Posts tonen met het label hersenonderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hersenonderzoek. Alle posts tonen

zondag 18 november 2012

De kwab van Swaab

Uit welke hersenkwab van Dick Swaab komt toch het wanstaltige idee voort dat ‘wij ons brein zijn, zelfs als het kunst betreft’ (zie NRC Handelsblad van 30 oktober)? Ergens moet bij hem een kortsluiting of vernauwing (hij zal zelf spreken van ‘neurale cognitieve inhibitie’) plaatsvinden die verder-denken-dan-zijn-voorhoofdskwab-lang-is onmogelijk maakt. Aan de andere kant, dat Swaab zijn neiging om elke vorm van menselijk gedrag vanuit de hersenen te verklaren toepast op kunst, biedt een mooie gelegenheid om de onzinnigheid van zijn opvatting eens van een andere kant ten tonele te brengen. 
Laten we bij kunst beginnen. Er valt in algemene gedragsmatige termen bitter weinig over kunst te zeggen. De diversiteit is domweg te groot. Om Jeroen van Merwijk te parafraseren: Er is realistische kunst en abstracte kunst. Er is kunst gericht op volledigheid en kunst gericht op details. Er is kunst in zwart/wit en in kleur. Er is kunst die overdrijft en er is kunst die zeer natuurgetrouw weergeeft. Er zijn verschillende culturen die verschillende perioden van verschillende kunstvormen kennen. Er zijn verschillende kunstenaars die verschillende materialen en technieken gebruiken met verschillende intenties, en waarvan de werken door verschillende mensen op verschillende wijze worden begrepen en gewaardeerd. Er is schrijfkunst, schilderkunst, filmkunst, fotokunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, perfomatieve kunst, straatkunst en landschapskunst. En, er zijn textiele werkvormen.

Ut Absordasties Rejielasme van Jeroen van Merwijk


En dan zijn er Dick Swaab en zijn vakgenoot Vilayanur Ramachandran. Beiden zijn uitmuntende neurologen. En beiden hebben de neiging om de resultaten die ze in hersenonderzoek boeken te veralgemeniseren naar al het menselijk gedrag. Dat is op zich al niet overtuigend, maar het wordt wanstaltig als zij het over kunst gaan hebben. Zo schrijft Swaab: “Hersenonderzoek laat een objectieve basis zien voor de ervaring en productie van schoonheid.” Ik weet niet wat hij onder ‘objectieve basis’ verstaat, maar waarschijnlijk betekent het ‘neuraal substraat’. Als dat zo is, dan laat hersenonderzoek zien dat er neurale activiteit is bij kunstbeleving. Een triviale bevinding waarop mijn kinderen dan ook zouden reageren met een “Ja, duh!” 
Swaab geeft ook nogal hoog op van het principe van overdrijving, dat Ramachandran uitgebreid heeft beschreven. En uiteraard weet Swaab uit de schat aan kunstvoorwerpen die de mensheid heeft voortgebracht, enkele te kiezen waarbij overdrijving ontegenzeggelijk een rol speelt. Maar wat zegt dat? Het is alsof we uit de totale verzameling vrouwen honderd sm-meesteressen kiezen om daaruit af te leiden dat alle vrouwen een aangeboren neiging tot overheersing hebben. Pseudowetenschap begint bij het weglaten van stapels tegenvoorbeelden. Pseudowetenschap begint bij onbezonnen overdrijving. 
De werkelijke interessante vraag is waar de ongekende rijkdom aan schilderijen, boeken, foto’s, films, beeldhouwwerken, artefacten en muziekstukken vandaan komt. (Dat hangt samen met het feit dat we allemaal verschillende hersenen hebben! Ja, duh…) 
Charles Darwin zette de biologie op een nieuw spoor door te wijzen op de alom aanwezige variatie binnen soorten. Een variatie die op haar beurt slechts evolutionaire betekenis krijgt in een omgeving. We kunnen niet begrijpen waarom gazelles zo licht, wendbaar en snel zijn, als we niets weten over leeuwen of jachtluipaarden. We kunnen niets begrijpen van de huidskleur van mensen als we niets weten over zonlicht en klimaat. 
Precies hetzelfde geldt voor kunst en kunstenaars. Het impressionisme, een stroming waarbinnen de variatie enorm is, valt niet te begrijpen door slechts te kijken naar mensenhersens. Fotografie, verftubes, draagbare schildersmaterialen en ontwikkelingen in filosofie en wetenschap speelden bij de opkomst en vorming van het impressionisme een veel grotere rol dan de hersenen van Monet. Net zo kunnen we Romeinse bouwstijlen prima begrijpen zonder de hersenen van Nero, maar niet zonder kennis van de historie van beton en wiskunde. En zelfs de meest uitgebreide scan van de creatieve kwabben van Andy Warhol zal niet duidelijk maken waarom hij juist de banaliteit van Brillodozen tot kunst verhief. 


Dat brengt ons terug bij Swaab zelf. Want, waarom wil hij alles begrijpen vanuit het brein? Is dat een fout in zijn slaapkwab? Nee, althans, niet noodzakelijk. Swaab denkt en werkt binnen een seculariserende Joods-Christelijke cultuur. In die cultuur heeft God weliswaar afgedaan als Schepper, maar is de idee dat alle beweging een duidelijke oorsprong moet hebben nog steeds volop aanwezig. De bewegingen van mensen moeten ergens beginnen, en waar anders dan in het brein, zo is de gedachte. Zoals God de wereld schiep, zo schept het brein het handelen. Swaab kan niet anders dan dit bizarre credo uit zijn omgeving doorgeven. Had hij zich in een andere cultuur bevonden, dan was de gedachte niet eens bij hem opgekomen. Waarom niet? Omdat Swaab niet zijn brein is, maar een organisme dat dankzij lichaam, zintuigen en hersenen het merendeel van de tijd doet waar de omgeving het toe aanzet. Dat is maar goed ook, want als hij echt zou nadenken over de uitspraak “Wij zijn ons brein,” dan zou hij verdwalen in de wirwar van windingen in zijn binnenkamer.

vrijdag 2 november 2012

Peek en Poke in Perspectief


Doodstil is het, in de bioscoop, tijdens het lezen van een boek of tijdens de uitvoering van klassieke muziek. We kijken naar het scherm, laten onze ogen in alle rust over de regels glijden, of sluiten onze ogen om de stiltes tussen het geluid nog beter te kunnen horen. In het Tate Modern op een bank, recht tegenover Weeds (1996) van Yayoi Kusama, worden we omringt door een oase van stilte, waarin gedetailleerde patronen en subtiele groennuances aan ons verschijnen. Dit is geen werk om al pratend langs te lopen.

Yayoi Kusama, Weeds, 1996
Afbeelding: www.worldmalls.com

De meest hedendaagse vormen van kunstbeleving zijn gebaseerd op een verstilde vorm van waarnemen, en in die zin sensomotorisch zeer specifiek. Als verdoofd zitten of staan we stil en om naar een kunstwerk te kijken, een boek te lezen, of te luisteren naar muziek. Onderzoek van Miguel Nicolelis laat echter zien dat dansen, het spelen van luchtgitaar, of dirigentmimesis, wel degelijk een verschil kan maken voor wat iemand hoort. Beweging, ritmische beweging op basis van muziek bijvoorbeeld, breng ons in een andere neurale toestand, brengt andere receptieve velden en een andere hersenorganisatie met zich mee zodat een kunstwerk op een andere wijze aan ons verschijnt. Sensomotorische patronen zijn bepalend voor kunstbeleving, terwijl tegelijkertijd dominante cultuuruitingen zijn gebaseerd op verstilling. Verstilde kunstbeleving is een uiterste van een enactivistisch spectrum waarin van de bewegingen van het lichaam in relatie tot een omgeving in variërende mate gebruik wordt gemaakt.

Klik hier voor het essay Peek en Poke in Perspectief, dat verscheen in Filosofie & Praktijk, oktober 2012, jaargang 33, nr. 3

vrijdag 6 januari 2012

Blij met een dood vogeltje

De grote boosdoener, de grote filosofische boosdoener is informatie. Informatie is voor de meeste hedendaagse denkers wat res cogitans was voor René Descartes: een manier om over de menselijke geest te kunnen spreken zonder de hindernissen van natuurwetenschappelijke strengheid. Nergens is de kracht van informatie sterker dan in neurologisch - of neuropsychologisch onderzoek en de daaraan gelieerde philosophy of mind. Informatie is daar een kritiekloos geaccepteerde goochelterm, een deus ex machina om gedachtenspinsels met hersenweefsel te verbinden. Zelden laat een beschrijving in termen van informatie of informatieverwerking meer over de menselijke geest of hersenen zien dan het onvermogen om een verschijnsel wetenschappelijk te benaderen. Tijd dus, om deze uitwassen van informatie weg te snoeien.

Dit korte essay is verschenen in Qualia, het blad dat wordt uitgegeven door STUFF, de studievereniging van de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

zondag 31 oktober 2010

Heeft lateralisatie betekenis?

Om de menselijke geest, onze hersenen, ons denken en bewustzijn, te kunnen bestuderen zullen we ons moeten ontworstelen aan de computermetafoor. Dat zal niet meevallen. Sinds de 17e eeuw zijn de grootste wetenschappelijke successen geboekt door verschijnselen te beschrijven als mechanische, rekenkundige processen. Dat geldt vooral voor de natuurwetenschappen. Maar, ook in de menswetenschappen is de zogenaamde mechanisering van het wereldbeeld niet zonder succes gebleven. De menselijke hersenen werden achtereenvolgens gezien als een klok, een stoommachine, telegraafsystemen en tenslotte als een computer. De zintuigen leveren de input, de hersenen verwerken de informatie en het lijf en de spieren verzorgen de output. Een zowel elegant, als begrijpelijk schema, tenminste, voor hen die zich in het digitale tijdperk bewegen.
Maar er verschijnen steeds meer scheuren en barsten in dit paradigma. De computermetafoor verliest haar glans. De voornaamste reden hiervoor is dat verschijnselen in de hersenen, blootgelegd door moderne scanapparatuur, zich niet eenvoudig laten vangen in termen van informatiestromen en berekeningsmodules. Er zijn nieuwe metaforen nodig, nieuwe wiskundige modellen. Het is nog niet duidelijk welke kant deze ontwikkeling op zal gaan, maar als ik geld zou mogen inzetten zou ik de dynamische systeemtheorie kiezen.
In het essay Heeft lateralisatie betekenis? onderzoek ik of het verschil tussen linker- en rechterhersenhelft kan worden gebruikt om nieuwe wegen in te slaan in de filosofie en wetenschap van de geest. Bij een computer maakt het niet uit waar informatieverwerkende modules zich bevinden. Als bij mensen plaatsing in het lichaam en koppeling aan de ledematen er wel degelijk toedoet, kunnen lateralisatieverschijnselen dus dienen als een aanzet voor nieuwe theorievorming. Hoe die nieuwe theorie er precies uit zal zien, zullen we helaas pas achteraf weten.

Klik hier voor het essay Heeft lateralisatie betekenis?

Dit essay heb ik op 29 oktober 2010 gepresenteerd in de collegereeks Lateralisatie en Cognitie van de Seniorenacademie Groningen. Klik hier voor de bijbehorende Powerpoint presentatie.

De website van deze collegereeks is Cultuur en Cognitie.

dinsdag 8 juni 2010

Victor Lamme heeft een vrije wil

Ik kan u verzekeren dat Victor Lamme een vrije wil heeft. Zelf is hij daar klaarblijkelijk minder van overtuigd, getuige de titel van zijn laatste boek: De vrije wil bestaat niet: Over wie er nu echt de baas is in het brein. Iedereen die op de hoogte denkt te zijn van het functioneren van de menselijke geest, moet dit boek lezen. Het bevat een helder geschreven en vermakelijk overzicht van alle bizarre neurologische vondsten en experimenten uit de afgelopen anderhalve eeuw. Daaruit blijkt overduidelijk het failliet van het naïeve idee waarmee we de moderne tijd begonnen, het idee dat lichaam en geest twee onderscheiden substanties zijn. En daarmee is ook het idee verworpen dat de menselijke geest buiten de reguliere natuurwetten staat, en onafhankelijk van die natuurwetten beslissingen zou kunnen nemen.

Overigens ken ik nog maar weinig weldenkende mensen die twijfelen aan het feit dat het functioneren van onze hersenen, ons lijf en de ons omringende wereld onderworpen is aan natuurwetten, net zoals het functioneren van onze geest, ons bewustzijn en onze vrije wil. Lamme licht er in dit verband drie hoofdzaken uit. Ten eerste laat hij zien dat we meer door de wereld buiten ons worden beïnvloed dan we denken. In de meest extreme gevallen leidt dat tot environmental dependency (omgevingsafhankelijkheid), een toestand waarin het handelen uitsluitend door de directe omgeving wordt bepaald. Een man die automatisch alle brillen die hij ziet liggen oppakt en opzet. En die alle kammen in zijn blikveld door zijn haar haalt. Gelukkig kunnen de meesten van ons dergelijke neigingen onderdrukken, zodat we niet voortdurend met vreemde leesbrillen op onze neus zitten. Maar stiekem lijden wij toch allemaal aan een mildere vorm van deze omgevingsafhankelijkheid. Zonder dat we het opmerken bepaalt de ons omringende omgeving ons handelen. Hebben we werkelijk zin in een broodje kaas, of is het een gevolg van het soapsterretje op televisie dat met de kaasschaaf in haar hand vertelde dat haar beste vriendin het met haar man had gedaan?
Uiteraard verhaalt Lamme daarnaast van de experimenten van Benjamin Libet. Daaruit blijkt dat ons bewustzijn nogal achter de beslissende hersenactiviteit aan hobbelt. De “bewuste” keuzes die iemand gaat maken zijn in sommige gevallen meer dan zes seconden voordat het tot de proefpersoon doordringt, af te lezen aan zijn hersenactiviteit. “Daden volgen niet onze gedachten. Het is precies andersom,” schrijft Lamme. En hij heeft gelijk.
Tenslotte legt Lamme uit dat we slechts minimaal inzicht hebben in de oorzaken van ons gedrag. In de hersenen bevindt zich een babbelbox die mooie verhalen ophoest telkens wanneer we om een rechtvaardiging voor een handeling verlegen zitten. De kwaliteit van die verhalen is vooral dat ze sociaal acceptabel zijn, maar niet dat ze inzicht geven in de daadwerkelijke oorzaken.
Kortom, de vrije wil is een illusie. Een mooie illusie, misschien zelfs een nuttige illusie, maar een illusie. Aldus Lamme.

Stel, ten overstaan van een publiek discussieer ik met iemand over de vraag of het verantwoord is om een vliegvakantie te boeken. Op zo’n moment wil ik dat de argumenten uit mijn mond rollen, zonder dat ik iedere keer bewust over mijn woorden hoef na te denken. Ik wil ook dat mijn argumenten precies zijn afgestemd op dat wat mijn tegenstander zegt. En ik wil dat mijn argumenten een goede rechtvaardiging vormen voor mijn standpunt: als je wat aan het milieu wilt doen, ga dan nooit meer op vliegvakantie. Kortom, ik wil een hoge mate van omgevingsafhankelijkheid, een goed functionerende babbelbox en een brein dat minstens zes seconden voorloopt op mijn bewustzijn en mijn mond. Maar wil dit nu zeggen dat ik dan afstand doe van mijn vrije wil?
De denkfout van Victor Lamme is dat hij teveel waarde toekent aan het bewustzijn. Laat ik even heel duidelijk zijn. Ik ben het met Lamme eens dat onze geest volledig aan natuurwetten onderworpen is, en ik ben het met hem eens dat ons bewustzijn achter ons handelen aan hobbelt. Maar om daaruit te concluderen dat de wil niet vrij is, moet je de wil als een aspect van het bewustzijn zien. Het idee dat het bewustzijn en het ik (of het zelf) samenvallen is een restje naïef Cartesianisme waar Lamme prima zonder kan. Ik denk dat Lamme overtuigend heeft aangetoond dat als we de wil in het bewustzijn plaatsen, dat we dan geen vrije wil hebben. Maar hoe zit het met het alternatief? Wat als we de vrije wil gewoon opvatten als de mogelijkheid van een organisme om dat te toen wat goed voor hem is?
De wil is niets anders dan de kunst van een organisme om daar waar het profijtelijk is de buitenwereld uit te buiten en daar waar het nodig is de buitenwereld buiten te sluiten. In de loop van ons mensenleven leren de meesten van ons hierin een balans te vinden die werkt, die leidt tot een leven dat voldoening schenkt. Soms zijn we ons van het zoeken naar die balans bewust, soms maken anderen ons op onze onbalans attent, vaak ontgaat ons het hele proces. En, naarmate we er beter in slagen die balans te vinden, wordt onze wil vrijer. Bewustzijn is een prettig aspect van die balans, maar zeker niet het belangrijkste aspect. De vrije wil bestaat wel, maar moet, net als het zelf, zeker niet exclusief in dat bewustzijn worden gezocht.
Als Victor Lamme zich dus wat minder had laten meeslepen door het Cartesianisme van onze tijd, en de vrije wil niet klakkeloos in het bewustzijn geplaatst, dan had hij nog inventiever en intelligenter tegen hersenen en gedrag aangekeken. Maar ja, mag ik hem dat teveel aan omgevingsafhankelijkheid verwijten?

Lees ook:

Vrije wil bestaat niet

donderdag 13 mei 2010

Informatie over memen

Als een verschijnsel kan worden verklaard zonder een of andere hypothetische entiteit aan te nemen, dan is er geen enkele reden om deze entiteit aan te nemen. Zo luidt ongeveer Ockhams scheermes (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem) in de interpretatie van Bertrand Russell. Ik vind dat een mooi kentheoretisch principe. Beperk het aantal entiteiten dat je veronderstelt zoveel mogelijk. De talige variant van Ockhams scheermes luidt, wat mij betreft: voer (binnen de wetenschap) slechts nieuwe woorden in als je daarmee zaken kunt uitdrukken die anders niet (of slechts op zeer barokke wijze) onder woorden kunnen worden gebracht.
Er is dus enerzijds een ontologisch mes dat nutteloze entiteiten wegsnijdt. En, er is anderzijds een linguïstisch mes, dat het ongefundeerd babbelen tot een minimum beperkt. Tezamen vormen deze messen de snoeischaar die voorkomt dat de haag van wetenschap verwordt tot de wildgroei van pseudowetenschap.
In On the Senselessness of Memes betoog ik dat memen, indien ze worden opgevat als entiteiten die van de ene geest naar de andere worden gekopieerd, eenvoudig met het ontologisch mes kunnen worden weggesneden. De voornaamste reden daarvoor is, grofweg, dat het volstrekt onduidelijk is wat we bedoelen met een entiteit in de geest. Daarnaast hebben we geen criterium om vast te stellen of een meme (of een idee, of gedachte, of wereldbeeld) in de ene geest een kopie is van een meme in een andere geest. Als we niet weten wat memen in de geest precies zijn, en we niet weten wanneer de ene meme een kopie is van de andere meme dan kun je de hypothetische entiteit meme maar beter achterwege laten.

In plaats van een definitie van meme in geestrijke termen kunnen we dus beter kiezen voor een definitie in termen van observeerbaar gedrag of artefacten (door menselijk gedrag voortgebrachte voorwerpen). Derhalve mijn voorstel om meme na gebruik van het ontologisch mes aldus te definiëren:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.
Maar op deze half gesnoeide definitie van meme moet ook het linguïstische mes worden toegepast. Memen werden naar analogie met genen geïntroduceerd ten einde op het onderzoek naar en de beschrijving van cultuurverschijnselen evolutietheorie toe te kunnen passen. Maar als voor alle cultuurverschijnselen het traditionele jargon net zo goed voldoet, dan zou het woord 'meme' slechts verwarring scheppen, of, erger nog, ten onrechte scherpte en wetenschappelijkheid suggereren. Op grond van het linguïstische mes is het dan beter om 'meme' weg te snijden.
En inderdaad, voor verreweg de meeste cultuurverschijnselen voegt een verwoording in termen van een evolutionair proces van memen niets toe. Traditionele beschrijvingen van cultuur en gedrag met behulp van imitatie en genetisch voordeel voldoen uitstekend. Gekopieerd gedrag levert genetisch voordeel op. Altruïsme bij mensen, bijvoorbeeld, laat zich uitstekend beschrijven als een gevolg van zelfzuchtige genen in combinatie met imitatie. En gekopieerde artefacten maken het leven domweg een stuk gemakkelijker en aangenamer, zodat er meer energie overblijft (wasmachines) of zich meer mogelijkheden voordoen (auto’s) voor voortplanting.
Dus, al definiëren we meme op basis van gedrag en artefacten, dan is nog steeds de vraag of ze Ockhams linguïstische mes overleven. Hebben memen wel bestaansrecht? In On the Senselessness of Memes weeg ik een aantal mogelijkheden om dit bestaansrecht in te vullen. Uiteindelijk blijft er slechts één over: het gebruik van de term meme is slechts zinvol als memen parasieten zijn van organismen en hun genen. Anders gezegd, slechts als memen organismen weten te misbruiken voor hun voortbestaan, voortplanting, en verspreiding, zou het zinvol zijn om de term meme in te voeren. In dat geval, namelijk, schiet een verklaring in termen van genen of organismen altijd te kort, of laat aspecten onderbelicht die door het gebruik van de term meme wel zichtbaar worden.
Let wel, daarmee moet, om een verschijnsel zinvol met behulp van memen te beschrijven, aan zes voorwaarden zijn voldaan:
(1) Robuustheid. Memen moeten als entiteit voor langere tijd kunnen bestaan. In ieder geval lang genoeg om zich voort te planten. (Anders worden ze weggesneden door het ontologische mes.)
(2) Vruchtbaarheid. Memen moeten via een of ander proces kopieën van zichzelf in de wereld helpen. Deze kopieën en de kopieën van kopieën, enzovoort, zal ik aanduiden met “nakomelingen.”
(3) Subtiele variatie. Zo nu en dan moet een nakomeling iets afwijken van zijn voorouder. Dit afwijken mag niet zoveel zijn dat de nakomeling niet meer als kopie herkenbaar is.
(4) Selectie. Op memen moet een selectieproces plaatsvinden, waardoor sommige memen meer nakomelingen voortbrengen dan andere.
(De eisen 2 tot en met 4 zorgen voor een evolutionair proces.)
(5) Het succes van de meme mag niet te herleiden zijn tot voordeel voor het organisme, of de genen van het organisme. (Anders worden ze weggesneden door het linguïstische mes.)
(6) Om de term meme ingang te laten vinden moeten er memen zijn die het evolutionaire succes van organismen en hun genen verminderen. (De eis van parasitisme.)
Indien een meme aan deze zes eisen voldoet weten we zeker dat het als zelfstandige evolutionaire entiteit met zelfzuchtige belangen tegengesteld aan die van genen bestaat, en dus niet kan worden gereduceerd tot genen of tot het fenotype van genen. Zo betoog ik althans in On the Senselessness of Memes.
Bestaan er artefacten of gedragingen die aan deze zes eisen voldoen? Ik zal mij hier beperken tot artefacten. Dus, bestaan er artefacten die parasitair zijn op mensen?
Tot nu toe ben ik slechts één serieuze kandidaat voor een dergelijke parasitaire memetische status tegengekomen, de mobiele telefoon. Ik heb meerdere malen beschreven hoe mobieltjes ons leven verrijken en zich tegelijkertijd tot parasieten ontpoppen, en zal dat hier allemaal niet herhalen. Mijns inziens voldoet de mobiele telefoon aan de zes eisen:
(1) Het is een duidelijk object, met een behoorlijke levensduur.
(2) Mobieltjes zorgen voor kopieën van zichzelf. Dat doen ze door ons brein zodanig te bewerken dat wij hun voortplanting verzorgen. Deze situatie is niet ongewoon, ook niet in de biologische evolutie. (Richard Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype hoe de cannabis plant ons ook op die wijze gebruikt.)
(3) De nakomelingen van mobieltjes vertonen soms kleine variaties.
(4) Op de nieuwe typen mobieltjes vindt een sterke selectie plaats.
(5) Het gebruik van mobieltjes leidt niet tot verhoogde vruchtbaarheid bij mensen. (Eerlijk gezegd, weet ik dit niet helemaal zeker. Het zou zo kunnen zijn dat mensen met een mobieltje meer seksuele contacten hebben, en meer nakomelingen hebben dan mensen zonder mobieltje. Als dat zo is, dan is een mobieltje geen meme.)
(6) Het mobieltje vraagt veel van onze tijd, geld en energie, meer dan met het oog op ons eigen evolutionaire proces goed is. (Mits, zie 5.) Mensen besteden geld aan het mobieltje dat ze beter aan voedsel of nakomelingen zouden kunnen uitgeven.
En met het vervullen van deze zes eisen zou het mobieltje een heuse memeparasiet zijn geworden.
Of dat werkelijk zo is, zal de tijd leren. Mobieltjes staan in veel opzichten nog in de kinderschoenen. In de komende decennia zal het mobieltje daadwerkelijk fysiek ons lichaam binnendringen en pas dan zal het parasitaire karakter helemaal duidelijk kunnen worden.
Gisteren stuitte ik bij toeval op nog een kandidaat memeparasiet: de anticonceptie pil. Deze pil voldoet op zijn minst aan de eisen 1 tot en met 5. De vraag is echter of de pil het aantal nakomelingen van een vrouw nadelig beïnvloedt. Het zou zo kunnen zijn dat vrouwen die de pil gebruiken op de lange termijn (na een paar generaties) meer nakomelingen hebben, dan vrouwen die de pil niet gebruiken. Bijvoorbeeld doordat de nakomelingen die zij krijgen gezonder zijn, omdat de vrouwen meer energie kunnen investeren in ieder van hun nakomelingen. Mocht dat niet zo zijn, en mocht de pil het aantal nakomelingen daadwerkelijk negatief beïnvloeden, dan is de pil een memeparasiet. Wellicht zullen dan op de hele(!) lange termijn alle vrouwen een pilallergie hebben.

Nawoord
Wat levert een discussie rond memen op?
In ieder geval niet veel kandidaatmemen. Richard Dawkins heeft gelijk: “[de meme] is nog in het babystadium en drijft nog onhandig rond in zijn oersoep…”
Maar in On the Senselessness of Memes speelt op de achtergrond nog een andere filosofische discussie een rol, de discussie rond de term informatie. Hoe hard moet Ockhams snoeischaar worden gezet in informatie? Misverstanden rond de term meme zijn onlosmakelijk verbonden met misverstanden rond de term informatie. Memen worden vaak gezien als informatiepakketjes. Wikipedia spreekt van een "besmettelijk informatiepatroon". Deze informatiepakketjes vermenigvuldigen en verspreiden zich over breinen. Ik heb laten zien dat memen opgevat als dergelijke informatiepakketjes niet tot de haag van wetenschap behoren.
Maar de situatie rond de term informatie is nog ondoorzichtiger dan die rond meme. Is het bij meme ten minste nog mogelijk om eisen te formuleren waaraan het gebruik moet voldoen, de term informatie wordt te pas en te onpas gebruikt als het gaat om cognitieve aspecten van de menselijke geest. In de ergste gevallen worden onze hersenen een plek waarin informatie rond zingt, wordt er informatie tussen hersenengebieden heen en weer gezonden, of komt informatie voor hersengebieden beschikbaar. We weten in al deze gevallen niet precies wat er wordt bedoeld. Als we het woord ‘informatie’ hier zouden vervangen door het woord ‘memen’, dan zou de onzinnigheid onmiddellijk duidelijk zijn: de hersenen zijn een plek waar memen rond zingen, of er worden memen tussen gebieden heen en weer gezonden, of memen komen voor hersengebieden beschikbaar. Maar door over te schakelen op een nog veel vagere term, informatie, valt het pseudowetenschappelijke karakter van informatieverwerking nauwelijks meer op.
Mijn voorstel zou dan ook zijn om Ockhams ontologische en linguïstische mes eens stevig in de term informatie te zetten. Dat zou de filosofie, psychologie, cognitieve - en neurowetenschappen zeer ten goede komen.

zaterdag 3 april 2010

De mereologische drogreden

Er is een veld van wetenschappelijk onderzoek waar het onderscheid tussen feiten en tot feiten geconstrueerde interpretaties op z’n minst erg wazig is: de neurowetenschappen (het conglomeraat van neurobiologie, neuropsychologie, neurofilosofie en neurologie). Eigenschappen die slechts aan mensen kunnen worden toegeschreven, worden toegepast op de hersenen of op delen van de hersenen. Bennett en Hacker duiden dit in hun boek Philosophical Foundations of Neuroscience aan als de mereologische drogreden. Ze nemen daarin ruimschoots de ruimte om de mereologische drogreden uit te leggen. De drogreden ondermijnt namelijk het werk van veel hedendaagse neurowetenschappers. Onder andere Francis Crick, Gerald Edelman, David Marr, Antonio Damasio, Benjamin Libet, Christof Koch en Philip Johnson-Laird vallen ten prooi aan deze ongefundeerde gedachtekronkel. Ik zal de zeer helder beschreven voorbeelden van Bennett en Hacker hier niet herhalen, ook omdat de kracht ervan zit in het grote aantal voorbeelden dat ze geven. De mereologische drogreden is niet zomaar een vergissing van één persoon. Het gehele veld van hedendaagse neurowetenschap wordt er door geteisterd, en in zekere zin lam gelegd.

Lees hier het gehele artikel: Wij zijn niet onze hersenen

vrijdag 15 januari 2010

Joshua Bell bespeelt ons brein

Het volgende verhaal bereikte mij via de mail:

Perceptie, iets om over na te denken...

Washington, DC, het metrostation op een koude januari ochtend in 2007. De man met viool speelde zes stukken van Bach gedurende ongeveer drie kwartier. Tweeduizend mensen passeerden het station, de meesten op weg naar hun werk. Na drie minuten viel het een man van middelbare leeftijd op dat er een muzikant aan het spelen was. Hij begon wat langzamer te lopen, stopte een paar seconden om zich daarna naar zijn afspraak te snellen.
4 minuten later:
De violist ontving zijn eerste dollar. Een vrouw wierp het geld in de hoed, en liep, zonder te stoppen, door.
6 minuten:
Een jongeman leunde tegen een muur om naar hem te luisteren, daarna keek hij op zijn horloge en liep door.
10 minuten:
Een jongetje van drie stopte, maar zijn moeder trok hem gehaast met zich mee. Het kind stopte om nog eens naar de violist te kijken, maar zijn moeder duwde hem stevig voort en het kind liep, telkens omkijkend, door. Dit tafereel herhaalde zich enkele malen met andere kinderen. Zonder uitzondering dwongen alle ouders hun kind snel door te lopen.
45 minuten:
De muzikant speelde voortdurend. Slechts zes mensen stopten en luisterden gedurende een korte tijd. Ongeveer twintig mensen gaven geld, maar liepen ondertussen op gewone snelheid door. De man verzamelde in totaal 32 dollar.
1 uur:
Hij was klaar met spelen. Het werd weer stil. Niemand merkte het op. Geen applaus, geen erkenning.
Niemand wist het, maar de violist was Joshua Bell, een van de grootste musici ter wereld. Hij speelde een van de meest complexe stukken ooit gecomponeerd, op een viool van 3,5 miljoen dollar. Twee dagen tevoren speelde Joshua Bell voor een uitverkocht theater in Boston waar een stoel gemiddeld 100 dollar kost.
Dit is een waar gebeurd verhaal. Joshua Bell incognito aan het spelen in een metrostation was georganiseerd door de Washington Post als onderdeel van een sociaal experiment over perceptie, smaak en de prioriteiten van mensen. De vraag waar het om draaide: herkennen we schoonheid in een alledaagse omgeving, op een ongebruikelijk tijdstip? Stoppen we om het te kunnen waarderen? Herkennen we talent in een onverwachte context?
Een mogelijke conclusie die we uit dit experiment zouden kunnen trekken is de volgende: als we ons niet de tijd gunnen om te stoppen en te luisteren naar een van de beste musici in de wereld, die de prachtigste muziek speelt ooit gecomponeerd, met een van de mooiste instrumenten ooit gebouwd… Hoeveel valt ons dan nog meer niet op?
Het bovenstaande verhaal is aangedikt. Er kwamen bijvoorbeeld slechts duizend mensen voorbij, en er bleven wel degelijk mensen staan om te kijken. Een vrouw herkende hem. “Ik zag u in de Library of Congress…” De volgende video geeft een betere indruk van wat er gebeurde (en de verdere details staan in de Washington Post):



Zelfs als we het verhaal voor waar aannemen, dan nog is de gevolgtrekking hierboven (
Hoeveel valt ons dan nog meer niet op?) te gemakkelijk. Merkten de voorbijgangers echt niet op dat hier prachtige muziek werd gespeeld? Stel, we hadden ze bij aankomst op hun werk als collega gevraagd: “Heb jij ook die virtuoze violist gezien?” Wat zouden ze dan hebben geantwoord?
Onze hersenen hebben geen hoogste instantie die de beslissing neemt om te blijven staan en te luisteren. Het idee van een ultieme opmerker, een finale beslisser, de wil, is een waanidee. In onze hersenen zijn allerlei verschillende gebieden naast elkaar actief. Het ene gebied meer dan het andere. Sommige gebieden versterken elkaar. Andere gebieden onderdrukken elkaar. Wat we doen, hoe we handelen, hangt af van welk gebied de overhand krijgt. Dat kan doordat de activiteit in dit gebied het sterkst is, of doordat de activiteit in andere gebieden is verzwakt. William James heeft dit proces mooi beschreven als het gaat om het opstaan uit een warm bed in een koude kamer:
A fortunate laps of consciousness occurs; we forget both the warmth and the cold; we fall into some revery connected with the day’s life, in the course of which the idea flashes across us, “Hollo, I must lie here no longer” – an idea which at that lucky instant awakens no contradictory or paralyzing suggestions; and consequently produces immediately its appropriate motor effects.
William James, 1890, Principles of Psychology, geciteerd en verder uitgelegd door Kolk (zie onderaan).
Een idee dat actief wordt staat bij James gelijk aan de motorische actie die bij dat idee hoort. “Dit zeer centrale principe in de psychologie van de wil noemt James het principe van ideomotor action.” (Kolk, p. 141). Naast een ideomotorisch idee dat de overhand krijgt is er dan niet nog een aanvullend wilsbesluit nodig.

Hoe werkt het nu bij de passanten van Joshua Bell? In hun geest hadden de ideeën die samenhangen met het spitsuur het voor het zeggen. Ze snelden naar hun trein of naar hun werkplek. Natuurlijk hoorden ze de muziek. Natuurlijk herkenden velen de virtuositeit. Maar deze ideeën kregen niet de overhand. Daarom stopten ze niet om te luisteren. Het haastig doorlopen was net iets sterker dan het warme Bach-bad. Ze hoorden prachtige muziek, herkenden het soms zelfs als Bach, maar stonden er niet bij stil.
Behalve dan die ene vrouw. In tegenstelling tot alle andere passanten had zij Joshua Bell zien optreden. Bij haar was de activiteit van ideomotorische complexen net iets anders dan bij de overige passanten. Want “het optreden was fantastisch”, en nog steeds waren de bij het concert behorende ideeën in haar geest actief. Bij haar kwam Bell net zo binnen als bij alle andere passanten. Maar de aanblik van Bell raakte verbonden met de herinneringen aan het concert, en die dubbele activiteit was sterk genoeg om concurrerende ideeën, zoals werktijden en haast, op de achtergrond te drukken. Dus bleef ze staan om te luisteren, en haar bewondering uit te spreken.
Haar bewustzijn verschilt sterk van de andere passanten, maar haar hersenen nauwelijks (als ik aanneem dat ook zij gehaast op weg is naar haar werk). In haar hersenen zijn dezelfde ideeën actief als in de hersenen van alle andere forenzen. Maar zij stopt en kijkt naar Bell, omdat haar Bell/Bach-gebieden een lichte voorsprong hadden. Wel of niet stoppen is geen kwestie van een wilsbesluit, maar van een relatie tussen de buitenwereld en toevalligheden in het brein. Nu staat zij te kijken, de klanken van Bach onderdrukken de ideomotoriek van haar forenszijn. Als Joshua Bell stopt met spelen, zal zij gewoon haar weg vervolgen.
Ja, we herkennen schoonheid altijd. Ja, vaak we wenden ons hoofd, al is het slechts licht. Maar nee, we stoppen niet altijd. Waarom zouden we? Een vrijgezelle vrouw op zoek naar een muzikale man zou stoppen. Een vioolbouwer zou stoppen. Een organisator van klassieke muziekfestivals zou stoppen. Een componist zou stoppen. Of we stoppen hangt af van de rekruten die Bach en Bell in ons hoofd aantreffen. We herkennen schoonheid altijd, alleen soms trekt de rest van de wereld harder.

zondag 10 januari 2010

De genialiteit van Descartes

Organismen gaan vooraf aan zenuwstelsels. Dit lijkt een open deur, zeker na een jaar vol lezingen over evolutie, maar niets is minder waar. In veel hedendaagse neurologische (en neuro-filosofische of neuro-psychologische) geschriften is het eerder andersom. Daarin staat het lichaam ten dienste van de hersenen. De hersenen bedenken of berekenen wat er moet gebeuren, waarna een signaal aan het lichaam wordt gegeven om een en ander uit te voeren. En ook andersom. Signalen van de zintuigen en propriocepsis zijn er om de hersenen te informeren. Zeker als het mensen betreft wordt er geschreven alsof het belangrijkste element van het leven zich tussen de oren bevindt. De hersenen staan centraal.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat René Descartes de filosoof is die het meest als kop van jut wordt gebruikt. Descartes bracht een scherp onderscheid aan tussen lichaam en geest. Ze behoorden in zijn filosofie tot verschillende werelden. Slechts op één oneindig klein punt ergens diep in de hersenen raakten lichaam en geest elkaar. Als opwarming of vingeroefening beginnen veel schrijvers daarom met het verwerpen van dit ridicule uitgangspunt, deze vergissing van Descartes. Niemand, een paar religieuze fanatici daargelaten, gelooft nog in een apart Rijk van de Geest. De geest bevindt zich in de hersenen, en hersenen zijn net zo materieel als het lichaam.
De ironie van deze potsierlijke verwerpingen is dat hiermee het sterkste inzicht van Descartes terzijde wordt geschoven. Volgens Descartes was het namelijk onzin om te zeggen dat de menselijke geest zetelt in de hersenen, omdat geest, denken of bewustzijn niet gelokaliseerd kunnen worden zoals een hart, nieren, lever, of hersenen. De methoden en technieken waarmee we natuurwetenschappelijke verschijnselen bestuderen zijn niet geschikt om geestesverschijnselen aan onderzoek te onderwerpen. Hiermee nam Descartes afstand van het middeleeuwse, maar nog immer populaire idee dat geesten zich ergens bevinden, zich kunnen verplaatsen (rondspoken) of een andere vorm aan kunnen nemen. Materie is te lokaliseren, kan op andere plaatsen terecht komen en andere vormen aannemen. Geest niet. Dat inzicht van Descartes zouden we moeten koesteren.
Maar dat doen we niet. Twee gedachte-experimenten uit de afgelopen decennia laten zien dat we de menselijke geest zonder aarzelen vereenzelvigen met de hersenen. Ik zal ze hier bespreken om u te laten voelen hoe stevig het precartesiaanse idee van een lokaliseerbare geest in ons denken is geworteld.

Het eerste gedachte-experiment is dat van de hersentransplantatie. Stel, ’s nachts, zonder dat u het merkt, worden uw hersenen verwijderd en overgeplant in een ander lichaam. In films is dat, om het geheel nog wat dramatischer te maken, altijd een lichaam van het andere geslacht. Zenuwbanen worden keurig aangesloten. Dan ontwaakt u. Wat ervaart u? Schrikt u, omdat u wakker wordt in een ander lichaam, een lichaam dat u volkomen vreemd is? Een heftige en verwarde paniek: “Deze geslachtsorganen zijn niet van mij!”? Als we populaire films mogen geloven is dit precies wat er zou gebeuren. Maar is het beeld dat deze films geven wel juist? Stel dat inderdaad de zenuwbanen keurig zijn aangesloten. Zou het effect dan niet veel milder kunnen zijn? U bekijkt uw handen, raakt uw gezicht aan, en stelt vast dat het anders is dan u zich meent te herinneren, maar tegelijkertijd voelt het zeer vertrouwd. En omdat het zo vertrouwd voelt, twijfelt u aan uw geheugen, en niet aan uw lichaam. Is dit scenario niet minstens zo waarschijnlijk?

Het andere gedachte-experiment is dat van een brein in een vat. Stel, uw brein drijft in een vat met een voedende zoutoplossing. De bloedtoevoer en -afvoer is geregeld middels een speciaal aangepaste hart-longmachine. De zenuwbanen die uw brein binnenkomen en verlaten zijn aangesloten op een computer waarop een programma draait dat de wereld simuleert. Althans, dat computerprogramma geeft uw zenuwbanen dezelfde input die ze zouden krijgen als u tegen de harde koude wind in door de sneeuw zou fietsen, de koptelefoon van uw mobieltje in uw oren, om te luisteren naar het verslag van de laatste ritten op de vijf kilometer. Ervaart u op dat moment hetzelfde als wat u zou ervaren als u daadwerkelijk op de fiets zou zitten? Voelt u de koude wind uw, niet bestaande, gezicht teisteren? Of gebeurt er iets heel anders, en voelt u niets? Meent u op een vage manier te weten dat u op de fiets zit, zonder dat u het gevoel heeft op de fiets te zitten? Is uw ervaring vergelijkbaar mijn ervaring van het feit dat ik mij met een duizelingwekkende vaart in een slingerbaan rond de zon beweeg, meer een weten dan een voelen? Dooft uw bewustzijn uit, en blijft er iets ongrijpbaars over wat we voor het gemak maar aanduiden als cognitie, een mogelijkheid om correcte antwoorden te geven op vragen van verbijsterde omstanders?
Onze intuïties over hersentransplantaties en breinen in vaten laten zien dat we het bewustzijn al te gemakkelijk lokaliseren. De praktijk is namelijk weerbarstiger. In de praktijk vallen hersenen en bewustzijn niet zomaar samen.

Er zijn gevallen bekend van mensen waarbij pas op latere leeftijd werd ontdekt dat ze slechts beschikken over één hersenhelft (hemisfeer). In de daaraan voorafgaande jaren klaagde noch de persoon zelf, noch de omgeving over een half bewustzijn. En zelfs als een hersenhelft op latere leeftijd wordt verwijderd (hemisfeerectomie), lijken de gevolgen voor het bewustzijn minimaal of zelfs helemaal afwezig. Neurochirurg John Freeman van de John Hopkins Universiteit in de Verenigde Staten voert deze operatie in zeldzame gevallen uit, om de nog ernstigere gevolgen van steeds terugkerende epilepsieaanvallen te voorkomen. In de Scientific American verklaart hij dat onderzoek laat zien dat kinderen die een hemisfeerectomie hebben ondergaan zelfs beter gaan presteren op school doordat de epilepsieaanvallen uitblijven. “De een werd bowlingkampioen van haar klas, een ander schaakkampioen van zijn staat, en nog weer anderen doen het prima binnen het onderwijs,” aldus Freeman.
Natuurlijk heeft de operatie ook nadelen: “Je kan lopen, rennen – sommigen zelfs dansen of springen – maar het gebruik van de hand die bij de verwijderde hemisfeer hoort gaat verloren. De arm functioneert nauwelijks en je verliest het blikveld aan die kant.” Maar met die nadelen valt leven als het alternatief iedere tien minuten een epileptische aanval is. Een moeder vertelt in The New Yorker: “Mijn zoon onderging een hemisfeerectomie bij Dr. Mathern van UCLA toen hij acht jaar oud was, en hij doet het wonderbaarlijk goed… Hij is nu zestien, is een gemiddelde leerling en zit in het tennisteam van zijn school… Hij heeft een geweldige persoonlijkheid en het lijkt echt beter met hem te gaan sinds de operatie.”
Als het mogelijk is om een hemisfeer operatief te verwijderen zonder dat daarmee denken en bewustzijn verdwijnt, wat wordt er dan bedoeld als we zeggen dat het bewustzijn zetelt in de hersenen? Waarom zetten we de hersenen dan zo centraal bij het denken over bewustzijn? Wellicht omdat we dachten dat Descartes er naast zat toen hij schreef dat lichaam en geest twee verschillende substanties zijn? En omdat we daarna bedachten dat er slechts één substantie is, materie. En we dus de conclusie trokken dat geest ook materie moet zijn. En waar anders kan de geest zitten dan in de hersenen? Was dat een vergissing van Descartes alleen? Of vergissen wij ons ook, als ons gevoel zegt dat onze hersenen vooraf gaan aan het lichaam, het organisme?
Waarom verbazen we ons zo over de plasticiteit van hersenen? Zouden we ons niet veel eerder moeten verbazen over de plasticiteit van ons lichaam, dat kennelijk ook bewustzijn kan voortbrengen met een minimum aan neuraal weefsel?


• Voor de volledigheid hier de tekst die staat bij de onderste foto:

Clinical Picture
The Lancet, 359, February 6, 2002
Half a brain
Johannes Borgstein
Caroline Grootendorst
This 7-year-old girl had a hemispherectomy at the age of 3 for Rasmussen syndrome (chronic focal encephalitis). Intractable epilepsy had already led to right-sided hemiplegia and severe regression of language skills. Though the dominant hemisphere was removed, with its language centres and the motor control for the left side of her body, the child is fully bilingual in Turkish and Dutch, while even her hemiplegia has partially recovered and is only noticeable by a slight spasticity of her left arm and leg. She leads an otherwise normal life.
University Hospital Rotterdam, 3015 GL Rotterdam, Netherlands


• Teksten waarnaar verwezen is, en om verder te lezen:

The New Yorker: The Deepest Cut

dinsdag 5 januari 2010

Monteurs, ingenieurs & filosofen

Het verdient aanbeveling om nog eens goed na te denken over de slagzin van het laboratorium van Heike Kamerlingh Onnes: Door meten tot weten. Want let op, de slagzin was uitdrukkelijk niet: Meten = Weten. Tussen meten en weten bevinden zich namelijk wetenschappelijke concepten, wiskundige noties, rekenkundige principes en onuitgesproken vooronderstellingen. Doorbraken op het gebied van perceptie, dieper inzicht in cognitie en onderzoek naar bewustzijn zijn op dit moment meer afhankelijk van conceptuele vernieuwingen dan van verdergaande metingen. Het wachten is dus op de komst van creatieve neurofilosofen, aldus bijvoorbeeld Michael Gazzaniga. Tot die tijd hopen we dat onderzoekers met hun scanners steeds meer onverklaarbare feiten aandragen, zodat de verwarring toeneemt en in brede neurowetenschappelijke kring het besef postvat dat scannen nog geen weten is.

Bovenstaande is de conclusie van een essay dat te lang is om in een blog te plaatsen. Klik hier voor het hele essay (op SCRIBD).

woensdag 23 april 2008

Schatten van het brein

Wij zijn ons brein. Natuurlijk zijn we ook veel meer, maar we zijn toch vooral ons brein. De ettelijke miljarden neuronen in ons schedeldak spelen een bepalende rol bij alles wat we waarnemen, denken, willen, hopen, voelen en doen. Zonder mijn brein zou ik er niet zijn.
Het is dan ook geen wonder dat wetenschappelijk onderzoek aan ons brein met een religieuze waas is omgeven. Wie in ons brein kan kijken, kan in onze ziel kijken. Althans, dat is de gedachte. En daarom zat afgelopen maandag de grote zaal in De Balie in Amsterdam helemaal vol voor de vierde aflevering van het Kenniscafé: De Verborgen Schatten van het Brein. De formule van dit kenniscafé is prachtig. Ruim anderhalf uur lang luisterde het publiek bijna ademloos naar een inleiding, filmpjes, kritische noten, illustraties, verdere uitwijding en een column als uitsmijter. Wie denkt dat kennisoverdracht niet meer van deze tijd is, of dat mensen niet geïnteresseerd zijn in een avond exacte wetenschap, die kwam bedrogen uit. Mensen komen naar kennis, zeker als ons dierbaarste orgaan voor het voetlicht staat.
De inleiding werd gegeven door prof.dr. Peter Hagoort. Hagoort is directeur van het F.C. Donders Centre for Cognitive Neuro-Imaging van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar het menselijk taalvermogen. Hagoort zette in nog geen twintig minuten helder uiteen hoe scan- en computertechnieken worden gebruikt om afbeeldingen te maken van hersenen in actie. Ik zal zijn voordracht hier niet dunnetjes overdoen. Iedereen heeft wel eens een plaatje van hersenen gezien waarop bepaalde gedeelten gekleurd zijn aangegeven. Om die gekleurde gedeelten gaat het dan, daar is tijdens het onderzoek verhoogde activiteit gemeten, of juist niet.

Breinonderzoek is een veld waar ook filosofen zich druk mee bezighouden. Natuurlijk gaan wij niet zelf onderzoek doen. Nou ja, misschien sommigen van ons wel, maar de tijd dat alle filosofen eigenhandig hun gegevens verzamelden ligt ver achter ons. Moest Descartes zelf nog de handen uit de mouwen steken, wij maken gewoon dankbaar gebruik van wat collega wetenschappers in laboratoria hebben uitgevogeld. Breinonderzoek levert zeer veel brandstof voor filosofische gedachtegangen. Ook het onderzoek van Hagoort, want zoals hij zelf zei: “Interpretatie van breinactiviteit is niet theorie-neutraal.” Daarmee zei hij waarschijnlijk iets waars en diep filosofisch, maar wat betekent het precies? Interpretatie? Theorie-neutraal?
Wat betekent het als we op een scan zien dat een bepaald gebied in de hersenen actief is bij het uitvoeren van een taak? Dit is de centrale vraag bij hersenonderzoek, en het is een vraag waarvan niemand precies weet hoe we er antwoord op moeten geven. Tegelijkertijd is het de vraag waarop door veel schrijvers uit de losse pols de meest suggestieve antwoorden worden gegeven. Met als uiterste idiotie het idee dat hersenscans ooit gebruikt kunnen, en zullen (door de CIA en de FIOD!) worden om gedachten te lezen. Ik zal de komende dagen dit overhaaste enthousiasme trachten te temperen. De boodschap daarbij is dat u rustig kunt gaan slapen, zonder u zorgen te maken over een dromentapper. Tussen onze ziel, onze diepste gedachten, en ons brein gaapt een vooralsnog onoverbrugbare kloof.

Aan het eind van zijn korte lezing verhaalde Hagoort over zijn onderzoek aan schizofrene patiënten. Daaruit was gebleken dat bij schizofrene patiënten de primaire auditieve schors actief is. Dat is het gedeelte van ons brein dat normaliter ook actief is als wij een stem horen. Onmiddellijk nadat Hagoort was uitgesproken kwam de onvermijdelijke vraag uit het publiek:
“Kun je dan zeggen dat schizofrene patiënten stemmen horen?”
Hagoort gaf bedachtzaam neutraal antwoord:
“Er zijn gebieden actief die ook bij ons actief zijn als we stemmen horen.”
Dit antwoord liet zien hoe belangrijk de keuze van woorden is bij de interpretatie van hersenonderzoek. Hagoort was terecht voorzichtig. Toch verbaasde het mij dat Hagoort niet gewoon antwoordde met:
“Nee, je kunt niet zeggen dat schizofrene patiënten stemmen horen, dat is nu juist het probleem van schizofrenie! Ze denken alleen maar dat ze stemmen horen.”
Waarom koos Hagoort niet voor dit antwoord? Waarschijnlijk omdat hij er, net zoals ik, en net zoals u, onbewust vanuit gaat dat stemmen horen een proces is dat zich in ergens het brein afspeelt. Maar is dat wel zo? Is de activiteit van het brein ooit te interpreteren los van de omgeving waarin het brein zich bevindt?
Stel dat er geen verschil zit tussen de activiteit in de hersenschors van een schizofrene patiënt terwijl ze geen stem hoort en dezelfde schors bij een niet-schizofreen persoon terwijl ze wel een stem hoort. En stel dat we deze situatie willen beoordelen door alleen naar de hersenschors te kijken. Wie hallucineert er dan? Dat is niet te zeggen! Om te kunnen zeggen dat iemand hallucineert zul je een discrepantie tussen brein en omgeving moeten aanwijzen. Hallucineren is niet zomaar een eigenschap van het brein. Het is een eigenschap van een brein in relatie tot een omgeving.
Neem een ander voorbeeld. Stel, zonder dat er iets in zijn omgeving te zien valt, vertelt een man gedetailleerd over beelden in zijn hoofd. Aanvankelijk brengen we hem naar de psychiater vanwege zijn waanbeelden, maar al snel blijkt dat wat de man ziet, ook daadwerkelijk gebeurt, alleen een paar dagen later. Is deze man ziek? Moet hij behandeld worden met medicijnen die de overvloed aan activiteit in zijn visuele schors onderdrukken? Of is hij hypersensitief? Of misschien zelfs helderziend? Of een extreme bofkont?



Lotte van Dillen, Sarah de Rijcke en Peter Hagoort in het Kenniscafé