Posts tonen met het label metafysica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label metafysica. Alle posts tonen

dinsdag 1 juni 2010

Welkom in Youtopia

In Welkom in Youtopia beschrijft Menno van der Veen de wereld van de Youtopisten.
Youtopisten zijn mensen die leven in een door henzelf gesponnen cocon. Ze praktiseren de maakbaarheid van het egocentrische leven. Youtopisten zijn de alfa en omega van hun cocon, en verzamelen in hun nest alle en uitsluitend die elementen waarmee zij zichzelf kunnen verwerkelijken of verrijken. Youtopisten zijn niet noodzakelijk egoïsten. Maar het zorgen voor anderen gebeurt slechts als het bijdraagt aan het eigen welbevinden. Van opoffering kan dus geen sprake zijn. De buitenwereld dwingt het gedrag van Youtopisten niet af, de buitenwereld is slechts het decor waartegen het zelfgeregisseerde leven van de Youtopist zich afspeelt.
Wellicht bent u in de veronderstelling dat Youtopia en de Youtopisten iets met nieuwe media of technologie (Youtube) hebben te maken. Laat ik u direct geruststellen: dat is niet zo. Volgens Van der Veen vormen de Youtopisten een normale (zij het enigszins elitaire) maatschappelijke klasse. Naast egocentrisme is de meest in het oog springende eigenschap van de leden van deze klasse dat ze met het grootste gemak van rol wisselen, en zich met geen enkele positie diep vereenzelvigen:
Carrièretijger, voetballer, geëngageerd burger, loverman. Zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist, discobabe. Hoeveel persoonlijkheden heb je precies? Of beter, hoeveel rollen weet je overtuigend te spelen?
Youtopisten willen zich niet vereenzelvigen met één rol. Ze ontlenen hun identiteit niet aan dienstjaren, religie of de strepen op een uniform. Als ze hun uniform, doktersjas of kostuum uittrekken, zijn ze andere mensen.
[Pagina 41]
In dit citaat komt de subtiele, maar alles doordringende denkfout van Van der Veen duidelijk aan het licht. Hij verzuimt de termen persoonlijkheid en rol helder te onderscheiden. Daarom zal ik hier het verschil tussen deze termen uiteenzetten, alvorens het betoog van Van der Veen te wegen.

Een actrice speelt rollen. Als Carice na een dag hard werken van de set stapt, zich afschminkt en haar alledaagse klofje aantrekt, dan is ze gewoon weer Carice van Houten. De rol die ze aannam is verdwenen, en ze wordt weer degene die ze ’s ochtends was voordat ze zich liet omkleden en schminken. De rollen die Carice speelt, zijn niet meer dan kostuums die ze aan en uit kan trekken. Naar dit type rollen verwijst Van der Veen in het bovenstaande citaat. Dit zijn de rollen waarachter een andere, waarachtigere, authentiekere persoonlijkheid schuilgaat.
Dit type rol is echter niet te vergelijken met de verschillende persoonlijkheden die iemand kan hebben. Het zelf wordt gevormd door de verzameling posities die een persoon kan innemen. Het zelf is dus een verzameling inherent waarachtige persoonlijkheden, en geen verzameling maskers. Achter die persoonlijkheden gaat niet nog eens een essentiële of echte of diepe of authentieke persoonlijkheid schuil. De zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist en discobabe zijn geen rollen van een diepere persoonlijkheid, maar aspecten van een en dezelfde persoon. Facetten van dezelfde groeibriljant, om maar eens een positiever beeld te gebruiken. Youtopisten slijpen zichzelf totdat ze schitteren in een omgeving van doffe mensen die hun persoonlijkheid nemen zoals ze die in beginsel aantreffen, en daar hoogstens wat rolletjes aan op hangen.
Van der Veen combineert psychologisch essentialisme met Platoons/Kantiaanse maatschappijkritiek, en daardoor slaat hij de plank mis. Zijn belangrijkste conclusie is dat de cocons van de Youtopisten onderling en in breder maatschappelijk verband onverenigbaar kunnen zijn, omdat in iedere cocon een specifieke maatstaf voor goed en kwaad, mooi en lelijk, van kracht is. Wat Van der Veen hierbij over het hoofd ziet is dat een Youtopist met als facet, bijvoorbeeld, een praktisch idealist, gedwongen is haar handelen in dat facet in overeenstemming te brengen met de groep waar zij deel vanuit wil maken. Hetzelfde geldt al voor een fitnessjunk die deelneemt aan een bewegingsklasje. Het innemen van diverse posities in de intermenselijke wereld, leidt tot het bijslijpen van persoonlijkheidsfacetten. Niet de essentiële persoon hoort centraal te staan, maar de facetten die in verschillende omstandigheden het invallende licht verschillend reflecteren.

Welkom in Youtopia eindigt zeer zwak. Iedereen kan bedenken dat je opsluiten in een cocon niet de meest vruchtbare maatschappelijke houding is. Iedereen begrijpt dat je je, als je uit je cocon komt, zult moeten aanpassen aan anderen. Iedereen snapt dat het fanatisme waarmee je in je dromen de wereld wilt verbeteren in werkelijkheid wel eens contraproductief kan zijn. Van der Veen beschrijft deze triviale punten omslachtig door drie groepen te onderscheiden: Producenten, Youtopisten en Amateurs. Na deze groepen uitgebreid te hebben omschreven en geduid, trekt Van der Veen in hoogdravende filosofentaal conclusies die we in de omgangstaal als open deuren terzijde zouden leggen. Zo bevolken Producenten, Youtopisten en Amateurs vooral de cocon van Van der Veen. Daarbuiten zullen ze weinig waarde hebben.

De toekomstloze mens

woensdag 24 maart 2010

Een vertoning van de ziel

Gisteren organiseerde de Groningse boekhandel Selexyz een avond met de schrijvers Bert Keizer en Coen Simon. De kaarten waren een week van tevoren al uitverkocht. Logisch, want Bert Keizer schrijft over de relatie tussen hersenen en ziel, en Coen Simon maakt ruimte voor diep menselijke ervaringen zonder deze wetenschappelijk te willen verklaren. Hersenen, ziel en mystiek, wat wil een mens nog meer op een lenteavond?
Het antwoord op deze laatste vraag is wat mij betreft eenvoudig. Ik wil graag een filosofisch verrassende inhoud. Keizer had deze avond helemaal niets interessants te vertellen. Simon kwam dicht bij een aantrekkelijk filosofisch standpunt, maar koerste uiteindelijk toch heel hard een andere kant op. De avond eindigde net zo leeg als ie begon.
De titel van het boek van Keizer doet al vermoeden dat we hier niet met een filosoof hebben te maken. Onverklaarbaar bewoond is een woordspeling die de preoccupatie van Keizer pijnlijk scherp weergeeft. De menselijke geest huist kennelijk in de hersenen. Alleen hoe, is onduidelijk. Keizer geeft vage beschrijvingen. De geest huist in de hersenen zoals de stemming in een feest of een gouden medaille in de benen van Sven Kramer (voordat hij de binnenbocht ingaat). “Anatomisch is de ziel niet in ons lichaam aanwezig. Maar hij zit er, onmiskenbaar. Neurochirurgen snijden in de ziel. Anatomische veranderingen die een neurochirurg met zijn ingreep teweeg brengt, hebben altijd gevolgen voor de ziel.”
Bijna trots verklaarde Keizer dat hij het platoonse wereldbeeld van zijn opvoeding heeft verlaten. “Er bestaat geen ziel naast het lichaam. De ziel zit in de hersenen.” En daar zit ‘m nu net de kneep. Keizer heeft het wereldbeeld van zijn jeugd niet verlaten. Nog steeds denkt hij namelijk dat de menselijke ziel iets is dat ergens moet zitten. Reïficatie, “verdinglijken,” noemen filosofen dit. De geest tot een ding maken dat gelokaliseerd kan worden. Natuurlijk, snijden in de hersenen heeft gevolgen voor onze ziel. Maar volgt daaruit dat de ziel in onze hersenen zit? Heeft snijden in het lichaam niet net zo hard gevolgen voor de ziel? En, wat zijn de gevolgen van een doorgesneden liefdesband? Kunt u kiezen tussen het verlies van uw spraakvermogen of de dood van uw kind? Wat brengt meer schade teweeg in uw ziel?
Dieptepunt bij Keizer was zijn uitspraak dat je geen pijn in je hersenen voelt omdat er geen hersenen zijn waar ze de pijnsignalen naar toe kunnen zenden. Alsof onze hersenen een wezentje (een homunculus platonii) vormen, dat bij binnenkomst van informatie uit de pijnbaan roept: “Auw!” Nee, Bert Keizer, snijden in de hersenen doet geen pijn, domweg omdat er in de hersenen geen pijnreceptoren zitten. Die zitten wel in je vinger, en daarom heb je daar wel pijn en in je hersenen niet. Hersenen spelen uiteraard wel een rol bij pijn, maar niet de rol van een toneel waarop zich een pijnlijk tafereel afspeelt.

Een vragenstelster aan het eind van de avond vroeg zich af hoe haar kleinkind van drie kon weten dat een man op een foto in een ongeluk was omgekomen, terwijl de kleine deze man absoluut niet kende. Keizer keek naar Simon. Simon keek meewarig glimlachend terug. Simon stamelde daarop iets onaardigs, maar herpakte zichzelf: “Op het moment dat u zoiets wetenschappelijk probeert te verklaren verdwijnen de schoonheid en betekenis van die ervaring.” Als Simon daar was opgehouden had hij een respectabel standpunt gehad. Sommige ervaringen vragen om een wetenschappelijke verklaring, andere ervaringen spelen een rol in ons leven zonder dat we ons zorgen maken om waarheid of wetenschappelijkheid.
Maar Simon wilde meer. Hij wilde mystieke ervaringen van een kentheoretische basis voorzien, en dus trok hij een brillentheorie uit de kast. “De wereld verschijnt ons in een voorstelling. De wetenschappelijke voorstelling verschijnt als we een wetenschappelijke bril op hebben. Geloof is een andere bril. Het ene moment kijk je door de ene bril, het andere moment door een andere bril.” De bril bepaalt hoe je blik op de werkelijkheid eruit ziet. Wat bedoelt Simon precies met zo’n uitspraak? Ziet hij, net als Keizer, de geest als een toneel waar voorstellingen op verschijnen, met die verfijning dat het genre van de voorstelling wordt bepaald door een regisseur achter de schermen? En door welke bril moet ik kijken om mijn bril op de werkelijkheid te zien?
De wereld verschijnt niet in onze geest. De wereld zit buiten ons lichaam en door in die wereld te leven en bewegen kennen wij die wereld. Daardoor weten we dat kinderen van drie soms toevalligerwijs zeer filosofische uitspraken doen. Daardoor weten we dat een ziel geen ding is dat los van ons lichaam kan bestaan. Daardoor weten we dat de levensveranderende kracht van sommige ervaringen door een wetenschappelijke verklaring om zeep kan worden geholpen. Al die kennis ontstaat doordat we in de wereld leven, en de wereld beleven. Door te snijden in de innige band die ons met de wereld verbindt, snijden Keizer en Simon dieper in de ziel dan welke neurochirurg ook. Hun patiënt zal met een lege blik achterblijven.


De aflevering van Boeken hieronder geeft een goed overzicht van de denkbeelden van Bert Keizer:

Get Microsoft Silverlight

zaterdag 6 februari 2010

Akrasia en wilszwakte


De menselijke wil is een bron voor veel filosofisch vertier. De wil komt in twee smaken. Ten eerste is er de vrije wil. Daarover heb ik al eens eerder uitgebreid geschreven (Vrije Wil Binnenstebuiten). De vrije wil is geen ding, zo betoogde ik, geen neurologisch verschijnsel, geen vermogen van de ziel. De vrije wil ontstaat als talige organismen, zoals mensen, gesteund door structuren in de buitenwereld impulsieve besluiten kunnen onderdrukken, en meer afwogen hun handelingen kiezen. Met andere woorden, de vrije wil zit niet in het hoofd van mensen, maar is een eigenschap van menselijke organismen in een omgeving.
Ten tweede is er ook nog de gewone, alledaagse wil. De wil zoals in “Els wil een appel” of “Greet wil stoppen met roken.” Nu denk ik dat de termen wil en vrije wil over het algemeen weinig met elkaar hebben te maken. Hoogstens is het zo dat als een persoon iets uit vrije wil doet, deze persoon dat ook wil doen. Maar zelfs hier kan ik mij voorstellen dat het een niet in alle situaties uit het ander volgt. Wat de termen wil en vrije wil in ieder geval wel gemeenschappelijk hebben is dat ze slaan op het gedrag van mensen in relatie tot een omgeving, en niet op de geest, ziel of hersenen van handelende mensen. Met andere woorden, de wil zit niet tussen de oren. In hersenen zullen we geen wil of een module voor wilsbesluiten aantreffen.
De truc die filosofen wel eens uithalen, en die ik hierboven ook heb uitgehaald, is om het werkwoord willen te koppelen aan het zelfstandig naamwoord wil. Daarna gaan we dan boeken volschrijven over onze zoektocht naar die wil. Terwijl er in eerste instantie helemaal geen probleem was. Als we van iemand zeggen dat zij of hij iets wil, dan bedoelen we niet meer dan dat het gedrag van deze persoon het best omschreven kan worden met behulp van de term willen. Als we van Saskia zeggen dat ze geen vlees op brood wil, dan betekent dat bijvoorbeeld dat ze de vleeswaren die op tafel staan niet aanraakt, of dat ze, als er slechts vleeswaren zijn, niets op brood neemt. Zoiets. Het betekent niet dat dit gedrag van Saskia voortkomt uit een wil of wilsmodule, waarmee haar besluit om geen vlees te eten wordt genomen.
Of, als we zeggen dat Els een appel wil, dan vatten we daarmee een aantal waargenomen gedragingen van Els samen, en geven we heel losjes een voorspelling van het gedrag van Els. Zo kan Els hebben rondgekeken op de plek waar doorgaans appels liggen, ze kan hebben gezegd “Ik heb zin in een appel”, of ze kan een pak appelsap uit de koelkast hebben gepakt en bijna onmiddellijk hoofdschuddend hebben teruggezet. Daarnaast verwachten we dat ze op onze vraag “Heb je zin in deze appel?” enthousiast zal reageren met “Ja, lekker!” Zolang we met de term willen het gedrag van Els in kaart brengen, is er niets aan de hand. De problemen ontstaan wanneer we ons met een filosofische blik gaan afvragen waar zich in Els die wil bevindt. Die vraag is onoplosbaar, en zal onoplosbaar blijven.
Akrasia, of wilszwakte, betekent dat iemand willens en wetens iets anders doet dan wat hijzelf het beste vindt. We nemen kettingrookster Greet als voorbeeld. Greet roept namelijk al jaren dat ze met roken wil stoppen. Een paar keer in de afgelopen jaren heeft ze inderdaad enkele weken niet gerookt. Maar dit stoppen duurde nooit lang. Inmiddels rookt Greet weer drie pakjes per dag, al roept ze nog steeds dat ze echt wil stoppen. Is er bij Greet sprake van akrasia? Weet Greet dat roken slecht is, en is de wil om te stoppen te zwak om de verslaving de baas te kunnen? Om dit voorbeeld nog wat dramatischer te maken, laten we Greet roepen:
“Oh, ik wil zo graag stoppen met roken!”
“Ik raad iedereen aan om nooit te beginnen met roken. Ik zou willen dat ik zelf nooit met roken was begonnen.”
“Wat haat ik mijzelf als ik rook.”


Wil deze dramatische Greet stoppen met roken? Nee, niet als de term willen het gedrag van Greet beschrijft. De uitspraak “Eigenlijk wil Greet stoppen met roken” heeft geen voorspellende waarde, hoe losjes ook. Als je Greet een sigaret aanbiedt, neemt ze deze zonder twijfel aan. Ze zal je zelfs vragen om een vuurtje. Uit het gedrag van Greet blijkt dus op geen enkele wijze een drang om te stoppen met roken. Integendeel, als we sec naar het gedrag van Greet kijken, heeft ze juist een sterke drang tot roken. Na het eten, in een restaurant, zal Greet voordat het dessert op tafel komt, naar buiten glippen om een sigaret op te steken. Greet wil roken.
Maar wat betekent het dan als Greet zegt dat ze wil stoppen? Dat kan op drie manieren worden uitgelegd. (1) Het kan zo zijn dat Greet gewoon liegt. Ze zegt dat ze wil stoppen, terwijl ze, zoals uit haar gedrag blijkt, helemaal niet wil stoppen. (2) Greet kan een nogal groot gebrek aan zelfkennis hebben. Ze zegt dat ze wil stoppen, maar ze heeft niet door dat ze dat helemaal niet wil. (3) Greet liegt niet, en heeft geen gebrek aan zelfkennis, maar wil gewoon graag zeggen dat ze wil stoppen met roken. Mensen reageren namelijk erg positief als Greet dat zegt. In dit laatste geval wil Greet roken en daarnaast wil ze zeggen dat ze wil stoppen met roken.
Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste mogelijkheid, al heeft de verklaring van een domme Greet (2) ook wel wat, en is zelfs Greet als leugenaar (1) niet zomaar uit te sluiten. Ik kies 3 omdat de uitspraken dat Greet wil roken én dat ze wil zeggen dat ze wil stoppen met roken, een voortreffelijke voorspellende waarde hebben. Je hoeft geen helderziende te zijn om op basis van 3 af te leiden dat Greet op het volgende verjaardagsfeest samen met de andere rokers in de tuin zal staan te paffen, om daarna onder het naar binnenlopen tegen de gastheer te zeggen: “Binnenkort ga ik echt stoppen”. Dit gedrag volgt keurig uit 3.
Bestaat akrasia? Speelt het bij Greet een rol? Nee, want Greet doet precies wat ze wil, roken en zeggen dat ze wil stoppen met roken. Ik denk dat alle gevallen van akrasia op deze manier geherformuleerd kunnen worden. Van akrasia is slechts sprake als we er vanuit gaan dat de wil een faculteit van de geest of een module in het brein is. Maar als we daar vanuit gaan verzinken we spoorslags in een nog veel groter en dieper moeras van filosofische gedachtespinsels. Het is beter te zwijgen over dat wat we praktisch gezien toch niet nodig hebben.

zondag 28 september 2008

Extreem zinloos














’s Avonds laat, als enige klant in de McDonalds, met niet meer vertier dan de Metro van die ochtend, opende de frase “extreem zinloos geweld” een wereld aan gedachten. Ik had geen idee wat extreem zinloos geweld was. Zinloos geweld is al een lastig begrip. Is het zinloos om iemand in elkaar te slaan omdat hij met een verkeerde blik naar je vriendin kijkt? Het is fout, niet ethisch te verantwoorden, maar is het ook zinloos? En wat is dan extreem zinloos?
Logisch Positivisten hadden halverwege de twintigste eeuw een duidelijk omschreven gebruik van het begrip zinloos. Een taaluiting is zinloos als deze niet leidt tot praktisch toetsbare consequenties. De uitspraak “De werkelijkheid is één,” bijvoorbeeld, mag tot een zaligmakend rustgevend gevoel leiden, maar is op geen enkele manier toetsbaar. Er is geen waarneming te bedenken die onderscheid zou maken tussen deze uitspraak en de uitspraak “De werkelijkheid is veelvuldig.” Daarom zijn beide uitspraken zinloos, zinledig, zonder betekenis.
Zouden uitspraken ook extreem zinloos kunnen zijn? Totdat ik naast een hamburger de Metro las had ik die vraag nooit gesteld. Het schema van de Logisch Positivisten was immers afgerond. Het leek in ieder geval nutteloos om het verder uit te breiden met het etiket “extreem zinloos”. Als uitspraken onderscheiden worden die geen betekenis hebben, is het dan nog zinvol om uitspraken te onderscheiden waarvan de betekenis onder het nulpunt daalt? Als een uitspraak is ontdaan van alle betekenis, wat kan er dan verder nog af?
Terwijl ik kauwde op mijn lauwe, dunne frietjes, begon een medewerker stoelen te verzetten en tafels af te nemen. Zou zij iets tegen mij hebben kunnen zeggen dat extreem zinloos was? Zonder betekenis en … bijvoorbeeld, … uitermate ergerlijk? Dat was het! Er zijn zinloze uitspraken, maar sommige van die uitspraken zijn ook nog eens uitermate ergerlijk. Uitspraken die niet toetsbaar zijn, en daarnaast nog eens het effect hebben dat ze ergernis teweeg brengen. Of nog beter, extreem zinloze uitspraken ondermijnen zinvolle uitspraken. Extreem zinloze uitspraken zijn conversatiestoppers, zinnen die een eind maken aan iedere levendige discussie. Duizenden voorbeelden vulden mijn geest:
- Alles is relatief.
- Uiteindelijk zijn we gewoon deeltjes.
- Dat is nu eenmaal mijn mening.
- Het moet uit de lengte of uit de breedte komen.
- Volgens mijn wiskundige intuïtie is er meer dan waar en onwaar.
- Ieder heeft zijn eigen waarheid.
- Het is een kwestie van smaak.
- De Bantoe is primitief.
- De vrouw is in wezen onderdanig.
- Alle mensen zijn zondig.
- De vrije wil is niet vrij.
- Bewustzijn is een quantumverschijnsel.
Enzovoort, enzovoort.
Extreem zinloze uitspraken brengen een conversatie de doodsteek toe. Na een extreem zinloze uitspraak is iedere volgende uitspraak zinloos. Een extreem zinloze uitspraak leidt niet tot een voortzetting van een discussie, maar tot de vernietiging ervan.
Enigszins opgewekt begon ik aan de McOriental, mijn favoriete burger van het moment. Het idee van extreem zinloze taaluitingen sloot mooi aan bij de notie van extreem zinloos geweld. Ik had zinloos geweld altijd gedefinieerd als geweld dat geen verband hield met andere beweegredenen van de dader dan het geweld zelf, of een bredere obsessie met geweld. Iemand of iets fysiek schaden om het fysieke schaden. Happy slapping is zinloos geweld, net zoals een toevallige voorbijganger in elkaar slaan en vandalisme. Extreem zinloos geweld is dan geweld dat onbedoeld ondermijning van het menselijk verkeer tot gevolg heeft. Zonder dat de dader erop uit is ontwricht extreem zinloos geweld de samenleving, zaait angst en haat, ondermijnt iedere poging tot interactie tussen mensen, en blokkeert daarmee de weg tot menselijk geluk. Aangezien het allemaal onbedoeld is, schijnt de achterlijkheid van de plegers fijntjes door hun extreem zinloze geweld heen.
De voorbeelden dwarrelden weer voor mijn geestesoog, net zoals het besef dat mijn ideeën bij thuiskomst waarschijnlijk niet houdbaar zouden blijken te zijn en wellicht zelfs zinloos. Zou er ook sprake kunnen zijn van extreem zinloos verbaal geweld?
De uitspraak “Een halve liter ice tea is teveel om half twaalf ’s nachts” leidt in ieder geval wel tot toetsbare consequenties.

Logical Positivism
Logical Positivism
A. J. Ayer

donderdag 14 augustus 2008

Metafysica Rothkowitzica

“Mijn ogen doen heel anders bij kleuren. Ik ga binnenkort naar de tentoonstelling van Rothko in Hamburg en laat me overweldigen door zijn gebruik van kleur. Nooit zou iemand uit Spanje zo kunnen schilderen, denk ik.”
Anonieme reactie op het vorige blog, Metafysica Hispánica.

“I realize that historically the function of painting large pictures is painting something very grandiose and pompous. The reason I paint them, however . . . is precisely because I want to be very intimate and human. To paint a small picture is to place yourself outside your experience, to look upon an experience as a stereopticon view or with a reducing glass. However you paint the larger picture, you are in it. It isn’t something you command!”
Mark Rothko

“[Ik] keek vol genot om mij heen. Wat ik ervoer was een zee van licht en kleuren. Daarin vermoedde ik gebouwen, appartementen, ingerichte kamers, stenen, mensen en weet ik wat al niet meer. Maar ik ervoer kleuren.”
Uit het vorige blog, Metafysica Hispánica





“Wat Locke dus een secundaire kwaliteit noemde, komt als een van de eerste zaken bij mij binnen. Waarom dan een secundaire kwaliteit?”
Uit het vorige blog, Metafysica Hispánica

"…the fact that one usually begins with drawing is already academic. We start with color."
Mark Rothko

maandag 11 augustus 2008

Metafysica Hispánica

Dankzij John Lockes (1632-1704) onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten zijn kleuren op de tweede plek beland van het ontologisch ereschavot. Nu zijn frasen als “ontologie” en “primaire en secundaire kwaliteiten” van die verrukkelijk hoogdravende filosofische termen die ons heel veel denkwerk opleveren, met heel veel letters tot gevolg, maar die bij nadere bestudering weinig om het lijf blijken te hebben. Toch heeft het onderscheid van Locke zijn weg gevonden naar het gezonde verstand. Het is dan ook een aantrekkelijk onderscheid: primaire kwaliteiten bestaan onafhankelijk van de waarnemer, secundaire kwaliteiten zijn waarnemer afhankelijk. Als voorbeelden van primaire kwaliteiten noemde Locke vorm, grootte, aantal, inhoud en dichtheid. Secundaire kwaliteiten zijn kleur, smaak, reuk en geluid. Het onderscheid valt zo mooi samen met het onderscheid tussen objectief en subjectief. Over smaak valt te twisten, maar over aantal niet. Als de mensheid zou uitsterven zouden de overblijvende objecten op de aarde nog steeds een vorm, grootte, aantal, inhoud en dichtheid bezitten. Maar zonder mensen zijn er geen vruchten die zoet smaken, stegen die stinken, rode zonsondergangen, of krakende geluiden van een zoldertrap. Natuurlijk zijn er zonder de mensheid nog wel deeltjes, chemische reacties, trillingen en energie, maar deze worden niet langer waargenomen als kleur, smaak, reuk of geluid.
Althans, volgens Locke, want in Spanje bekroop mij weer het gevoel dat Locke er ook naast zou kunnen zitten. Laten we, om te zien waarom, eens beginnen bij de biologie, in plaats van bij de filosofische metafysica. Wij zijn biologische wezens met een uitgebreid waarnemingsapparaat. Dat waarnemingsapparaat stelt ons in staat bepaalde aspecten van de omgeving te detecteren, met name aspecten die voor ons overleven van belang zijn, zoals voedsel, soortgenoten en bedreigingen. Om dit te bewerkstelligen moet ons waarnemingsapparaat uit alle mogelijke aspecten van de omgeving die aspecten filteren die voor ons van belang zijn.
Dit laatste klinkt triviaal, maar is het niet. Sinds
Immanuel Kant (1724-1804) zijn hele scholen filosofen behept met het idee dat het menselijk waarnemingsapparaat niet zozeer de omgeving filtert, maar van de omgeving een beeld construeert. Op basis van de prikkeling van de zenuwuiteinden in de zintuigen construeert ons waarnemingsapparaat een beeld van de werkelijkheid. Dat is op zich geen gek idee. Iedere wetenschappelijke theorie komt op die wijze tot stand, net zoals economische modellen en de weerkaart. Theorieën en modellen geven inderdaad een beeld van de werkelijkheid dat door mensen is geconstrueerd. Maar geldt hetzelfde voor waarnemingen, geldt hetzelfde voor alle waarnemingen?
De technische details van deze discussie sla ik nu even over, sterker nog, ik sla de hele discussie over, om onmiddellijk naar de conclusie te gaan. Het waarnemingsapparaat kan ook worden beschouwd als een filter dat bepaalde aspecten van de werkelijkheid doorlaat en andere niet. Neem ons oog, neem mijn niet-kleurenblinde oog. Mijn oog filtert uit alle mogelijke aspecten van de omgeving licht en kleuren in een veelheid van schakeringen. Mijn oog doet niets met geluidsgolven, of met chemische componenten van de lucht, of het zuurstofgehalte, of de sterkte van het zwaartekrachtveld. Mijn oog laat slechts licht en kleur door. Mijn oog is een licht- en kleurenfilter.
Iedere ochtend nadat ik bij de bakker in Barreda was geweest, keek ik vol genot om mij heen. Wat ik ervoer was een zee van licht en kleuren. Daarin vermoedde ik gebouwen, appartementen, ingerichte kamers, stenen, mensen en weet ik wat al niet meer. Maar ik ervoer kleuren.

Wat Locke dus een secundaire kwaliteit noemde, komt als een van de eerste zaken bij mij binnen. Waarom dan een secundaire kwaliteit? Omdat een kleurenblinde ook alle waarnemingen kan doen die voor natuurkunde van belang zijn? Omdat natuurkunde ook uitgelegd kan worden op een zwart-wit televisie? Dat mag allebei waar zijn, maar dat wil niet zeggen dat kleuren niet onafhankelijk van mensen bestaan. Het wil slechts zeggen dat het natuurkundefilter geen kleur doorlaat (en dus kleur moet uitlegen in termen van trillingen en deeltjes).
Als Locke in Spanje had gewoond, en niet in het grauwe Engeland en Nederland, dan hadden we nu wellicht materie uitgelegd aan de hand van kleur, en ons afgevraagd wie zich nog over vorm, grootte, aantal, inhoud en dichtheid zou verwonderen als de mensheid zou zijn uitgestorven.
Gelukkig is het maar metafysica.