie. Dit is overigens geen waardeoordeel. Het is niet verkeerd om geen last te hebben van nomofobie. En de reden dat we mensen zonder nomofobie niet veroordelen is dezelfde als waarom we blinden niet veroordelen voor de afwezigheid van achluofobie. Mensen die hun mobiele telefoon nooit missen, ontberen een manier om de wereld te ervaren. Ze verdienen medelijden.
De denkfout die vaak wordt gemaakt is dat een mobiele telefoon slechts gemakkelijk is, slechts een werktuig dat het leven comfortabeler maakt. En natuurlijk lijkt het mobieltje in eerste instantie niets wezenlijks toe te voegen aan onze wereld. Maar niets is minder waar. Mobieltjes kunnen een nieuw zintuig vormen. Ze kunnen de wijze waarop wij de wereld ervaren veranderen.
En dan vooral de sociale wereld. Voor wie geen mobieltje bezit is sociale nabijheid gebonden aan lichamelijke nabijheid. Deze mensen zullen zeggen dat iemand ‘in het echt’ spreken altijd fijner is dan iemand over de telefoon spreken. Ze zullen ook volhouden dat een ansichtkaart ontvangen, ‘meer zegt’ dan een smesje ontvangen. We moeten medelijden hebben met deze mensen. De vergelijking met een blinde kan wederom verhelderend zijn. Om iemands uiterlijk te beoordelen zal een blinde de persoon moeten voelen. De afstand die er bij een ziende niet toe doet, of zelfs noodzakelijk is om het uiterlijk te beoordelen, is bij een blinde een onoverbrugbare kloof. Blinden en nomobies (mensen die het mobieltje slechts als gereedschap zien) ontberen een toegang tot de wereld.
Techniek verandert niet alleen de wereld, techniek verandert soms ook de ervaring die wij van de wereld hebben. Een goed voorbeeld hiervan vormt TVSS, tactile visual sensory substitution. Bij blinden wordt het beeld van een videocamera via een prikkelplaatje overgebracht op de tong.



Het meest belangwekkende van TVSS is dat blinden erdoor visuele (!) ervaringen krijgen. Het gevoel van een tong die geprikkeld wordt verdwijnt, en maakt plaats voor een visuele ervaring! Uiteraard lukt dit pas na oefening en gewenning, maar het resultaat is verbluffend. De wereld wordt ervaren via een nieuwe perceptuele modaliteit. Dit is geen proces waarbij tactiele informatie door een blinde wordt doorgeredeneerd naar visuele informatie, maar een proces dat het gevoel waarmee iemand in de wereld staat verrijkt.
Een mobieltje kan een vergelijkbare functie vervullen. Mensen die de wereld via hun mobieltje ervaren, ervaren de sociale wereld op een wijze die voor nomobies is uitgesloten. Dat komt ondermeer doordat de mobiele telefoon strikt persoonlijk is, en altijd voorhanden, net zoals onze andere zintuigen. Zo brengt dit extra orgaan anderen dichterbij, en verrijkt de ervaring van onze sociale wereld. De filosoof Alva Noë schrijft:

Technologie vergroot ons bereik, en vergroot op die manier de mate waarin zaken voor ons aanwezig kunnen zijn. Mijn moeder die duizenden kilometers ver weg zit is aanwezig, want ze is slechts één telefoontje van mij verwijderd.[…]
Alva Noë, Out of Our Heads, pp. 83-84.

Vijf zintuigen is een toevallige gift van de evolutie. Innovatieve technieken zullen ons arsenaal aan zintuigen uitbreiden, op een onvoorspelbare wijze en in onvoorspelbare richtingen. Eens zullen we verzuchten: “Zonder mobieltje ben ik geen mens meer, of in ieder geval minder mens dan met mobieltje.”

dinsdag 3 februari 2009

Redeloos religieus atheïsme

“Rede en religie” is de titel van het boek dat VWO-scholieren als verplichte eindexamenstof krijgen voorgeschoteld. In een poging om volledig te zijn en niemand op de tenen te trappen heeft Michiel Leezenberg een nietszeggende inventarisatie geschreven waarvan de samenvatting kort kan zijn: “Veel filosofen hebben direct of indirect iets belangwekkends gezegd over religie. Tegen elk van die opvattingen is wel iets in te brengen. Jij mag dus zelf bepalen hoe je tegenover religie staat.” Het boek doet nergens een poging de lezer tot nadenken te dwingen. Geen enkele scholier zal na het lezen van dit boek geïnspireerd een doorwrocht betoog schrijven, en voor degenen die de schoolbanken al hebben verlaten zal na lezing hetzelfde gelden. Leezenberg slaat iedere poging tot serieus filosoferen dood.
Daarom wil ik alle eindexamenkandidaten filosofie oproepen tot (1) een massale klaagzang over dit boek en (2) het produceren van een pamflet van een halve tot drie A4-tjes met een radicaal of origineel standpunt ten aanzien van religie. Op basis van deze pamfletten stellen we een alternatieve bundel samen: “Redeloze religie.” Die bundel verspreiden we via internet en biedt lezers de mogelijkheid zich te ergeren, zich te vermaken, tegengas te geven en zelf filosofische denkbeelden te ontwikkelen. Het web wordt geteisterd door sites waarop gelovigen en atheïsten eeuwenoude argumenten herkauwen. Het is de hoogste tijd dat jonge denkers laten zien dat met betrekking tot rede en religie standpunten mogelijk zijn die niemand voor mogelijk had gehouden.

Religie en atheïsme
zijn de mobieltjes van voorbije tijden
Het is nogal onzinnig om een uiterst genuanceerd standpunt in te nemen ten aanzien van religie. Hetzelfde geldt overigens voor een uiterst genuanceerd standpunt ten aanzien van atheïsme. Als gelovigen zeggen dat er een god bestaat of dat mensen die in een god geloven gerespecteerd moeten worden, dan spreken ze onzin. Als atheïsten zeggen dat geloof in een god irrationeel is, of onredelijk, of berustend op tegenspraken, of niet-verifieerbaar dan verdoen ze hun tijd. Liever dan de “God Dellusion” had ik een boek van Richard Dawkins gelezen waarin hij de nieuwste inzichten van evolutiebiologen beschrijft. Of gebeurt er op dat gebied niets interessants meer, en is overbodig gezeur over het ongelijk van gelovigen een vlucht van Dawkins?
Terwijl Dawkins zelf het mooiste analyse-instrument voor religie en atheïsme heeft geleverd. Hij heeft immers het begrip ‘meme’ geïntroduceerd, en het idee van ‘the extended phenotype’. Combineer die twee tot ‘the extended memetype’ en je bezit het instrument dat je nodig hebt om religie en atheïsme te analyseren. Religie en atheïsme zijn memen die zich aan het mensenbreinen hebben gehecht. Ze dringen door in het mensenbrein, leggen daar eieren, en veranderen het gedrag van mensen zodanig dat de eieren gemakkelijk hun weg vinden naar nieuwe mensenbreinen.
Mobieltjes doen eigenlijk precies hetzelfde. Ze dringen zich op aan mensen, ze verkleven met het brein van mensen en ze veranderen het gedrag van mensen zodanig dat ook andere mensen een mobieltje aanschaffen. Of het nu gaat om religieus of atheïstisch gedachtegoed, of om een object zoals het mobieltje, het verspreidings- en overlevingsmechanisme is hetzelfde, zorg ervoor dat mensenbreinen de indruk hebben dat je noodzakelijk bent. Dan zullen ze je koesteren en anderen vertellen dat je noodzakelijk bent.
Maar de overeenkomst tussen mobieltjes en religie gaat veel verder. Mobieltjes hebben de belangrijkste functies van religie en atheïsme overgenomen. De volgende vijf punten lijken mij evident:
1. Religie en atheïsme brengen sociale netwerken tot stand. (Kijk eens op Hyves als je hieraan twijfelt.) Mobieltjes ook.
2. Religie en atheïsme schenken hun bezitters een bijzondere status. (Kijk eens naar de EO of naar de wijze waarop atheïsten hun rationaliteit aanprijzen.) Mobieltjes ook.
3. Religie en atheïsme ondermijnen de bestaande orde. (Denk aan de status van de eerste christenen en de eerste atheïsten.) Mobieltjes ook.
4. Religie en atheïsme sluizen geld van de ene klasse naar een andere klasse. (Denk aan de exorbitante rijkdom van kerk en de exorbitante bedragen die naar wetenschap gaan.) Mobieltjes ook.
5. Religie en atheïsme verketteren de niet-gebruikers. Mobieltjes ook. (Ketters en irrationele gelovigen zijn de tegenhangers van de losers zonder mobieltje.)
De slimste manier om religie of atheïsme te verspreiden is dan ook door de aanhangers te belonen met een mobieltje. “Gratis mobieltje met daarop de complete Bijbel, Koran of Thora.” Of, “Gratis mobieltje met daarop de voorgeïnstalleerde video’s waarin Dawkins de vloer aanveegt met creationisten.”

zaterdag 19 april 2008

Bereikbarbaren

“Bereikbarbaren,” de Groningse filosoof Hans Harbers sprak het woord nadrukkelijk uit. Jongeren die ook op school mobiel bereikbaar willen zijn, zijn een voorbeeld van bereikbarbaren. Het was tekenend voor de commotie die ontstond tijdens “Jij & je mobiel – jongerendebat over de al dan niet bepalende rol van de gsm” op het Viva la Focus festival in Groningen. De stelling dat leerlingen ook tijdens de les hun mobiel niet uit hoeven te zetten was voor de meeste aanwezigen onverteerbaar. Is er dan geen moment meer dat die telefoon uit mag? Waarom moet je in vredesnaam altijd bereikbaar zijn? Een wiskundeles is een wiskundeles en geen communicatietraining! Kortom, het zijn bereikbarbaren.
Nieuwe technieken zijn bedreigend. De boekdrukkunst, de microscoop, de fiets, de auto, het fototoestel, ze riepen bij introductie angstige protesten op. Duivelse vindingen, te hoge snelheden, inbreuken op Gods schepping. Zelf heb ik de introductie van de rekenmachine meegemaakt. Na ongeveer twee jaar te hebben geploeterd met een rekenliniaal, kwam het officiële bericht dat de rekenmachine voortaan op examens was toegestaan. Sommige leerkrachten spraken er schande van, de kunst van het rekenen zou voorgoed verdwijnen, met alle gevaren van dien: “Als je iets hebt uitgerekend met de rekenmachine, hoe weet je dan of je het goed hebt gedaan?” Inmiddels is deze gedachte omgekeerd. Als je iets uit je hoofd hebt uitgerekend, gebruik dan alsjeblieft de rekenmachine om te controleren of het goed is.
Nieuwe technieken zijn bedreigend omdat ze een nieuwe manier om mens te zijn mogelijk maken. Moderne mensen ontstaan door een redelijk slim primatenlijf te koppelen aan steeds geavanceerdere techniek. In het neolithicum was de techniek zo primitief dat het verschil met onze nichtjes uit het oerwoud klein was. Maar door de geschiedenis van homo sapiens heen is de techniek steeds verder ontwikkeld. En zijn we steeds andere mensen geworden. Zo sterk is het effect dat ik mij zonder techniek geen zinnig beeld meer van mezelf kan vormen. Verwijder alle techniek om mij heen, en ik zit in mijn blootje midden op de Drentsche heide, zonder ooit een boek te hebben gelezen of een televisieprogramma te hebben gezien. Zelfs een teruggang naar de middeleeuwen of de steentijd zou van mij een totaal ander mens maken. Ik behoor nu eenmaal tot een diersoort die zichzelf vormgeeft door zich te koppelen aan techniek uit de tweede helft van de 20ste eeuw.
Mobiele telefoons maken van jongeren andere mensen dan wij ooit zijn geweest. Ze zijn beter bereikbaar, beleven hun sociale relaties intenser, delen hun belevenissen sneller, filmen dat waarvan ze genieten, luisteren naar hun eigen muziek en vormen onderdeel van mobiele gemeenschappen. Is dat beter of slechter? Hoe moeten we deze vraag beantwoorden? Nemen we de standaard waaraan wij gewend zijn, en gaan we dan roepen dat jongeren door de koppeling aan hun mobiel een afgestompt of gevaarlijk leven leiden? Zullen we dan de Steentijdmens als uitgangspunt nemen, en zeggen dat we onze ware aard verloochenen als we ons vlees gewoon in de winkel kopen? Of nemen we de Middeleeuwer als ijkpunt? En verbannen we alle boeken omdat ze ons afleiden van onze door God gegeven taak?
Door jongeren te karakteriseren als bereikbarbaren draaien we de werkelijke stand van zaken om. Er zijn bereikbaren en barbaren. De bereikbaren vormen de voorhoede van een nieuwe mensensoort. Deze homo telephonicus zal middels mobieltjes meer met elkaar verknoopt zijn dan enige andere mensensoort ooit is geweest. Ze zal op onze sociale situatie terugkijken als arm, primitief, oppervlakkig en eenzaam. Hoe konden ouders en kinderen een band houden als ze elkaar slechts eens in de twee weken spraken, via een telefoon op straat waar je kleingeld in moest werpen? Hoe kon je in ’s hemelsnaam op die manier met je vrienden van de basisschool contact houden?
De barbaren proberen, zoals altijd, de komst van deze nieuwe mens tegen te houden. Liever een verlenging van de duisternis dan een nieuwe tijd waarin we onszelf op onnavolgbare wijze herscheppen. Ik hoop dat jongeren de ruimte krijgen om zichzelf en de mens te herschrijven. Ik hoop op een klinkende overwinning van de bereikbaren.


dinsdag 15 april 2008

Mobiel mens-zijn

Wij zijn, aldus Andy Clark, ‘natural born cyborgs’. Wij koppelen ons makkelijker aan artefacten dan welke andere diersoort ook. Het onopvallendste voorbeeld is het horloge. Kun je bij brillen nog volhouden dat die niets anders doen dan een onvolkomenheid herstellen (alhoewel er ook brillen zijn die mensen behoeden voor functioneel analfabetisme), bij horloges is dat zeker niet het geval. Horloges veranderen mensen. Horloges veranderen de manier waarop mensen tijd ervaren, de manier waarop ze hun dag indelen, en de manier waarop ze met anderen omgaan. De stress die sommigen voelen als ze vijf minuten te laat dreigen te komen, de blik die sommigen op hun horloge werpen op de vraag “Heb je zin in een wijntje?”, en het gevoel dat je helemaal geen tijd meer overhoudt zouden er niet zijn zonder het horloge.
Daarmee bepaalt het horloge wie we zijn. Mensen in het begin van de 21ste eeuw kunnen zich niet meer los denken van hun horloge. Het zijn mensen geworden die hun leven tot op de minuut indelen, en agenda’s kopen met een verdeling in uren of halve uren, om daarmee hun dag zo vol mogelijk te plannen, zodat ze geagiteerd kunnen opkijken als een afspraak een kwartier te laat binnenkomt. Sportprestaties, maar ook prestaties in fabrieken, worden gemeten in tienden van seconden. Zelfs de quality-time voor geliefden, wordt nauwkeurig op het horloge bijgehouden, en bij voorkeur in de agenda ingepland. Onze samenleving en de mensen die daarin wonen, wij, zijn ondenkbaar zonder dat een ieder aan een klok is gekoppeld.
De kracht van het polshorloge is dat het transparant is. Mensen hebben niet door dat het apparaat om hun pols zit. Ze werpen er achteloos een blik op, veel vaker dan ze zelf denken. ’s Ochtends als ik mijn zonen naar school help, is mijn horloge een onmisbaar instrument. Iedere paar minuten controleer ik of hun bezigheden op schema liggen. En ik moedig aan met een achteloos: “Ik ga je er niet de hele tijd aan helpen herinneren hoe laat het is hoor.”
Is daarmee iedere spontaniteit uit het mens-zijn verdwenen? Zijn mensen door het horloge hun oorspronkelijke staat van Zijn vergeten? Zullen we ooit nog de rust kennen die zo kenmerkend is voor volkeren die dicht bij de natuur leven, of spirituele mannen die meditatie prediken? Is de mens het contact met zijn diepste, innerlijke zelf kwijtgeraakt? Nee, natuurlijk niet. Mensen zijn natural born cyborgs. Mensen koppelen zich aan techniek om mens te worden. Mens zijn betekent geest, lijf, en samenleving vormgeven met behulp van technische middelen. In het neolithicum kon je een vuistbijl wellicht nog links laten liggen. De opkomst van landbouw en veeteelt maakte het al moeilijker om mens te zijn zonder van artefacten gebruik te maken. De uitvinding van het schrift, boeken en tijdschriften verplichtte een ieder tot koppeling aan deze technieken (op straffe van analfabetisme). En in onze huidige tijd staat de koppeling aan computers en elektronica centraal.
Niemand kon voorzien waar de invoering van klokken toe zou leiden. Hetzelfde geldt voor de mobiele telefoon. Niemand heeft vijftien jaar geleden bevroed dat ooit in Groningen het festival Viva la Focus plaats zou vinden. In de aankondiging voor dit festival stond: “Viva la Focus! Bellen, sms-en, foto’s, films; de mobiele telefoon is niet meer uit jouw leven weg te denken.” Het brandpunt van het festival was een wedstrijd rond filmpjes gemaakt met mobieltjes. Daaromheen waren workshops, symposia en debatten georganiseerd. Uiteraard allemaal met als thema de mobiele telefoon.
Ik houd van de mobiele telefoon, als object en als studieobject. Dus om twee uur ’s middags zat ik bij het debat “Jij & je mobiel – jongerendebat over de al dan niet bepalende rol van de gsm.” Er was voor dit debat veel reclame gemaakt, vooral op scholen in het voortgezet onderwijs. Maar natuurlijk zaten er nauwelijks jongeren in de zaal. Waarom zou je gaan discussiëren over een saai alledaags object? Welke zuurpruim zou de discussie “Jij en je klokje – ouderendebat over de al dan niet bepalende rol van het horloge” bezoeken? Mobieltjes zijn net zo transparant aan het worden als horloges. Als de generatie is uitgestorven waarvan het neurale weefsel niet meer plastisch genoeg is om een transparante koppeling te maken met het mobiel, dan zal het mobieltje net zo onopvallend ons mens-zijn bepalen als het horloge.
De Groningse filosoof Martijn de Waal liet zien hoe mobieltjes de wijze veranderen waarop jongeren sociale relaties ervaren. Smessen* verkleint de afstand tussen mensen, maakt de wereld intiemer. Uiteraard is smessen geen vervanging voor daadwerkelijk fysiek contact, maar het kan je de aanwezigheid van een ander wel laten voelen op momenten dat een e-mail, een telefoontje of een ansichtkaart geen soelaas bieden. De mobiele telefoon is bepalend voor de plek die je in de sociale wereld inneemt en de wijze waarop je die wereld ervaart. Wie wil er nu nog verkering met een jongen die je voor het slapen gaan niet even laat weten dat je in zijn gedachten bent?












Andy Clark over Natural Born Cyborgs:

Informatie over Viva la Focus:


* Ik gebruik het werkwoord smessen voor het versturen en ontvangen van een sms. Smessen kan als een gewoon werkwoord worden vervoegd. Bij sms-en is dat lastiger.

zondag 13 april 2008

Nomofobie

“Nomofobie is de angst om geen mobieltje bij je te hebben” las Mirella van Markus ergens in de voorbije week in de Ontbijtshow op van de autocue. Iedereen kent inmiddels wel een verhaal over een nomofoob. Vaak betreft het een collega. De collega verschijnt ’s morgens op het werk, kijkt verschrikt in haar tas, zoekt nerveus in haar jas, en kondigt vervolgens aan dat ze nog anderhalf uur weg zal zijn omdat ze haar mobieltje thuis heeft laten liggen. Andere nomofoben wapenen zich tegen dit ongemak en schaffen twee of drie mobieltjes aan. “Deze is van mijzelf, deze van mijn werk, en dit is gewoon een oude, daar doe ik bijna niks meer mee.”
Het opmerkelijke van nomofobie is dat het een andersoortige angst is dan de fobieën die je in de ellenlange lijsten op internet aantreft. Andere fobieën zijn gericht op de aanwezigheid van iets, een object, wezen, situatie of toestand. Angst voor spinnen en vele andere dieren, angst voor ruimtes, of engtes. Bij nomofobie is er iets afwezig. Het gevoel zonder mobiel rond te lopen is ondraaglijk. Zo ondraaglijk dat nomofoben bereid zijn extra verlofuren op te nemen om hun geliefde artefact weer in de armen te kunnen sluiten. Qua angst is het nog het best te vergelijken met autofobie, de angst om alleen te zijn.
Zijn er objecten waarvoor ik terug naar huis ga als ik ze na drie kwartier reizen niet bij me blijk te hebben? Jan Chipchase, die in dienst van Nokia de interactie tussen mensen en technologie bestudeert, stelt de volgende vraag: “Wat neem je mee als je je huis verlaat?” Chipchase onderzoekt aan de hand van deze vraag welke objecten voor mensen een “spirituele, emotionele of functionele waarde” hebben. Vijf jaar lang bekeek Chipchase nauwgezet wat mensen bij zich dragen. Hij keerde hun tassen om, trok hun zakken binnenstebuiten en filmde bij mensen in huis. Zijn eerste, nauwelijks opzienbarende, conclusie was dat mensen heel veel, heel verschillende spullen bij zich dragen. Maar als je vervolgens aan mensen vraagt wat de drie belangrijkste voorwerpen zijn die ze bij zich hebben, dan antwoorden vrouwen zowel als mannen, in alle culturen en alle situaties: “Sleutels, geld en (als ze er een hebben) een mobiele telefoon.”
Toch beantwoordt dit mijn vraag niet helemaal. Bij mijn sleutels, bijvoorbeeld, kan ik maar enkele situaties bedenken waarin ik een lange reis terug naar huis zou maken als ik ze zou zijn vergeten. En ik ga er zeker geen vrij voor vragen. In het geval van geld ligt dat iets anders. Geld heb je in veel meer situaties nodig dan je sleutelbos. Het voordeel van geld is echter dat het in tegenstelling tot een mobieltje en een sleutelbos, volkomen onpersoonlijk is. Geld kun je van een collega lenen als je erom verlegen zit (mits je aan enkele betrouwbaarheidseisen voldoet). Tussen haakjes, dit laatste brengt één aspect van nomofobie duidelijk naar voren. Nomofobie heeft niet veel te maken met de wens te kunnen bellen. Overal zijn mogelijkheden om te bellen, telefoons te lenen. Naar iemand bellen is, net zoals geld uitgeven, onpersoonlijk. Nomofobie heeft logischerwijs eerder te maken met het gevoel onbereikbaar te zijn. Het idee dat iemand een hand naar je uitsteekt, zonder dat je het opmerkt.
Dus nogmaals, voor welke objecten maak ik een lange reis terug naar huis? Er zijn twee objecten die ik steevast op mij draag: mijn bril en mijn horloge. Nu is het voordeel van een bril, zeker in mijn geval, dat je die niet snel vergeet. Ik weet, bij wijze van spreken, de uitgang van mijn huis niet eens te vinden zonder bril. Maar mocht ik in een duivels scenario toch zonder bril drie kwartier reizen verderop belanden, dan ga ik zeker terug. Ik heb mijn eigen, specifieke bril nodig om te kunnen functioneren. Geen enkele leenbril kan me het gevoel van een onbelemmerd zicht teruggeven. En als ik een nieuwe bril krijg, ligt de oude nog jaren op een veilige plek in de kast, voor het geval dat de nieuwe toch niet helemaal goed blijkt te zijn. De gedachte om in de middeleeuwen te moeten leven met mijn ogen maar zonder bril is een regelrechte nachtmerrie.
Dit laatste zou aangeduid kunnen worden als nospecfobie. Ik heb op internet evenwel geen verwijzing naar een dergelijke fobie gevonden. Waarschijnlijk omdat een bril een prothese is. Een bril vangt een lichamelijke tekortkoming op, net zoals een kunstbeen. En het ligt zo voor de hand dat iemand bang is zijn prothese te missen en tegelijkertijd is het zo onwaarschijnlijk dat iemand zijn prothese vergeet, dat het niet de moeite waard is die angst als fobie te diagnosticeren.

Zou het zo kunnen zijn dat voor sommigen het mobieltje een zeer persoonlijke, voor het normaal functioneren onmisbare prothese is?




De lezing van Jan Chipchase is te zien op: