Posts tonen met het label essentialisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label essentialisme. Alle posts tonen

dinsdag 1 juni 2010

Welkom in Youtopia

In Welkom in Youtopia beschrijft Menno van der Veen de wereld van de Youtopisten.
Youtopisten zijn mensen die leven in een door henzelf gesponnen cocon. Ze praktiseren de maakbaarheid van het egocentrische leven. Youtopisten zijn de alfa en omega van hun cocon, en verzamelen in hun nest alle en uitsluitend die elementen waarmee zij zichzelf kunnen verwerkelijken of verrijken. Youtopisten zijn niet noodzakelijk egoïsten. Maar het zorgen voor anderen gebeurt slechts als het bijdraagt aan het eigen welbevinden. Van opoffering kan dus geen sprake zijn. De buitenwereld dwingt het gedrag van Youtopisten niet af, de buitenwereld is slechts het decor waartegen het zelfgeregisseerde leven van de Youtopist zich afspeelt.
Wellicht bent u in de veronderstelling dat Youtopia en de Youtopisten iets met nieuwe media of technologie (Youtube) hebben te maken. Laat ik u direct geruststellen: dat is niet zo. Volgens Van der Veen vormen de Youtopisten een normale (zij het enigszins elitaire) maatschappelijke klasse. Naast egocentrisme is de meest in het oog springende eigenschap van de leden van deze klasse dat ze met het grootste gemak van rol wisselen, en zich met geen enkele positie diep vereenzelvigen:
Carrièretijger, voetballer, geëngageerd burger, loverman. Zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist, discobabe. Hoeveel persoonlijkheden heb je precies? Of beter, hoeveel rollen weet je overtuigend te spelen?
Youtopisten willen zich niet vereenzelvigen met één rol. Ze ontlenen hun identiteit niet aan dienstjaren, religie of de strepen op een uniform. Als ze hun uniform, doktersjas of kostuum uittrekken, zijn ze andere mensen.
[Pagina 41]
In dit citaat komt de subtiele, maar alles doordringende denkfout van Van der Veen duidelijk aan het licht. Hij verzuimt de termen persoonlijkheid en rol helder te onderscheiden. Daarom zal ik hier het verschil tussen deze termen uiteenzetten, alvorens het betoog van Van der Veen te wegen.

Een actrice speelt rollen. Als Carice na een dag hard werken van de set stapt, zich afschminkt en haar alledaagse klofje aantrekt, dan is ze gewoon weer Carice van Houten. De rol die ze aannam is verdwenen, en ze wordt weer degene die ze ’s ochtends was voordat ze zich liet omkleden en schminken. De rollen die Carice speelt, zijn niet meer dan kostuums die ze aan en uit kan trekken. Naar dit type rollen verwijst Van der Veen in het bovenstaande citaat. Dit zijn de rollen waarachter een andere, waarachtigere, authentiekere persoonlijkheid schuilgaat.
Dit type rol is echter niet te vergelijken met de verschillende persoonlijkheden die iemand kan hebben. Het zelf wordt gevormd door de verzameling posities die een persoon kan innemen. Het zelf is dus een verzameling inherent waarachtige persoonlijkheden, en geen verzameling maskers. Achter die persoonlijkheden gaat niet nog eens een essentiële of echte of diepe of authentieke persoonlijkheid schuil. De zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist en discobabe zijn geen rollen van een diepere persoonlijkheid, maar aspecten van een en dezelfde persoon. Facetten van dezelfde groeibriljant, om maar eens een positiever beeld te gebruiken. Youtopisten slijpen zichzelf totdat ze schitteren in een omgeving van doffe mensen die hun persoonlijkheid nemen zoals ze die in beginsel aantreffen, en daar hoogstens wat rolletjes aan op hangen.
Van der Veen combineert psychologisch essentialisme met Platoons/Kantiaanse maatschappijkritiek, en daardoor slaat hij de plank mis. Zijn belangrijkste conclusie is dat de cocons van de Youtopisten onderling en in breder maatschappelijk verband onverenigbaar kunnen zijn, omdat in iedere cocon een specifieke maatstaf voor goed en kwaad, mooi en lelijk, van kracht is. Wat Van der Veen hierbij over het hoofd ziet is dat een Youtopist met als facet, bijvoorbeeld, een praktisch idealist, gedwongen is haar handelen in dat facet in overeenstemming te brengen met de groep waar zij deel vanuit wil maken. Hetzelfde geldt al voor een fitnessjunk die deelneemt aan een bewegingsklasje. Het innemen van diverse posities in de intermenselijke wereld, leidt tot het bijslijpen van persoonlijkheidsfacetten. Niet de essentiële persoon hoort centraal te staan, maar de facetten die in verschillende omstandigheden het invallende licht verschillend reflecteren.

Welkom in Youtopia eindigt zeer zwak. Iedereen kan bedenken dat je opsluiten in een cocon niet de meest vruchtbare maatschappelijke houding is. Iedereen begrijpt dat je je, als je uit je cocon komt, zult moeten aanpassen aan anderen. Iedereen snapt dat het fanatisme waarmee je in je dromen de wereld wilt verbeteren in werkelijkheid wel eens contraproductief kan zijn. Van der Veen beschrijft deze triviale punten omslachtig door drie groepen te onderscheiden: Producenten, Youtopisten en Amateurs. Na deze groepen uitgebreid te hebben omschreven en geduid, trekt Van der Veen in hoogdravende filosofentaal conclusies die we in de omgangstaal als open deuren terzijde zouden leggen. Zo bevolken Producenten, Youtopisten en Amateurs vooral de cocon van Van der Veen. Daarbuiten zullen ze weinig waarde hebben.

De toekomstloze mens

vrijdag 23 oktober 2009

Identiteit v2.3

Patrick Neumann blijft in een identiteitscrisis zitten (lees: Indotiteit – Identiteitscrisis (deel 2)). Waarom voelt hij zichzelf geen Indo? Ik voel mij zeer met Neumann verbonden. Niet omdat we beide Indo’s zijn, dat beschouw ik als een historisch toeval. Nee, ik voel mij met hem verbonden omdat we beide een achternaam hebben waarin de letter ‘n’ overvloedig en niet geheel volgens de spellingsregels voorkomt. Wij behoren tot de selecte groep Nederlanders waarvan de achternaam Duitse wortels verraadt. Waarom voelt Neumann dit niet als een identiteitscrisis? Waarom ervaart hij het meer belastend om Indo te zijn?
De Belgische hoogleraar Paul Verhaeghe wijdt in zijn boek Het einde van de psychotherapie een hoofdstuk aan identiteit (Identiteit in tijden van eenzaamheid) dat mij uit mijn filosofisch hart is gegrepen. Verhaeghe behandelt daarin twee vragen rond identiteit. Ten eerste wat is identiteit? En ten tweede wat is het nut van een identiteit?
Voor ik verder ga zal ik drie termen uit elkaar halen die bij een discussie over identiteit van belang zijn, en nogal eens worden verward. Met de term ‘mens’ duid ik een exemplaar aan van de menselijke soort. Een baby is een mens, ik ben een mens, en Maxima is ook een mens. Met de term ‘persoon’ duid ik een mens aan die in staat is tot het nemen van zelfstandige beslissingen. Een baby is geen persoon, net zo min als een mens in coma. Maxima en ik zijn wel personen. Een individu is een persoon bekeken vanuit haar of zijn unieke eigenschappen, of unieke combinatie van eigenschappen. Wat Maxima tot een ander individu maakt dan ik, is, onder heel veel andere, het feit dat zij tot de koude kant van Beatrix behoort en ik niet.
Wat is nu de relatie tussen identiteit en individu? Door allerlei ideehistorische kronkels, waar ik nu niet op in zal gaan, worden deze termen vaak aan elkaar gelijk gesteld. Maar Verhaeghe wijst er op dat:

Identiteit etymologisch gesproken verwijst naar het geruststellende gevoel deel uit te maken van een groep waaraan men min of meer identiek is – het Latijnse identitas betekent ‘gelijkheid’ (pagina 13).

Onze identiteit maakt ons dus niet tot een uniek individu. Onze identiteit komt tot stand doordat we ons aansluiten bij een bepaalde groep, en min of meer identiek worden aan de leden van die groep. Je identiteit ontwikkelen betekent dus je qua uiterlijk en gedrag onderwerpen en aanpassen aan de mores van een groep. Deze onderwerping is vooral van moreel belang. Verhaeghe:

Bekleding, in de letterlijke en figuurlijke betekenis, is bepalend voor onze identiteit. Culturele codes en conventies beslissen hoe die bekleding en dus die identiteit er uit moet zien. (pagina 26)
Behoren tot stabiele groepen is ontzettend belangrijk. Wanneer dit ondergraven wordt, komen identiteitsbeleving, driftregulering en zinverlening op een hellend vlak terecht. (pagina 19)

Lid zijn van een stabiele groep zorgt ervoor dat we weten wie we zijn, wat we te doen hebben, en hoe we ons leven kunnen inrichten. Identiteit is daarmee een ethische notie geworden.
Met dit in ons achterhoofd kunnen we een eerste analyse van de identiteitscrisis van Patrick Neumann maken. Hij schrijft:

Iemand is wie hij is en gelukkig ben ik wie ik ben. Een èchte Indo van vlees en bloed.

Nu ben ik wat vlees en bloed betreft net zo’n echte Indo als Neumann. De vraag is alleen wat dat met mijn identiteit heeft te maken. Of, anders geformuleerd, wat voor antwoorden op vragen rond driftregulering en zinverlening komen voort uit het feit dat ik een mens van Indische afkomst ben? Hebben Indo’s een gezamenlijke moraal, mores, regels, spijswetten, een blik op de zin van het leven? Het antwoord op al deze vragen is: “Nee, dat hebben we niet.” Uit het feit dat je Indo bent volgt geen enkel zinnig antwoord op levensvragen. Indo’s vormen geen moreel culturele groep.
Wat Indo’s met elkaar verbindt is slechts hun vlees, bloed en enkele historische wederwaardigheden. Maar in Neumanns ogen is dit juist heel belangrijk. Geen wonder dat Neumann het een ramp vindt als hij als Italiaan, Spanjaard, Braziliaan, Marokkaan of Turk wordt weggezet. Daarmee wordt zijn lichamelijke bestaan, en dus zijn enige strohalm voor identiteit, ontkent.
Als ik mijn identiteit moet beschrijven zou ik ondermeer zeggen dat ik Nederlander ben, vader van twee kinderen, hedonistisch filosoof, en fanatiek hardloper. Uit het feit dat ik Nederlander ben volgen bepaalde normen en waarden, zoals omgangsregels en opvattingen over democratie, de waarde van discussie en debat en vrijheid van meningsuiting. Uit het feit dat ik hedonistisch filosoof ben volgt te veel om op te sommen. Dat ik tot de groep fanatieke hardlopers behoor bepaalt hoe ik omga met mijn gewicht, zorg voor mijn lijf en de inname van calorieën. Dit is voor de inrichting van mijn leven allemaal veel belangrijker dan het feit dat ik Indo ben. Ik heb mij aangesloten bij groepen die min of meer gedeelde ethische opvattingen, opvattingen over het goede leven, bezitten.
Iedereen heeft wel eens een romantische film gezien waarbij een blanke Europeaan werd opgenomen tussen Indianen of Samoerai. De man in kwestie, ik ken geen film waarin dit met een vrouw gebeurt, wordt door de Indianen of Samoerai beschouwd als een van hen. Hij gaat zich kleden en gedragen als Indiaan of Samoerai. Is de identiteit van deze man veranderd? Uiteraard. Hij heeft op zijn minst zijn individualiteit met een nieuw aspect verrijkt.
In dit licht is het schokkend als Neumann schrijft:

In die periode moet ik mezelf hebben aangeleerd dat ik niet bij de Indische gemeenschap hoor. Altijd was er namelijk wel een moment waarop ik iets niet snapte. Een woord of een gerecht. Als ik vroeg naar de betekenis kreeg ik dikwijls te horen: “Als je dat niet weet ben je geen echte Indo.” Of: “Weet je dat niet? En jij bent Indisch?” Dit heb ik ook vaak moeten horen: “Versta/praat je geen Maleis? Je bent toch Indisch?” Mijn vrouw zei trouwens onlangs dat ik op de laatste vraag had moeten antwoorden dat ik alleen Maleis praat tegen bedienden.

Als Indo zijn wordt bepaald door vlees en bloed, en de vraag of je wat woorden Maleis spreekt, hoe zielig zijn we dan als we ‘Indo’ aan onze identiteit willen toevoegen? Het wordt nog treuriger als de enige morele regel is dat we ons tegen onze bedienden anders gedragen dan tegen onze gelijken.
Laten we de vraag eens omdraaien. Laten we ons eens afvragen wat voor normen, waarden en levensinstelling volgen uit het feit dat iemand Indo is. Zegt Indo zijn iets over godsdienst of ethiek? Zegt het iets over uiterlijk en aankleding? Zegt het iets over gedrag? Zolang we geen mogelijkheid hebben om van personen te zeggen dat ze Indo zijn, ondanks dat ze geen enkele bloedband met Indië hebben, is voor mij Indo zijn niet veel meer dan een kleurtje, wat verhalen en een fotoalbum. Mijn Duitsachtige achternaam is ongeveer even belangrijk.
Het enige ethische element dat Indo’s verbindt dat ik kan bedenken is het volgende. Indo zijn betekent dat je weet wat het is om los van culturele geworteldheid en bloedbanden een identiteit te moeten vinden. Wij weten hoe lastig het is om door groepen als anders te worden beschouwd op grond van je uiterlijk, kleur. We weten hoe moeilijk het is om in een maatschappij tussen culturele groepen terecht te komen. Daarom zijn wij een groep die een bepaalde houding heeft tegenover tweede en derde generatie nieuwkomers van andere culturele groeperingen. Op grond van onze eigen successen en mislukkingen zetten wij ons in woord en daad in voor begrip voor deze groeperingen. Indo zijn is dus geen levensomvattende identiteit. Het is een beperkte sociaal politieke houding, maar wél een die in onze maatschappij belangrijk is.
Daarom is Geert Wilders geen Indo, en Job Cohen wel.

zondag 4 oktober 2009

Rijsttafel

Wat is een rijsttafel? Ik heb geen idee. Dat wil zeggen, ik heb geen idee wat de essentie van een rijsttafel is. Mijn definitie van ‘rijsttafel’ is pragmatisch. Als ik een rijsttafel maak kies ik hoofdgerechten, rijst en bijgerechten die ik lekker vind of waarvan ik weet dat mijn gasten ze lekker vinden. Al deze gerechten zet ik bij elkaar op tafel met voor de sfeer een batikkleedje, bamboe onderzetters en een lumpang met seroendeng. Kijk, rijsttafel!
Lizzy van Leeuwen schreef in De Groene Amsterdammer een essay over Geert Wilders. Of nee, Van Leeuwen schreef een stuk over Indo’s, over mij dus en wellicht ook over u. Het is een slecht beargumenteerd stuk, ruimschoots gelardeerd met vage associaties en met tot oorzakelijke verbanden opgeblazen samenlopen van omstandigheden. Van Leeuwen schrijft als een toean blanda die de geest van Indo’s meent te doorgronden op grond van enkele observaties over de geschiedenis en wederwaardigheden van een bevolkingsgroep die nauwelijks als groep kan worden aangeduid.
Ik zal mijn bespreking beperken tot het dieptepunt van Van Leeuwens essay. Ze schrijft: “In de jaren dertig, nog in Nederlands-Indië, sloten relatief veel Indo’s zich aan bij de NSB (zeventig procent van het ledenaantal).” Wat wil Van Leeuwen hiermee suggereren? Dat Indo’s gevoeliger waren voor de leer van de NSB? Dat extreem-rechts Indo’s in het bloed zit? Dat dit culturele bloed bij Wilders door de aderen stroomt? Wat kunnen we eigenlijk concluderen uit het feit dat 70 procent van de leden Indo was? Om iets zinnigs over dit percentage te zeggen moeten we weten wat de verhouding was tussen het aantal Indo’s en het aantal totoks (volbloed Nederlanders) in de jaren ‘30 in Indië. De gegevens zijn niet erg betrouwbaar, maar het CBS schat de verhouding 3 op 1. Dus 75% Indo tegenover 25% totok. De Indische NSB was dus gewoon een afspiegeling van de Nederlandse bevolking ter plaatse!
In 1937 telde de Indische NSB ongeveer vijfduizend leden. 70 procent daarvan was Indo. Dat zijn 3500 leden. Er waren in die tijd ongeveer 200.000 Indo’s in Indië. Dus 1,75 % van de Indo’s was lid van de NSB. (In Nederland kreeg de NSB op haar hoogtepunt tussen de 7 en 8 procent van de stemmen.) Let op, nog geen twee procent was lid van de NSB! Uiteraard klopt dit getal niet. Van de 200.000 Indo’s moeten we de kinderen afhalen, omdat die geen lid konden worden. En misschien daarom ook wel de vrouwen, omdat ze feitelijk niet snel lid werden. Maar stel, we houden dan 50.000 Indo’s over die mogelijk lid kunnen worden van een politieke partij. Dan kiest nog steeds slechts 7% voor een lidmaatschap van de NSB. Ruim 90 procent dus niet! Dus luidt de conclusie dat verreweg de meeste Indo’s niet kozen voor een lidmaatschap van de NSB, ondanks dat ze misschien wel doodsbang waren voor de teloorgang van de Nederlandse invloed in Indië en daarmee hun bevoorrechte positie. Dat zeggen de cijfers.
Maar Van Leeuwen is niet geïnteresseerd in cijfers, ze wil de essentie van de Indo begrijpen. En essenties hebben niets te maken met werkelijke cijfers. Essenties hebben te maken met de wil om een bevolkingsgroep in een bepaalde hoek te zetten, anders af te schilderen dan de andere bevolkingsgroepen. Ooit zal iemand hebben geschreven dat relatief veel Indo’s lid werden van de NSB. Van Leeuwen heeft dit door haar vooringenomenheid opgepikt als tekenend feit: Indo’s willen in wezen Hollandser zijn dan de Hollanders. Daarom hebben Indo's moeite met multiculturalisme en moslimimmigratie. Het spijt me Van Leeuwen, maar dit is kul. Het snijdt net zoveel hout als het idee dat vrouwen in wezen onderdanig zijn (en heb het lef eens mij op dit punt tegen te spreken!) of dat negers minder rationeel zijn.
Wat zijn Indo’s? Nakomelingen van blanke mannen en Indonesische vrouwen. Niet meer, niet minder. Wat we gemeenschappelijk hebben is een bepaald type voorouderlijk gedrag. Een van onze blanke voorvaderen heeft het ooit met een inlandse vrouw gedaan, en dat kind als het zijne erkend. Daardoor ontstond een tussenklasse van geen-Nederlanders-maar-ook-geen-Inlanders. Een klasse die, zoals alle klassen, hogerop wilde, richting de klasse van blanke Nederlanders. Maar ook een klasse zonder eenduidige culturele wortels. Een ratjetoe. Indisch eten, Nederlands spreken, Indisch zingen, Hollands denken, of alles omgekeerd, het maakte niet zoveel uit. Er was geen leidraad anders dan de vleselijke mengvorm en de onvermijdelijkheid en het pragmatisme van het dagelijks leven.
Ik heb ooms en tantes van uiterst links tot rechts. Ik heb neven en nichten van rockers, tot R&B-liefhebbers, tot line-dancers. Wie van hen is de echte Indo? Van Leeuwen meent het antwoord te weten, maar ze is verblind door haar drang een grote gemêleerde groep te vatten in één enkele essentie. Terwijl we, juist omdat we Indo zijn, niet zijn gevangen door vermeende essenties. Er zijn in Nederland zeker 800.000 mensen van Indische afkomst. Voor al deze mensen geldt dat ze van jongs af aan en van huis uit weten dat er alternatieven zijn voor de Nederlandse cultuur, maar dat je het in je leven wel met, en in de Nederlandse samenleving zult moeten doen.
Daardoor ervaar ik mijn culturele wortels als een rijsttafel, een ingewikkelde rijsttafel, dat wel. Met gerechten uit Nederland en Indië, en omdat er toch geen vaste regels zijn, ook gerechten uit Afrika, Azië en Amerika. Ik houd niet van de rijsttafel van Wilders. Maar, anders dan Van Leeuwen, weet ik dat het een rijsttafel is. Er staan grote schalen op die multiculturalisme of moslimimmigratie niet kunnen verdragen. Die schalen zal hij ongetwijfeld aangereikt hebben gekregen van zijn ouders of grootouders, ooms, tantes, neven of nichten. En toch, omdat hij een Indo is, moeten er ook bijgerechten zijn. Er moet ergens een gerecht zijn dat zegt dat nieuwe Nederlanders de tijd en ruimte moeten krijgen om net als wij een tafel met verschillende gerechten te ontwikkelen. Ik houd de hoop dat hij er ooit een hap van zal nemen…
Van Leeuwen reduceert Wilders, en daarmee Indo’s, tot eenheidsworst met een enkele karaktertrek als leidraad. Haar logica is daarmee gelijk aan de logica van Wilders die moslims reduceert tot hun essentie. Een logica die op basis van enkele extreme moslims of enkele extreme Indo’s naar de essentie van moslims of Indo’s redeneert is een logica die de veelvormigheid en plooibaarheid van mensen vernietigt. De logica van Van Leeuwen vernietigt de rijkheid van de rijsttafel en zet er een onsmakelijk eenpansgerecht voor in de plaats. Dàt neem ik haar zeer kwalijk.

zaterdag 14 maart 2009

Godin van het nominalisme

Volgens het essentialisme is identiteit iets dat je bezit, en dat onlosmakelijk met jouw wezen verbonden is, er wellicht zelfs mee samenvalt. Essentialisten zullen je aanmoedigen om op zoek te gaan naar jezelf, of je vragen wie je werkelijk bent, wat je diepste verlangens zijn en wat je nu eigenlijk echt wilt. Daarmee spijkeren essentialisten je vast op het kruis van je lijf en verleden, en nodigen je uit dat voortaan trots te dragen. Samenvallen met je werkelijke ik of je echte wezen ontdekken is zoveel als toegeven dat je autobiografie geschreven is, en dat de rest van je leven gekenmerkt zal worden door een eeuwige wederkeer. Uiteraard kun je je wel anders voordoen dan je bent, maar die rol zal altijd vreemd aanvoelen, en op den duur leiden tot vervreemding, stress en depressiviteit.
Voor nominalisten daarentegen is identiteit niet iets wat je bezit en waar je naar op zoek moet, maar is identiteit dat wat je van jezelf maakt in het creatieve proces dat “je leven” heet. Je handelen is niet het gevolg van je identiteit. Nee, je identiteit is het resultaat van je handelen. En zolang je in staat bent je handelingen te veranderen, ben je in staat je identiteit te veranderen. Identiteit is niet verkleefd aan je lichaam, aan je brein of aan beide. Identiteit is net zo modificeerbaar en uitbreidbaar als je lichaam en je brein. Identiteit is een kunstwerk dat tijdens je leven tot stand komt, en dat vraagt om experimenten, grensoverschrijding, mislukkingen en successen.



So people that society once considered to be disabled can now become the architects of their own identities. And indeed continue to change those identities by designing their bodies from a place of empowerment.

Uiteraard is dit niet slechts voor gehandicapten weggelegd. Iedereen kan haar of zijn identiteit opnieuw vormgeven en veranderen. Het lichaam is geen beperking, mag geen beperking zijn, net zomin als het brein. Het heeft een groot voordeel om een lezende primaat te zijn in de 21ste eeuw. Je identiteit en menselijkheid zijn slechts gebonden aan de grenzen van techniek en fantasie. Welke andere diersoort kan dat nu zeggen?
Daarmee geeft Mullins een prachtig antwoord op de vraag wat kunst en wetenschap met elkaar hebben te maken: art transforms science into humanity.

Poetry matters. Poetry is what elevates the banal and the neglected object to a realm of art. It can transform the thing that made people fearful into something that invites them to look and look a little longer and maybe even understand.

By combining cutting edge technology, robotics, bionics, with the age old poetry we are moving closer to understanding our collective humanity.

Aimee Mullins is de godin van het nominalisme.

Zie ook: Gedachten die nog nooit zijn gedacht

zaterdag 3 januari 2009

Vrolijk Minderheidspel










Bent u ook zo bang om tot een meerderheid te behoren? Er is een remedie. Speur het internet af naar enquêtes, en kies het alternatief dat het minst wordt gekozen. Dat valt niet altijd mee, omdat de uitslag meestal pas na stemming aan u wordt bekendgemaakt. Maar des te bevredigender is het als u te zien krijgt dat u inderdaad niet tot de gevreesde meerderheid behoort. En het wordt echt leuk als u nog een berichtje kan achterlaten waarop u uw minderheidsmening onderbouwt. Gelukkig Nieuwjaar!

Het officiële Vrolijk Minderheidspel is dus heel eenvoudig:
(1) Zoek een enquête, poll, peiling, of in ieder geval iets op internet waar u uw mening kunt geven, en, niet onbelangrijk, waar u nadat u hebt gestemd de percentages te zien krijgt van de stemmers tot nu toe.
(2) Stem! Alle keuzes zijn toegestaan, behalve ‘Geen mening’, “Ik weet het niet” en dergelijke.
(3) Bekijk de uitslag. U heeft gewonnen als u op het minst gekozen alternatief heeft gestemd.

Voorbeeld 1:
(1) De peiling op
Volkskrant.nl
Deze week was de vraag “Als het aan de NS ligt, wordt voor de fiets betaald parkeren de norm, net als voor de auto. Goed plan?” De antwoordmogelijkheden waren “Ja” en “Nee.”
(2) Ik koos “Ja.”
(3) Daarna verscheen de stand tot nu toe: 83,9% had “Nee” gestemd, 16,1% had “Ja” gestemd. Dus had ik gewonnen, en behoorde tot een Vrolijke Minderheid. (Maar dit was wel een hele makkelijke…)

Voorbeeld 2:
(1) De peiling op
AD.nl
Deze week was de vraag: “Wat vindt u? Ik verwacht dat 2009 een heel rustig jaar wordt.” De antwoordmogelijkheden waren: “Dat verwacht ik ook”, “Integendeel!” en “Ik heb geen idee”.
(2) Op grond van de regels is het antwoord “Ik heb geen idee” uitgesloten. U moet dus kiezen uit “Dat verwacht ik ook” en “Integendeel”.
(3) Daarna verschijnt de uitslag. Probeert u het ook eens, en voel de verrukking van een vrolijke minderheid!

Zie ook de enquêtes op:
Elsevier
Dagblad van het Noorden
NRC

zaterdag 17 mei 2008

Oscar Pistorius tart essentialisten














Sport is filosofie in actie. De Zuid-Afrikaanse atleet Oscar Pistorius neemt in zijn optredens een briljant nominalistische positie in. De vraag naar de essentie van een hardloper wordt door Pistorius terzijde geschoven voor de vraag wie er als eerste over de finish komt. Hij heeft aangekondigd zich te willen plaatsen voor de Olympische Spelen, en maakt een goede kans op een plek in het Zuid-Afrikaanse team voor de 4 x 400 meter. Pistorius is een cyborg, een mengvorm van mens en techniek. Zijn onderbenen werden geamputeerd toen hij elf maanden oud was. Hij loopt hard op Cheetahs, twee prothesen van koolstofvezel die aan zijn onderbenen zijn bevestigd. En hij loopt hard, harder dan u of ik ooit de 400 meter zullen lopen, harder dan veel atleten ooit de 400 meter zullen lopen. (Dit jaar heeft slechts één Nederlandse atleet sneller, 0.4 seconde, gelopen dan het persoonlijk record van Pistorius.)
Maar mag hij meedoen aan de Olympische Spelen?
De Internationale Atletiek Federatie (IAAF) heeft deze cyborg laten onderzoeken, en gevonden dat Pistorius in het voordeel is ten opzichte van lopers met ouderwetse, biologische benen. De Cheetahs voeren energie beter terug naar de bovenbenen en Pistorius verbruikt minder zuurstof en stort daardoor na 250 meter niet in zoals andere lopers. (Let in onderstaande video eens op zijn achterstand na 250 meter!) Daarnaast zijn ordinaire biologische onderbenen erg blessure gevoelig. Voeten, schenen, enkels en achillespezen, ze geven er bij iedere serieuze wedstrijdloper ten minste een keer per twee jaar de brui aan. Dus Pistorius kan ook nog eens constanter trainen. Op grond van deze bevindingen sloot de IAAF Pistorius uit van deelname aan wedstrijden, althans van deelname aan wedstrijden voor wezens met biologische benen.
Gisteren heeft het internationale hof voor sportarbitrage (CAS) die beslissing teruggedraaid, en bepaald dat Pistorius toch aan alle wedstrijden mee mag doen: “Op basis van het bewijs aangedragen door de experts van de IAAF en Pistorius kon het CAS er niet van worden overtuigd dat er voldoende aanwijzingen waren voor een metabolisch voordeel ten faveure van een geamputeerd mens met twee Cheetahs. Het IAAF heeft voor de commissie van het CAS niet kunnen aantonen dat biomechanische effecten Oscar Pistorius een voordeel opleveren ten opzichte van atleten zonder Cheetahs.”
Dit vonnis slaat uiteraard nergens op. Natuurlijk heeft Pistorius een voordeel. Biologische benen zijn onhandige krengen die veel energie vragen en voortdurend stuk gaan. Cyborgs zijn altijd in het voordeel, weten we sinds Blade Runner. Het cybervraagstuk Pistorius gaat niet over de vraag of een Zuid-Afrikaanse atleet door kunstbenen een voordeel zou krijgen. Nee, het gaat over de vraag wat een hardloper is. Voetzoolprothesen, zoals spikes, leveren ook een behoorlijk voordeel op, toch doet de IAAF daar niet moeilijk over. Mag een pees in een knie of onderbeen worden vervangen door een varkenspees? Mag een kleiduivenschutter een bril dragen? Mag een loper zijn tempo afstemmen op een hartslagmeter? Mag Mizuno platen in schoenen stoppen die de energie van de landing terugleveren tijdens de afzet? Op al deze vragen is het antwoord: “Ja, dat mag van de IAAF.”
Pistorius beroep bij het CAS heeft niets met mogelijke voordelen te maken, maar alles met de vraag hoever atleten mogen gaan. Je lijf kapot maken met doping om een beslissend voordeel te behalen is toegestaan zolang het niet onomstotelijk aantoonbaar is. Je benen laten amputeren om op Cheetahs te kunnen lopen, ligt wat lastiger. De prestaties van Pistorius laten het besef doordringen dat mensen natural born cyborgs zijn, dat we de mensen worden die we zijn door een monsterverbond aan te gaan met techniek. Er is voor ons geen natuurlijke essentie. Er is geen menselijke natuur buiten de drang om je lijf en geest vorm te geven met behulp van technologie.
Natuurlijk mag Pistorius meedoen aan de Olympische Spelen. Slechts romantici dromen van Spelen waarop Yvonne van Gennip op een boterham met pindakaas drie Oost-Duitse meiden verslaat die stijf staan van testosteron. Slecht hopeloos in de tijd verdwaalde geesten, zoals Guus Hoogmoed, durven te verklaren: “Ik vind niet dat Pistorius mee mag doen. Sport is keihard. Als ik mijn knie blesseer, of mijn achillespees scheur, is het ook voorbij. Dat is jammer, maar het is niet anders.” Nee, Guus, als jij je knie blesseert op een pees scheurt is het voor jou wellicht voorbij, maar niet voor een cyborg die geen angst heeft voor techniek. Jij hebt diezelfde keuze. Je kunt met kapotte knieën meedoen met de Spelen voor Gehandicapten of, zoals Pistorius, Cheetahs laten aanmeten en een gooi doen naar het wereldrecord.
Wat een normaal menselijk lichaam is wordt niet uitsluitend door de natuur bepaald, maar ook door handelingen en artefacten van mensen. Wat normaal menselijk is, is een biologisch én een technologisch vraagstuk. Pistorius is een normaal mens, met normale benen en mag zich van het CAS normaal voor de Olympische Spelen proberen te kwalificeren. Alle cyborgs hopen dat hij daarin slaagt, dus ik ook.

dinsdag 6 mei 2008

Een toekomst voor God (?)

Ieder denkend mens wordt vandaag de dag geconfronteerd met de vraag naar het bestaan van God. En voor het eerst in de geschiedenis moet verantwoording worden afgelegd voor dat wat tot nu toe vanzelfsprekend was, het geloof in een God. Natuurlijk waren er al eerder tijden waarin je op de brandstapel belandde als je gedachten niet op de juiste wijze op God waren gericht. Maar nu, anno het begin van het derde millennium, zien we ons geplaatst voor een veel radicalere vraag: Is er sowieso wel een reden om te geloven in een Opperwezen, een Schepper van de wereld, een Grond voor de ethische wet? Is het geloof in een God wel ethisch? Of behoort religie net zoals communisme, slavernij en alleenheerschappij tot het onmenselijke gedachtegoed uit het verleden?
Laten we dit probleem eens van enige taalfilosofische afstand bekijken. De vraag naar God, is dan de vraag naar de inhoud van de term God. Ten opzichte van dergelijke termen zijn grofweg vier standpunten in te nemen, afhankelijk van het antwoord op twee taalfilosofische vragen.
De eerste daarvan is de vraag naar de verwijzing van termen. Essentialisten stellen dat termen verwijzen naar een aspect of onderdeel van de werkelijkheid. Zo verwijst Beatrix naar een echt bestaande vrouw die de koningin van Nederland is, en verwijst Ronald Hünneman naar iemand die nu in Zuidlaren achter zijn computer zit te schrijven. Als de term God een betekenis heeft, dan moet de term verwijzen naar een goddelijk aspect van de werkelijkheid. Volgens nominalisten, daarentegen, krijgen termen betekenis door het gebruik in een taalspel, vocabulaire of paradigma. Termen verwijzen niet, termen reguleren een handelings- en taalpraktijk van mensen. God is voor nominalisten een term waarmee mensen hun gedrag op elkaar en op de wereld afstemmen.
De tweede taalfilosofische vraag is de vraag hoeveel zinvolle betekenissen een term zoals God kan hebben. Reductionisten zullen zeggen dat God op slechts op één enkele wijze betekenis kan krijgen. Natuurlijk zijn er wel meerdere wijzen van gebruik van de term God mogelijk, maar slechts één van die wijzen is correct. Wat wordt aangeduid met God, kan niet tegelijkertijd Jahweh zijn, én Allah, én Boeddha én de Big Bang. Hermeneutici laten zich in dat opzicht niet beperken. De term God kan op verschillende manieren worden gebruikt, zonder dat een van die manieren de voorkeur verdient boven alle andere. Het kan zelfs zo zijn dat de verschillende betekenissen of gebruikswijzen elkaar aanvullen en versterken.

Op grond van de twee taalfilosofische vragen en de twee mogelijke antwoorden, zijn er, als het gaat om de term God, vier posities mogelijk.
(1) Fanatici zijn reductionistisch essentialisten. Zij gaan er vanuit dat de term God slechts verwijst naar één God, hun God. Uiteraard gaan zij er ook vanuit dat hun Godsopvatting de ware is, en dat andere meningen niet meer dan zijn dat, meningen. Daarom is voor reductionistisch essentialisten alles geoorloofd wat uit hun godsopvatting voortkomt. Wie zou er willen redetwisten met de eenduidige, ware aard van de werkelijkheid? De intermenselijke werkelijkheid dient te buigen naar Goddelijke realiteit. Naast religieus fundamentalisten behoren ook atheïsten tot de fanatici op het moment dat zij bijvoorbeeld actief tot vervolging van gelovigen overgaan.
(2) Gedrevenen zijn reductionistisch nominalisten. De term God is voor hen onderdeel van een menselijke praktijk (of niet), maar die menselijke praktijk is wel de enige praktijk die er echt toe doet. Het verschil met fanatici is vooral dat de term God hier niet verwijst naar een Eeuwige Ware Werkelijkheid, en dus niet gebruikt kan worden als ultieme rechtvaardiging van gedrag. Daarvoor blijven gedrevenen afhankelijk van hun medemensen. Mensen als Richard Dawkins, Sam Harris en Daniel Dennett behoren tot de gedrevenen. In hun favoriete taalspel, de evolutionaire biologie, vinden zij geen nuttige toepassing voor de term God, en daarom hebben gelovigen het niet begrepen. Hun tegenstanders, de gedrevenen uit het kamp van de Intelligent Design, zeggen God juist nodig te hebben om gaten te dichten in de evolutiebiologie. De kemphanen staan elkaar niet naar het leven, maar zullen ook niet nalaten het failliet van de ander aan te tonen.
(3) Pragmatici zijn hermeneutisch nominalisten. Zij vinden de keuze die de gedrevenen maken te beperkt. Waarom zouden we één vocabulaire boven alle andere verheffen? Waarom beoordelen we niet ieder vocabulaire op voor- en nadelen? Vocabulaires met en zonder de term God kunnen dan naast elkaar bestaan. Binnen de evolutietheorie is er geen behoefte aan God, maar in ethiek of bij zingevingsvraagstukken wel. Gemeenschappen van mensen mogen zelf uitmaken op welke momenten welk vocabulaire het beste werkt. Richard Rorty was een van de filosofen die deze positie, in navolging van William James en John Dewey, verdedigde.
(4) Critici zijn hermeneutisch essentialisten. Taalspelen, vocabulaires, waarin de term God voorkomt vormen beschrijvingen van God waartussen niet gekozen hoeft te worden. Er is niet slechts één juiste beschrijving of verwijzing naar God, er is een eindeloze reeks van beschrijvingen die ons God in een steeds rijker licht laat zien. Iedere beschrijving van God roept nieuwe beschrijvingen op, ieder commentaar vraagt om nieuwe commentaren, iedere kritiek vraagt om een repliek. Wat God is, wat God precies betekent, blijkt niet uit één van de teksten maar uit de teksten over elkaar heen en naast elkaar. Zoals ook de Joodse Thora gepresenteerd wordt met de brontekst te midden van verschillende commentaren, zonder dat één commentaar Uitverkoren is. Zelfs een tekst waarin beweerd wordt dat God niet bestaat zegt derhalve iets over de aard van God.

Welk van deze houdingen is de juiste, die van de fanatici, gedrevenen, pragmatici of critici? Het antwoord op deze vraag is, ironisch genoeg, ook weer afhankelijk van uw taalfilosofische keuze. Er is geen ontsnappen mogelijk. Niet God of de werkelijkheid legt ons religieuze keuzes op, maar onze voorkeur voor een filosofie van de taal. Daarmee ligt de toekomst van God in uw hand.

Blog naar aanleiding van een lezing in het Filosofisch Café in Groningen, zie: