Posts tonen met het label ethiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ethiek. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2012

De pijn van prikkeldraad


Voor de Business Lounge van het Groninger Museum ontwierp Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) een tafelkleed met motieven die ondubbelzinnig verwijzen naar concentratiekampen. Op het damasten kleed prijken spoorrails, barakken, wachttorens, rollen prikkeldraad en een stapel brilletjes. Het ontwerp heeft de Business Lounge nooit gehaald, maar het is aan de vergetelheid onttrokken door televisieprogramma’s, kranten en websites. De commotie rond de verwijzingen naar concentratiekampen is nog verder aangewakkerd door het ontwerp voor een hek rond de villa van een verzamelaar in Bentveld. Ook in dit hek zijn prototypische kampelementen verwerkt. Boven de toegangspoort opgetrokken uit de rokende schoorstenen van verbrandingsovens prijkt een verwijzing naar concentratiekamp Buchenwald: “Jedem das Seine.”
In, vaak bewogen, beschouwingen vragen critici zich af wat Job in ’s hemelsnaam voor ogen kan hebben gehad met deze ontwerpen, of de motieven van Job wel zuiver zijn, of Job zich wel als designstudio mag profileren, en of een dergelijk ontwerp wel geschikt is voor een openbare ruimte zoals een museum of een villawijk.


De commentaren van de critici bevatten een opvallende grootste gemene deler: de fout wordt uitsluitend gezocht bij Studio Job. Volgens de één zou Job zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de gevoeligheden die het thema omringen. Volgens een ander was Job slechts uit op gemakkelijk effectbejag. Een derde betreurt de oppervlakkigheid van de ontwerpen. Weer een ander vindt dat Job zich beter onder kunstenaars dan onder designers zou kunnen scharen, waarbij het nog maar de vraag is of het goede kunstenaars zouden zijn. Een laatste vindt dat er nauwelijks is nagedacht over de impact van dergelijke ontwerpen op argeloze voorbijgangers. De teneur moge duidelijk zijn. Impliciet wordt geconcludeerd dat de fout in ieder geval niet ligt bij het publiek of de critici.
Maar de betekenis van ontwerpen en kunstwerken kan niet zomaar worden herleid tot de designers of de werken zelf. Dat is precies wat Marcel Duchamp ons leerde toen hij in 1917 een urinoir, gesigneerd “R. Mutt,” inzond voor een tentoonstelling in New York. De organisatie vatte het op als een belediging en weigerde het werk. Maar, bijna een eeuw later, werd hetzelfde werk van dezelfde kunstenaar door vijfhonderd kunstkenners verkozen tot het meest invloedrijke kunstwerk uit de 20ste eeuw. Was de kunstenaar of het werk in de tussenliggende periode veranderd? Nee, wat was veranderd, was de relatie met publiek en critici. Achteraf gezien werd de betekenis van Duchamp’s urinoir in eerste instantie bepaald door de armoede van het publiek, en niet door de afstotelijkheid van een pisbak, de onheuse intenties van Duchamp, of de vraag of een urinoir wel in een openbare ruimte mag hangen. Op de langere termijn verrijkte Duchamp’s werk het publiek en daarmee de plaats van kunst in onze samenleving.
Designstudio’s, zoals Studio Job, bestaan bij de gratie van de esthetische en hedonistische levensinstelling van hun publiek. Een goed glas wijn, naast een notebook van Steve Jobs, zijn iPhone, trendy merkkleding, een passende auto en een design interieur zijn eigentijdse voorwaarden voor een goed leven. Zelfs in de meest barre omstandigheden klinkt de verzuchting: “Ik ga er in ieder geval van proberen te genieten.” Als deze argumenten van lifestyling al worden overtroffen dan slechts door argumenten van economie of efficiency. Uiteindelijk mag alles wijken voor de waarde van aandelen of de euro. De wreedheden als gevolg van bezuinigen en de daarvoor benodigde politieke compromissen verdampen in het licht van dit hogere doel. Zo gijzelen verrijkende groei en schone genotzucht onze ethiek.
Een dergelijk publiek, dat zich dus doorgaans de koning te rijk weet met de ontwerpen van Studio Job, is uiteraard geschokt door de aanblik van een gestileerd concentratiekamp. Maar die schok is niet het gevolg van de verwijzing naar de wreedste periode uit de recente historie. Wat vooral pijn doet is de confrontatie met onze eigen voorliefde voor design die tevens een vlucht voor ethische vragen inhoudt. Daarom kan ook alleen een designstudio, waarvan we uitsluitend schoonheid verwachten, deze werken maken.


Studio Job heeft een laatste stap gezet naar de plek waar zij noodzakelijkerwijs toch wel zouden zijn uitgekomen. Hun werkwijze heeft altijd al bestaan uit het grotesk uitvergroten van prototypische kenmerken. Als een postmodern museum dus vraagt om een tafelkleed voor de business lounge, een ruimte die slechts voor de happy rich few toegankelijk is, waarom dan niet een groteske verwijzing naar een fantastische maaltijd onder het genot van klassieke muziek terwijl op de achtergrond mensen sterven? Waarom mag een hek rond een landgoed in een zeer welgestelde buurt, dan niet veranderen in het ultieme symbool van de vernietiging van niet ons soort mensen?
Job laat slechts zien dat design, net als kunst, een spiegel kan zijn.

donderdag 10 juni 2010

Epstein en Axtell

Waarschijnlijk hebt u nog nooit wakker gelegen van een computersimulatie. Waarom zou u ook? Computersimulaties zijn abstracties. De werkelijkheid is altijd complexer, en bezaaid met factoren die een beslissende rol spelen, maar die in simulaties achterwege worden gelaten. Toch is er één computersimulatie die ik op zijn minst schokkend vind. Zo schokkend, dat ik mijn vader er nooit over heb durven vertellen. Zo schokkend ook, dat ik het er tijdens lezingen of lessen liever niet over heb. Maar sinds vandaag is het bespreekbaar. Sinds vandaag is namelijk duidelijk dat meer dan een miljoen Nederlanders geen enkele moeite heeft met een lijsttrekker die spreekt van “kopvoddentax”. Sinds vandaag weten we dat in de beslotenheid van het stemhokje meer dan een miljoen mensen niet schroomt om te stemmen op een man die ontoelaatbaar schoffeert: “Sorry, van jullie Marokkanen is niet zes procent crimineel. Nee, haha, zeven procent is crimineel!” Dus sinds vandaag mogen we de segregatie van onze samenleving bespreken. Wellicht hebben we sinds vandaag zelfs de plicht om dit te doen.

Josh Epstein en Robert Axtell voerden een zeer leerzame reeks computersimulaties uit. De resultaten beschreven ze in het boek Growing Artificial Societies: Social Science from the Bottom up. Hun simulaties van de sociale werkelijkheid zijn doodsimpel, en juist daardoor zo onthutsend en intellectueel uitdagend.
Neem een vierkant ruitjespapier met 2500 hokjes (50x50 hokjes). Neem twee kleurpotloden, zeg een rode en een blauwe. Kleur nu lukraak hokjes rood of blauw en laat ongeveer 500 hokjes wit. U bent nu waarschijnlijk al enige tijd aan het kleuren, en vandaar dat Epstein en Axtell de computer gebruikten voor dit proces.
Vervolgens voeren we een regel in op grond waarvan we rode en blauwe hokjes verplaatsen:
Verplaats een hokje naar de dichtstbijzijnde open plek als minder dan 25 procent van de buren dezelfde kleur heeft. De kleur van de overige 75 procent van de buren doet er niet toe. Zolang er ten minste een kwart gelijkgekleurden is, wordt een hokje niet verplaatst. Maar wordt het percentage nog lager, dan laten we een hokje verhuizen.
Dit proces is met de hand lastig uit te voeren, maar u begrijpt wat er moet gebeuren. Rode hokjes met minder dan 25 procent rode buren worden opgepakt en ergens anders neergezet. En dit proces wordt een aantal ronden, voor alle hokjes herhaald.
Wat blijkt? Zelfs met deze bescheiden voorkeur voor gelijkgekleurden is na een paar ronden de verdeling van rode en blauwe hokjes over het ruitjespapier al niet meer willekeurig. Epstein en Axtell zagen al milde vormen van kleurscheiding ontstaan. En let op, de regel is zeer tolerant geformuleerd. Rode hokjes worden niet verplaatst omdat ze een afkeer hebben van blauwe hokjes. Nee, rode hokjes worden verplaatst omdat ze ten minste 25 procent andere rode hokjes om zich heen willen hebben. 25 procent van de omringende hokjes moet ons soort hokjes zijn, zeg maar. Je wilt toch geen volslagen vreemde zijn in je eigen wijk?
Vervolgens verfijnden Epstein en Axtell hun model. Hokjes kregen niet langer een vaste tolerantiegrens toegekend. De percentages verschilden per hokje, en lagen ergens tussen 25 en 50 procent in. De meest tolerante hokjes verhuisden als minder dan 25 procent van de buren gelijkgekleurd was. De minst tolerante hokjes verhuisden al als niet ten minste de helft (50 procent) van de buren dezelfde kleur had. Alle andere hokjes verhuisden bij een percentage ergens tussen de 25 en 50 procent.
Epstein en Axtell rekenden dit model door. De uitkomst vind ik iedere keer weer spectaculair. Na een aantal rekenrondes (zie de afbeelding hieronder) zijn de kleuren strikt gesegregeerd. Rood bij rood, blauw bij blauw. Ons soort hokjes, bij ons soort hokjes.

Dus zelfs al bij een op zich begrijpelijke wens om in een buurt te wonen waar tussen de 25 en 50 procent dezelfde kleur heeft, ontstaat op den duur een streng gesegregeerde samenleving. Doordenk op basis van deze computersimulatie eens de volgende vragen:

• Wat gebeurt er als we de regel formuleren op basis van angst: een hokje verhuist zodra 25 procent van de buren een andere kleur heeft?
• Wat gebeurt er als we hokjes via radio, kranten en televisie de indruk geven dat er heel veel anders gekleurde hokjes om hen heen wonen? Anders gekleurde hokjes waar ze bang voor moeten zijn? Wat zou dat voor het stemgedrag van hokjes betekenen?
• Wat gebeurt er als we hokjes via nieuwe media en technologie de mogelijkheid geven om met een paar muisklikken te verhuizen van de ene naar de andere groep? Hoeveel diversiteit zal er dan nog binnen sociale groepen (op het internet) zijn?
• Wat gebeurt er als blanke mannelijke hokjes alleen in managementteams met ten minste 50 procent blanke mannelijke hokjes willen zitten?
• Hoe ziet een samenleving eruit waar mensen zich al tolerant noemen als ze één anders gekleurd hokje onder hun beste vrienden hebben, of als zij hun buurhokje tolereren die toch echt een heel andere kleur heeft?

De computersimulaties van Epstein en Axtell zijn een opdracht voor intellectueel Nederland, van beleidsmakers en columnisten, tot bestuurders en onderwijzenden: Hoe krijgen we hokjes zo ver dat ze verhuizen als niet ten minste 50 procent van de buren een andere kleur heeft? Hoe zetten we een voorkeur voor gelijkgekleurden, om in een voorkeur voor andersgekleurden?
In tegenstelling tot mijn vader ben ik een rasoptimist. Al vraagt het om nieuwe denkwegen, veel durf, doorzettingsvermogen en ongebreidelde creativiteit, ik denk dat deze vragen te beantwoorden zijn. En trouwens, uiteindelijk zijn het maar computersimulaties, toch?

Growing Artificial Societies

dinsdag 8 juni 2010

Victor Lamme heeft een vrije wil

Ik kan u verzekeren dat Victor Lamme een vrije wil heeft. Zelf is hij daar klaarblijkelijk minder van overtuigd, getuige de titel van zijn laatste boek: De vrije wil bestaat niet: Over wie er nu echt de baas is in het brein. Iedereen die op de hoogte denkt te zijn van het functioneren van de menselijke geest, moet dit boek lezen. Het bevat een helder geschreven en vermakelijk overzicht van alle bizarre neurologische vondsten en experimenten uit de afgelopen anderhalve eeuw. Daaruit blijkt overduidelijk het failliet van het naïeve idee waarmee we de moderne tijd begonnen, het idee dat lichaam en geest twee onderscheiden substanties zijn. En daarmee is ook het idee verworpen dat de menselijke geest buiten de reguliere natuurwetten staat, en onafhankelijk van die natuurwetten beslissingen zou kunnen nemen.

Overigens ken ik nog maar weinig weldenkende mensen die twijfelen aan het feit dat het functioneren van onze hersenen, ons lijf en de ons omringende wereld onderworpen is aan natuurwetten, net zoals het functioneren van onze geest, ons bewustzijn en onze vrije wil. Lamme licht er in dit verband drie hoofdzaken uit. Ten eerste laat hij zien dat we meer door de wereld buiten ons worden beïnvloed dan we denken. In de meest extreme gevallen leidt dat tot environmental dependency (omgevingsafhankelijkheid), een toestand waarin het handelen uitsluitend door de directe omgeving wordt bepaald. Een man die automatisch alle brillen die hij ziet liggen oppakt en opzet. En die alle kammen in zijn blikveld door zijn haar haalt. Gelukkig kunnen de meesten van ons dergelijke neigingen onderdrukken, zodat we niet voortdurend met vreemde leesbrillen op onze neus zitten. Maar stiekem lijden wij toch allemaal aan een mildere vorm van deze omgevingsafhankelijkheid. Zonder dat we het opmerken bepaalt de ons omringende omgeving ons handelen. Hebben we werkelijk zin in een broodje kaas, of is het een gevolg van het soapsterretje op televisie dat met de kaasschaaf in haar hand vertelde dat haar beste vriendin het met haar man had gedaan?
Uiteraard verhaalt Lamme daarnaast van de experimenten van Benjamin Libet. Daaruit blijkt dat ons bewustzijn nogal achter de beslissende hersenactiviteit aan hobbelt. De “bewuste” keuzes die iemand gaat maken zijn in sommige gevallen meer dan zes seconden voordat het tot de proefpersoon doordringt, af te lezen aan zijn hersenactiviteit. “Daden volgen niet onze gedachten. Het is precies andersom,” schrijft Lamme. En hij heeft gelijk.
Tenslotte legt Lamme uit dat we slechts minimaal inzicht hebben in de oorzaken van ons gedrag. In de hersenen bevindt zich een babbelbox die mooie verhalen ophoest telkens wanneer we om een rechtvaardiging voor een handeling verlegen zitten. De kwaliteit van die verhalen is vooral dat ze sociaal acceptabel zijn, maar niet dat ze inzicht geven in de daadwerkelijke oorzaken.
Kortom, de vrije wil is een illusie. Een mooie illusie, misschien zelfs een nuttige illusie, maar een illusie. Aldus Lamme.

Stel, ten overstaan van een publiek discussieer ik met iemand over de vraag of het verantwoord is om een vliegvakantie te boeken. Op zo’n moment wil ik dat de argumenten uit mijn mond rollen, zonder dat ik iedere keer bewust over mijn woorden hoef na te denken. Ik wil ook dat mijn argumenten precies zijn afgestemd op dat wat mijn tegenstander zegt. En ik wil dat mijn argumenten een goede rechtvaardiging vormen voor mijn standpunt: als je wat aan het milieu wilt doen, ga dan nooit meer op vliegvakantie. Kortom, ik wil een hoge mate van omgevingsafhankelijkheid, een goed functionerende babbelbox en een brein dat minstens zes seconden voorloopt op mijn bewustzijn en mijn mond. Maar wil dit nu zeggen dat ik dan afstand doe van mijn vrije wil?
De denkfout van Victor Lamme is dat hij teveel waarde toekent aan het bewustzijn. Laat ik even heel duidelijk zijn. Ik ben het met Lamme eens dat onze geest volledig aan natuurwetten onderworpen is, en ik ben het met hem eens dat ons bewustzijn achter ons handelen aan hobbelt. Maar om daaruit te concluderen dat de wil niet vrij is, moet je de wil als een aspect van het bewustzijn zien. Het idee dat het bewustzijn en het ik (of het zelf) samenvallen is een restje naïef Cartesianisme waar Lamme prima zonder kan. Ik denk dat Lamme overtuigend heeft aangetoond dat als we de wil in het bewustzijn plaatsen, dat we dan geen vrije wil hebben. Maar hoe zit het met het alternatief? Wat als we de vrije wil gewoon opvatten als de mogelijkheid van een organisme om dat te toen wat goed voor hem is?
De wil is niets anders dan de kunst van een organisme om daar waar het profijtelijk is de buitenwereld uit te buiten en daar waar het nodig is de buitenwereld buiten te sluiten. In de loop van ons mensenleven leren de meesten van ons hierin een balans te vinden die werkt, die leidt tot een leven dat voldoening schenkt. Soms zijn we ons van het zoeken naar die balans bewust, soms maken anderen ons op onze onbalans attent, vaak ontgaat ons het hele proces. En, naarmate we er beter in slagen die balans te vinden, wordt onze wil vrijer. Bewustzijn is een prettig aspect van die balans, maar zeker niet het belangrijkste aspect. De vrije wil bestaat wel, maar moet, net als het zelf, zeker niet exclusief in dat bewustzijn worden gezocht.
Als Victor Lamme zich dus wat minder had laten meeslepen door het Cartesianisme van onze tijd, en de vrije wil niet klakkeloos in het bewustzijn geplaatst, dan had hij nog inventiever en intelligenter tegen hersenen en gedrag aangekeken. Maar ja, mag ik hem dat teveel aan omgevingsafhankelijkheid verwijten?

Lees ook:

Vrije wil bestaat niet

zondag 11 april 2010

Onweerstaanbare verleiding

Eva is de oermoeder van onweerstaanbare verleiding. Zij wordt door een slang verleid tot het eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Daarna verleidt zij op haar beurt Adam tot het snoepen van de verboden vrucht (vaak uitgebeeld als een appel). De gevolgen van deze zondeval zijn bekend. God had het eten van deze boom uitdrukkelijk verboden, dus leidde de knieval voor de verleiding tot het einde van het paradijs, schaamte en oneindig veel leed.

Het verhaal verbeeldt onze opvattingen over het happen in verboden vruchten. Tiger Woods weet er alles van. Door zijn prominente rol op het sporttoneel staat Woods symbool voor de hele mensheid. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat hij een mengelmoes van bijna alle rassen en culturen is. Hij leefde samen met een prachtige blonde vrouw en twee kinderen in een paradijselijk golfresort van mondiale omvang. Maar Woods viel voor de onweerstaanbare verleiding van vrouwelijk schoon, niet één keer, maar tientallen keren. Daardoor stortte hij de diepte in.
Het verhaal van Woods verschilt niet van het verhaal van Adam. Onweerstaanbare verleidingen leiden tot verderf en ondergang. Vallen voor de verleiding van vet voedsel, leidt tot onvermijdelijk tot een vervet lichaam, en uiteindelijk tot een hartaanval en de dood. Vallen voor de verleiding van geld, leidt tot een graaicultuur en uiteindelijk tot een economische crisis die de mensheid in het verderf stort. Vallen voor een verleiding is spelen met de duivel, flirten met de dood.

En, als vallen voor verleiding flirten met de dood is, dan is weerstand bieden aan alle verleiding de garantie voor het Eeuwige Leven. In christelijke culturen vormt het gevecht van Jezus met de duivel het symbool voor deze weerstand. Tiger Woods en de economische crisis zijn hedendaagse symbolen voor de zwakte van de mens.
Oppervlakkig beschouwd lijkt dit overeen te komen met Plato’s allegorie van de strijdwagen. Plato beschrijft de menselijke ziel als een strijdwagen met een menner op de bok en twee paarden. De menner staat voor het verstand, de paarden voor het gemoed. Het ene paard is gewillig en nobel, het andere onstuimig, geil. Het onstuimige paard
[...] trekt zich niks aan van sporen en zweep van de menner. Het holt met geweld vooruit en bezorgt het andere paard en de menner een hoop last. Het dwingt hen naar de geliefde toe te gaan en hem [of haar] aan seksuele genoegens te herinneren. In het begin verzetten het goede paard en de menner zich, boos als ze zijn dat ze tot vreselijke, ongeoorloofde dingen worden gedwongen. Uiteindelijk, wanneer de ellende niet ophoudt, laten ze zich maar meetrekken. (Faidros 253E-254A)
Het verstand en de nobele gedeelten van Tiger Woods verzetten zich, maar het onstuimige paard was sterker. Een mooi beeld. Het is de taak van de mens zijn geile paard te temmen, zodat zijn karos het smalle pad van het Goede Leven kan volgen.
Toch doet dit beeld geen recht aan de werkelijkheid. Het probleem is dat het verstand en de nobele gedeelten van het gemoed geen drijfveer voor grootse daden kunnen zijn. Zonder de brute kracht van het geile paard staat de karos nagenoeg stil. De wereldwonderen, de meest indrukwekkende verdiensten van de mensheid zijn ondenkbaar zonder een bijna alles vernietigende drijfveer. Prestaties in technologie, kunst en wetenschap vragen om mensen bij wie het geile paard rukt en sjort, hinnikt en geen slaap toestaat. Verstand en zelfbeheersing zijn mooi, maar zonder ontsporing zou de wereld nooit een betere plek worden om te leven. Als de Hemel het doel van het leven is, dient het geile paard te worden getemd. Maar als geluk slechts verscholen ligt in de aardse werkelijkheid, dan zullen we ons woeste paard moeten koesteren.
Het seksuele gedrag van Tiger Woods ontspruit aan dezelfde kracht als zijn geniale drive en swing op de golfcourses. De liefde voor paté van Michel Onfray, zijn hartaanval en zijn ongebreidelde filosofische passie verraden een briesend paard in de diepten van zijn ziel. De economische crisis en onze ongekende welvaart vloeien voort uit dezelfde bron: geile hebzucht. Salvador Dali’s vlijmscherpe kunst valt samen met zijn seksuele idiotie (Dirty Dalì, heette het televisieprogramma). Diane Fossey’s doodsverachtende liefde voor gorilla’s werd getrokken door hetzelfde paard als haar fanatieke gebruik van sigaretten en alcohol.
Wellicht had Eva een ander belang. Wellicht zag ze op tegen een eeuwigheid met een duffe Adam die zijn woeste paard al te strak beteugelde. Zonder de drijfveer van de zondige verleiding worden er nooit schatten ontdekt. Eten van de boom der kennis van goed en kwaad is geen zonde, alhoewel het tegen de regels van de God is. Mits het verstand en het nobele gemoed de teugels niet helemaal laten vieren, zijn verboden vruchten de opmaat tot de allerhoogste hoogten van onze beschaving.

Dit is een korte samenvatting van de lezing die ik gisteren in Museum Wierdenland heb gegeven.

zaterdag 6 februari 2010

Akrasia en wilszwakte


De menselijke wil is een bron voor veel filosofisch vertier. De wil komt in twee smaken. Ten eerste is er de vrije wil. Daarover heb ik al eens eerder uitgebreid geschreven (Vrije Wil Binnenstebuiten). De vrije wil is geen ding, zo betoogde ik, geen neurologisch verschijnsel, geen vermogen van de ziel. De vrije wil ontstaat als talige organismen, zoals mensen, gesteund door structuren in de buitenwereld impulsieve besluiten kunnen onderdrukken, en meer afwogen hun handelingen kiezen. Met andere woorden, de vrije wil zit niet in het hoofd van mensen, maar is een eigenschap van menselijke organismen in een omgeving.
Ten tweede is er ook nog de gewone, alledaagse wil. De wil zoals in “Els wil een appel” of “Greet wil stoppen met roken.” Nu denk ik dat de termen wil en vrije wil over het algemeen weinig met elkaar hebben te maken. Hoogstens is het zo dat als een persoon iets uit vrije wil doet, deze persoon dat ook wil doen. Maar zelfs hier kan ik mij voorstellen dat het een niet in alle situaties uit het ander volgt. Wat de termen wil en vrije wil in ieder geval wel gemeenschappelijk hebben is dat ze slaan op het gedrag van mensen in relatie tot een omgeving, en niet op de geest, ziel of hersenen van handelende mensen. Met andere woorden, de wil zit niet tussen de oren. In hersenen zullen we geen wil of een module voor wilsbesluiten aantreffen.
De truc die filosofen wel eens uithalen, en die ik hierboven ook heb uitgehaald, is om het werkwoord willen te koppelen aan het zelfstandig naamwoord wil. Daarna gaan we dan boeken volschrijven over onze zoektocht naar die wil. Terwijl er in eerste instantie helemaal geen probleem was. Als we van iemand zeggen dat zij of hij iets wil, dan bedoelen we niet meer dan dat het gedrag van deze persoon het best omschreven kan worden met behulp van de term willen. Als we van Saskia zeggen dat ze geen vlees op brood wil, dan betekent dat bijvoorbeeld dat ze de vleeswaren die op tafel staan niet aanraakt, of dat ze, als er slechts vleeswaren zijn, niets op brood neemt. Zoiets. Het betekent niet dat dit gedrag van Saskia voortkomt uit een wil of wilsmodule, waarmee haar besluit om geen vlees te eten wordt genomen.
Of, als we zeggen dat Els een appel wil, dan vatten we daarmee een aantal waargenomen gedragingen van Els samen, en geven we heel losjes een voorspelling van het gedrag van Els. Zo kan Els hebben rondgekeken op de plek waar doorgaans appels liggen, ze kan hebben gezegd “Ik heb zin in een appel”, of ze kan een pak appelsap uit de koelkast hebben gepakt en bijna onmiddellijk hoofdschuddend hebben teruggezet. Daarnaast verwachten we dat ze op onze vraag “Heb je zin in deze appel?” enthousiast zal reageren met “Ja, lekker!” Zolang we met de term willen het gedrag van Els in kaart brengen, is er niets aan de hand. De problemen ontstaan wanneer we ons met een filosofische blik gaan afvragen waar zich in Els die wil bevindt. Die vraag is onoplosbaar, en zal onoplosbaar blijven.
Akrasia, of wilszwakte, betekent dat iemand willens en wetens iets anders doet dan wat hijzelf het beste vindt. We nemen kettingrookster Greet als voorbeeld. Greet roept namelijk al jaren dat ze met roken wil stoppen. Een paar keer in de afgelopen jaren heeft ze inderdaad enkele weken niet gerookt. Maar dit stoppen duurde nooit lang. Inmiddels rookt Greet weer drie pakjes per dag, al roept ze nog steeds dat ze echt wil stoppen. Is er bij Greet sprake van akrasia? Weet Greet dat roken slecht is, en is de wil om te stoppen te zwak om de verslaving de baas te kunnen? Om dit voorbeeld nog wat dramatischer te maken, laten we Greet roepen:
“Oh, ik wil zo graag stoppen met roken!”
“Ik raad iedereen aan om nooit te beginnen met roken. Ik zou willen dat ik zelf nooit met roken was begonnen.”
“Wat haat ik mijzelf als ik rook.”


Wil deze dramatische Greet stoppen met roken? Nee, niet als de term willen het gedrag van Greet beschrijft. De uitspraak “Eigenlijk wil Greet stoppen met roken” heeft geen voorspellende waarde, hoe losjes ook. Als je Greet een sigaret aanbiedt, neemt ze deze zonder twijfel aan. Ze zal je zelfs vragen om een vuurtje. Uit het gedrag van Greet blijkt dus op geen enkele wijze een drang om te stoppen met roken. Integendeel, als we sec naar het gedrag van Greet kijken, heeft ze juist een sterke drang tot roken. Na het eten, in een restaurant, zal Greet voordat het dessert op tafel komt, naar buiten glippen om een sigaret op te steken. Greet wil roken.
Maar wat betekent het dan als Greet zegt dat ze wil stoppen? Dat kan op drie manieren worden uitgelegd. (1) Het kan zo zijn dat Greet gewoon liegt. Ze zegt dat ze wil stoppen, terwijl ze, zoals uit haar gedrag blijkt, helemaal niet wil stoppen. (2) Greet kan een nogal groot gebrek aan zelfkennis hebben. Ze zegt dat ze wil stoppen, maar ze heeft niet door dat ze dat helemaal niet wil. (3) Greet liegt niet, en heeft geen gebrek aan zelfkennis, maar wil gewoon graag zeggen dat ze wil stoppen met roken. Mensen reageren namelijk erg positief als Greet dat zegt. In dit laatste geval wil Greet roken en daarnaast wil ze zeggen dat ze wil stoppen met roken.
Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste mogelijkheid, al heeft de verklaring van een domme Greet (2) ook wel wat, en is zelfs Greet als leugenaar (1) niet zomaar uit te sluiten. Ik kies 3 omdat de uitspraken dat Greet wil roken én dat ze wil zeggen dat ze wil stoppen met roken, een voortreffelijke voorspellende waarde hebben. Je hoeft geen helderziende te zijn om op basis van 3 af te leiden dat Greet op het volgende verjaardagsfeest samen met de andere rokers in de tuin zal staan te paffen, om daarna onder het naar binnenlopen tegen de gastheer te zeggen: “Binnenkort ga ik echt stoppen”. Dit gedrag volgt keurig uit 3.
Bestaat akrasia? Speelt het bij Greet een rol? Nee, want Greet doet precies wat ze wil, roken en zeggen dat ze wil stoppen met roken. Ik denk dat alle gevallen van akrasia op deze manier geherformuleerd kunnen worden. Van akrasia is slechts sprake als we er vanuit gaan dat de wil een faculteit van de geest of een module in het brein is. Maar als we daar vanuit gaan verzinken we spoorslags in een nog veel groter en dieper moeras van filosofische gedachtespinsels. Het is beter te zwijgen over dat wat we praktisch gezien toch niet nodig hebben.

donderdag 24 december 2009

Apen & Wolven
















KERST 2009

Het boek is van Mark Rowlands: The Philosopher and the Wolf: Lessons from the Wild on Love, Death and Happiness. Het thema is zowel eenvoudig als complex. Eenvoudig omdat iedereen het onderscheid tussen een berekenend apenbrein en een innig met de wereld verbonden wolvenbrein kan begrijpen. Complex omdat de schoonheid en waarde van een wolvenbrein niet berekenend mag worden beschreven.
Vanuit een cognitief perspectief zijn we simpele wezens. We zoeken genot en vermijden pijn. De stoïcijnen, Epicureërs, hedendaagse hedonisten, en zelfs de boodschappers van het Hiernamaals verkondigen eensgezind de boodschap van het genot van de afwezigheid van pijn, nu of als het aardse leed is geleden. En natuurlijk hebben ze gelijk. Wie wil er nu geen leven zonder pijn of ongeluk? Wie wil er nu lijden? Wie wil er nu niet een fijn gezelschap, een fijn salaris, een fijn boek, fijn genieten van goed eten en een glas wijn, fijn vrij zijn van angst en woede? Moet mindfulness niet tot Happinez leiden? Wie geen pijn lijdt loopt toch niets waardevols mis in haar leven?
Utilisme is de ethische theorie die de inhoud van deze opvatting verwoordt. Handel zodanig dat de hoeveelheid genot in de wereld toeneemt. Is er een beter handelingsvoorschrift te bedenken? Ook het egoïsme, de basis voor het kapitalisme, is op deze leest geschoeid. Handel zodanig dat uw genot (of uw vermogen) toeneemt. Of het zombie-egoïsme: handel zo dat u na uw dood zult worden beloond. Volgens sommige evolutionisten is het zelfs de reden waarom we anderhalve kilo hersenen achter onze ogen hebben. Handel zodanig dat u al genietend de meeste achterkleinkinderen krijgt. Daarom verschaffen de zintuigen informatie op basis waarvan onze hersenen het meest gunstige handelingsalternatief berekenen. Als iedereen dat consequent doet, en zo nu en dan rekening houdt met een ander, zullen we allemaal gelukkig worden. Nu of anders na onze dood.
Maar hoe aanlokkelijk dit perspectief ook klinkt, hoe het ook moge kloppen voor de wereld, het kan niet de waarheid zijn over ons leven, zo schrijft Rowlands. Op onze beste momenten zijn we geen cognitieve, naar veiligheid of genot hunkerende apen. Op onze beste momenten rekenen we niet. Onze beste momenten zijn de momenten waarop we ons niet kunnen verzetten tegen een verschrikkelijk lot, de momenten waarop we lijden, de momenten waarop alle berekeningen terzijde worden geschoven omdat er geen hoop meer is.
We zijn op ons best als de vijfennegentig pond zware pitbull van het leven ons bij de strot heeft en tegen de grond drukt. En we zijn slechts puppies van drie maanden, zo gemakkelijk te verscheuren. We gaan pijn lijden, en we weten ‘t, en er is geen hoop. Maar we janken of jammeren niet. We vechten niet eens. In plaats daarvan stijgt uit de diepte van onze ziel een grommen op, een kalm en sonoor grommen dat onze kwetsbare leeftijd en existentiële breekbaarheid logenstraft. Dat grommen zegt: “F**k you!”
Kerst is het feest van de hoop, van de wederkeer van het licht. Althans, zo is mij in een niet geseculariseerde versie op zondagschool geleerd. Hoop voor mijn kinderen en dierbaren op een gelukkig leven, vol genotsmomenten en met een minimum aan pijn. Daarom vind ik Kerst een mooi feest. En daarom vind ik Serious Request het mooiste radioprogramma aller tijden. (Dit jaar staat het Glazen Huis zelfs bij mij om de hoek.)
Maar soms is er geen hoop meer. Soms moet je pijnlijk afscheid nemen van dat wat je dierbaar is, dat wat je ziel raakt, dat wat je ziel maakt. Soms houd je een hand vast waarvan je weet dat die nooit meer in de jouwe zal knijpen. Op die momenten weet dat het laatste uur heeft geslagen, dat je geen flintertje hoop meer zult krijgen. Op die momenten kun je slechts tegen de hemel huilen: “G*dv*r…!”
Hoop is de tweedehands autoverkoper van het menselijk bestaan: zo vriendelijk, zo geloofwaardig. Maar je mag er niet op bouwen. Het belangrijkste in je leven is wat er van je overblijft als je hoop op is. De tijd neemt ons uiteindelijk alles af. Alles wat we hebben vergaard, door talent, ijver en geluk, zal ons worden ontnomen. De tijd ontneemt ons onze kracht, onze verlangens, onze doelen, onze plannen, onze toekomst, ons geluk en zelfs onze hoop. Alles wat we kunnen hebben, alles wat we kunnen bezitten, de tijd zal het ons ontnemen. Maar wat de tijd ons nooit kan ontnemen is wie we waren op onze beste momenten.
Vanavond om acht uur ga ik de dj’s toejuichen als ze het Glazen Huis verlaten. Er is goede hoop dat we malaria ooit uitbannen als dodelijke ziekte. Er is goede hoop dat we een opwarmende aarde overleven. Er is goede hoop dat de armsten ooit zullen mee-eten van onze rijkdom. En het is Kerst, een tijd om stevig te omarmen wat je dierbaar is.


Nawoord
- De wolf op de foto naast Monkie van is Brennie. Henny Spoelder bracht Brennie mee. Waarschijnlijk omdat zij aanvoelde dat de aap moest worden aangevuld met een wolf aan zijn rechterzijde. Dank daarvoor.
- De citaten komen, zoals u al vermoedde, uit het boek van Rowlands. De Nederlandse vertaling van dit boek is zeer slecht. Woorden en nuances zijn niet vertaald, en een enkele keer staat in het Engelse origineel het tegengestelde van de vertaling. Bovenstaande citaten zijn daarom door mij hertaald. Leg dus bij voorkeur niet de Nederlandse vertaling van dit boek onder de kerstboom:

De filosoof en de wolf

Lees liever het origineel:

The Philosopher And The Wolf

maandag 16 juni 2008

Een kiem voor levensgeluk

















Laten we eens niet beginnen aan de religieuze, cryptoreligieuze, mystieke of esoterische kant. Laten we ons in ons denken eens niet laten leiden door dogma’s of ervaringen die de rationaliteit ver te boven gaan. Laten we eens beginnen bij de menselijke kant. Laten we beginnen bij de kant van het levensgeluk en het verstand.
Als we daar beginnen is er namelijk helemaal geen probleem. Dan is embryoselectie zo voor de handliggend dat het in sommige gevallen zelfs misdadig is om het niet te doen. Dan is orgaandonatie zo vanzelfsprekend dat te lang wachten met transplantatie na het overlijden in het Wetboek van Strafrecht opgenomen zou moeten worden. Waarom discussiëren wij over deze vragen? Waarom staan de niet-religieuze politieke partijen niet en bloc op om de stormvloed van irrationaliteit te keren die ons ethische landschap aan het teisteren is? Waarom staan we toe dat dogma’s en 2000 jaar verouderde teksten de levens bedreigen van mensen die behept zijn met ernstige erfelijke aandoeningen? Waarom staan we toe dat deze mensen levensgeluk wordt ontnomen, net zoals we hebben toegestaan dat kettervervolging, kruistochten, heksenjacht, slavernij en een verbod op condooms het levensgeluk van velen hebben vernietigd? Waarom buigen we voor opvattingen die niet aan het verstand ontsproten zijn maar aan het principieel onkenbare?
Levensgeluk is dat waar het om draait in een ethiek zonder irrationele wortels. En levensgeluk is geen eigenschap van een klompje cellen, en ook niet van een orgaan uit een gestorven lichaam. Levensgeluk is een eigenschap van het biografisch leven van mensen. Zonder een mens die leeft, liefheeft, beslissingen neemt, twijfelt, angsten kent en vreugde kan er geen sprake zijn van levensgeluk. En als we aan de kant van levensgeluk beginnen dan is embryoselectie een plicht. Met embryoselectie wordt immers bijgedragen aan het levensgeluk van aanstaande ouders uit families die ontwricht worden door vreselijke ziekten.
En we zouden op nog veel meer moeten selecteren dan op ziekten die met een hoge waarschijnlijkheid optreden en dodelijk zijn. Psoriasis lijkt mij een goed voorbeeld. Dat is een in de meeste gevallen niet levensbedreigende huidziekte waar heel goed mee te leven is. Aan de andere kant, het is wel lastig, en zeker als de puberteit over de toppen van onzekerheid scheert kan het tot wanhoop leiden. Als embryoselectie een fluitje van een cent zou zijn geweest, had ik gekozen voor nazaten waaraan ik dit gen zeker niet had doorgegeven, mede om zo bij te dragen aan een wereld waarin psoriasis niet meer voorkomt.
Van een glijdende schaal is hierbij uiteraard geen sprake. De grens is al jaren klip en klaar. Alle ziekten waarbij we nu miljoenen euro’s uitgeven aan geneesmiddelen en behandelingswijzen mogen, als dat kan, met behulp van embryoselectie worden vermeden. Daarmee wordt het levensgeluk van mensen met die ziekten geen cent minder waard (anders zouden we er nu niet zoveel aan uitgeven), en erkennen we tegelijk dat een ziekten levensgeluk in de weg kunnen staan (anders zouden we nu niet streven naar genezing). Slechts zij die aan een klompje van acht cellen een of andere mysterieuze status toekennen zullen menselijk levensgeluk willen opofferen. Henk Jochemsen van het Lindeboom Instituut, christelijk studiecentrum voor medische ethiek, verwoordde deze irrationaliteit prachtig in De Volkskrant van afgelopen zaterdag:
“Het leven, ook dat van een embryo, bergt een geheim dat om respect vraagt. […] Wij willen het leed van vrouwen met een erfelijke vorm van borstkanker helemaal niet van tafel vegen. Maar het betekent niet dat je zover mag gaan dat je kwaliteit van leven selecteert.”
Een geheim op basis waarvan we mensen levensgeluk ontnemen. Tegen euthanasie, tegen abortus, tegen embryoselectie, tegen inenting, tegen levensgeluk op basis van een geheim? Daar kan de plicht tot het bevorderen van het levensgeluk van jezelf en dat van anderen inderdaad niet tegen op.
Orgaandonatie is in dat licht helemaal een bizar vraagstuk aan het worden. Aan de ene kant zijn er dode mensen waarop de term levensgeluk niet langer van toepassing is, aan de andere kant mensen van wie het levensgeluk oneindig zou kunnen worden vergroot met behulp van organen uit die dode mensen. Wat is het probleem?! Leeghalen dat dode lichaam, zo snel mogelijk! Wat voor overwegingen kunnen nabestaanden ertoe brengen geen toestemming te geven? Lees de eerste regels van dit stuk nog eens. Als we beginnen bij de menselijke kant, bij de kant van het levensgeluk, is orgaandonatie na overlijden een onvermijdelijke plicht. Dat er mensen zijn die orgaandonatie op basis van een religieus geheim of een mysterieus gevoel liever vermijden is diep en diep triest. Vanaf de menselijke kant bezien is het zelfs misdadig.
Er zijn veel ethische vraagstukken waarover we ons het hoofd moeten breken omdat ze er toe doen, omdat de antwoorden bepalend zijn voor het levensgeluk van onze dierbaren, naasten, verre naasten en toekomstige generaties. Maar er zijn ook ethische vraagstukken die slechts bestaan bij de gratie van voortwoekerende irrationaliteit. Dat daarmee levensgeluk wordt geofferd aan het onkenbare is niet langer een geheim.

woensdag 9 april 2008

Stierenvechten

Stel dat u als stierkalf was geboren, en u kreeg de volgende keus voorgelegd: “Wat wil je? Opgroeien als vleeskalf in Nederland of opgroeien in een weiland in Spanje en je leven eindigen in gevecht met een toreador?” Het kan natuurlijk aan mijn testosteronniveau liggen, maar ik zou kiezen voor dat laatste, hoe gruwelijk pijnlijk en langzaam de dood in de arena ook zou zijn. Vrij rondlopen in de wei, goed voer krijgen, sterk worden, woest mogen blijven, wellicht nog een keer wat sperma doneren en als afsluiting ten overstaan van een groot publiek de kans om een toreador op de hoorns te nemen. Zet dat eens af tegen een leven als vleeskalf. In zes maanden vetgemest en als nummer afgevoerd naar het slachthuis.
Waarom strijden weldenkende mensen tegen stierenvechten? Hopelijk niet omdat de Spaanse stieren er erger aan toe zijn dan de kalveren die mijn tartaartje leveren. Dat zijn ze namelijk niet. Vleeskalveren leiden een korter en zinlozer bestaan dan de stieren die door de straten van Pamplona rennen. Waarom vinden mensen stierenvechten walgelijk, maar hebben ze nauwelijks problemen met de intensieve veehouderij, en al helemaal niet met hun stukje kipfilet, of broodje rosbief?
De afkeer van stierenvechten heeft niets met dierenleed te maken. Dierenleed interesseert de meesten van ons geen jota. Uiteraard vinden we een zeehondje dat wordt doodgeknuppeld zielig, en een stier met pennen in zijn rug afschuwelijk en een walvis die geharpoeneerd een boot wordt binnengetrokken stotend, maar die afkeer heeft niets met dierenleed te maken. Wij zijn bang voor onze eigen wreedheden, niet voor het leed van dieren. Stierenvechten willen we niet zien omdat het ons confronteert met een verschrikkelijke waarheid: we doden dieren om ze op te eten, en dieren eten vraagt om vetmesten, om slachten, om bloed, kortom om wreedheden.
Chimpansees eten vlees. Zo nu en dan drijft een groep chimpansees een jonge baviaan in het nauw. Degene die het onfortuinlijke, krijsende jong te pakken krijgt begint direct aan het feestmaal. Hij zet zijn enorme hoektanden in het schedeltje en geniet van de nog lauwwarme hersenen. Wreed? Ja zeker, ik zou niet met het jong van plek willen ruilen. Zou ik aan de andere kant als chimpansee een opwindende jachtpartij en een lekkere hap bavianenhersens versmaden? Chimpansees houden net zo veel van vlees als wij. En zijn daarom net zo wreed als wij.
Het verschil is dat wij onze wreedheden niet willen waarnemen. Wij verbannen onze wreedheden tot achter de horizon, zodat we wreed kunnen zijn zonder het onder ogen te zien. We beschouwen onszelf als geciviliseerde, gepacificeerde, intelligente, liefhebbende mensapen. En we doen er alles aan om dat beeld in stand te houden. Wreed zijn de anderen, wij niet. Wij zitten immers gezellig met het hele gezin om kwart voor zes aan het avondeten en bespreken de vreselijke gemene Spaanse mannen die van stierenvechten houden.
Ondertussen kleeft er bloed van kinderen aan onze jeans, verwerken arbeiders voor een hongerloon de kankerverwekkende onderdelen van onze oude apparaten, verbouwen boeren uit de derde wereld vaak onder erbarmelijke omstandigheden onze bananen, cacao en koffie, en voorziet de bio-industrie ons van alle gewenste vleeswaren en eieren, allemaal zonder dat we één druppel bloed of andere ellende hoeven te zien. Je zal maar een buurman hebben die een geit op zijn balkon slacht!
Door ons ideaalbeeld op onze omgeving te projecteren verworden discussies rond dierenleed tot salondiscussies over wat wij chique vinden en wat niet. We willen vooral geen beesten zijn. Maar een rijkelijke maaltijd aan een keurig gedekte tafel in een drie sterren restaurant, omrand met een voortreffelijke wijn die volgens de etiquette is geproefd, maakt ons niet minder wreed dan een chimpansee die zijn tanden zet in een vers gevangen bavianenjong. Het maakt ons ook niet meer geciviliseerd dan een stierenvechter die ten minste nog het lef heeft zijn eigen lijf en leven op het spel te zetten.
Niet de voorspelbare uitkomst, noch de pijn of het bloed maakt de aanblik van een stierengevecht ondraaglijk, maar de wetenschap dat het schouwspel laat zien wat we zijn.