Posts tonen met het label atheïsme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label atheïsme. Alle posts tonen

zondag 11 april 2010

Onweerstaanbare verleiding

Eva is de oermoeder van onweerstaanbare verleiding. Zij wordt door een slang verleid tot het eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Daarna verleidt zij op haar beurt Adam tot het snoepen van de verboden vrucht (vaak uitgebeeld als een appel). De gevolgen van deze zondeval zijn bekend. God had het eten van deze boom uitdrukkelijk verboden, dus leidde de knieval voor de verleiding tot het einde van het paradijs, schaamte en oneindig veel leed.

Het verhaal verbeeldt onze opvattingen over het happen in verboden vruchten. Tiger Woods weet er alles van. Door zijn prominente rol op het sporttoneel staat Woods symbool voor de hele mensheid. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat hij een mengelmoes van bijna alle rassen en culturen is. Hij leefde samen met een prachtige blonde vrouw en twee kinderen in een paradijselijk golfresort van mondiale omvang. Maar Woods viel voor de onweerstaanbare verleiding van vrouwelijk schoon, niet één keer, maar tientallen keren. Daardoor stortte hij de diepte in.
Het verhaal van Woods verschilt niet van het verhaal van Adam. Onweerstaanbare verleidingen leiden tot verderf en ondergang. Vallen voor de verleiding van vet voedsel, leidt tot onvermijdelijk tot een vervet lichaam, en uiteindelijk tot een hartaanval en de dood. Vallen voor de verleiding van geld, leidt tot een graaicultuur en uiteindelijk tot een economische crisis die de mensheid in het verderf stort. Vallen voor een verleiding is spelen met de duivel, flirten met de dood.

En, als vallen voor verleiding flirten met de dood is, dan is weerstand bieden aan alle verleiding de garantie voor het Eeuwige Leven. In christelijke culturen vormt het gevecht van Jezus met de duivel het symbool voor deze weerstand. Tiger Woods en de economische crisis zijn hedendaagse symbolen voor de zwakte van de mens.
Oppervlakkig beschouwd lijkt dit overeen te komen met Plato’s allegorie van de strijdwagen. Plato beschrijft de menselijke ziel als een strijdwagen met een menner op de bok en twee paarden. De menner staat voor het verstand, de paarden voor het gemoed. Het ene paard is gewillig en nobel, het andere onstuimig, geil. Het onstuimige paard
[...] trekt zich niks aan van sporen en zweep van de menner. Het holt met geweld vooruit en bezorgt het andere paard en de menner een hoop last. Het dwingt hen naar de geliefde toe te gaan en hem [of haar] aan seksuele genoegens te herinneren. In het begin verzetten het goede paard en de menner zich, boos als ze zijn dat ze tot vreselijke, ongeoorloofde dingen worden gedwongen. Uiteindelijk, wanneer de ellende niet ophoudt, laten ze zich maar meetrekken. (Faidros 253E-254A)
Het verstand en de nobele gedeelten van Tiger Woods verzetten zich, maar het onstuimige paard was sterker. Een mooi beeld. Het is de taak van de mens zijn geile paard te temmen, zodat zijn karos het smalle pad van het Goede Leven kan volgen.
Toch doet dit beeld geen recht aan de werkelijkheid. Het probleem is dat het verstand en de nobele gedeelten van het gemoed geen drijfveer voor grootse daden kunnen zijn. Zonder de brute kracht van het geile paard staat de karos nagenoeg stil. De wereldwonderen, de meest indrukwekkende verdiensten van de mensheid zijn ondenkbaar zonder een bijna alles vernietigende drijfveer. Prestaties in technologie, kunst en wetenschap vragen om mensen bij wie het geile paard rukt en sjort, hinnikt en geen slaap toestaat. Verstand en zelfbeheersing zijn mooi, maar zonder ontsporing zou de wereld nooit een betere plek worden om te leven. Als de Hemel het doel van het leven is, dient het geile paard te worden getemd. Maar als geluk slechts verscholen ligt in de aardse werkelijkheid, dan zullen we ons woeste paard moeten koesteren.
Het seksuele gedrag van Tiger Woods ontspruit aan dezelfde kracht als zijn geniale drive en swing op de golfcourses. De liefde voor paté van Michel Onfray, zijn hartaanval en zijn ongebreidelde filosofische passie verraden een briesend paard in de diepten van zijn ziel. De economische crisis en onze ongekende welvaart vloeien voort uit dezelfde bron: geile hebzucht. Salvador Dali’s vlijmscherpe kunst valt samen met zijn seksuele idiotie (Dirty Dalì, heette het televisieprogramma). Diane Fossey’s doodsverachtende liefde voor gorilla’s werd getrokken door hetzelfde paard als haar fanatieke gebruik van sigaretten en alcohol.
Wellicht had Eva een ander belang. Wellicht zag ze op tegen een eeuwigheid met een duffe Adam die zijn woeste paard al te strak beteugelde. Zonder de drijfveer van de zondige verleiding worden er nooit schatten ontdekt. Eten van de boom der kennis van goed en kwaad is geen zonde, alhoewel het tegen de regels van de God is. Mits het verstand en het nobele gemoed de teugels niet helemaal laten vieren, zijn verboden vruchten de opmaat tot de allerhoogste hoogten van onze beschaving.

Dit is een korte samenvatting van de lezing die ik gisteren in Museum Wierdenland heb gegeven.

woensdag 11 maart 2009

Atheïsme is geen keuze







Atheïsme is iets anders dan de keuze om te geloven dat er geen God is. Geloven in God is een keuze, atheïsme is dat niet. Je kiest er niet voor om niet in kabouters te geloven. Je kiest er niet voor om niet in morfogenetische velden te geloven. Je kiest er niet voor om niet in neurofeedback te geloven. Er zijn domweg geen redenen om wel in kabouters, morfogenetische velden en neurofeedback te geloven, dus doet de keuze zich niet voor. Het staat eenieder natuurlijk vrij om wel in kabouters en aanverwante zaken te geloven, maar dat is dan een keuze. De bewijslast ligt zo bij de gelovigen, niet bij degenen die geen enkele aandrang hebben te geloven.
Daarom trachten we te bewijzen dat de ruimte gekromd is, dat de aarde meer dan vier miljard jaar oud is en dat ons DNA erg op dat van chimpansees lijkt. Daarmee ondersteunen we de theorieën van Einstein, het ontstaan van ons zonnestelsel en evolutie. Die bewijslast willen we wel hebben. Maar niet de bewijslast voor het niet bestaan van onzinnige zaken! Want waar zouden we dan moeten beginnen?!
Door heel hard te roepen dat God niet bestaat, sterker nog, door heel hard te roepen dat God waarschijnlijk niet bestaat, zadelen atheïsten zich op met een onzinnige bewijslast. Floris van den Berg stond er gisteravond daarom weer knullig bij in Netwerk (dinsdag 10 maart). Joop van Ooijen, die “Jezus redt” op zijn dak heeft gemozaïekt, plaatste keer op keer een overrompelende aanval. Het leven na de dood is zo mooi als je in God gelooft! Wat blijft er van de maatschappij over als niemand meer in God gelooft? Je bent zo gelukkig als je je lot in de handen van Jezus legt! Kortom, Jezus redt.
Van den Berg stamelde wat, en aanschouwde trots het billboard van wat hij 'atheïsten' noemt. God bestaat waarschijnlijk niet. Van den Berg had verder niets zinnigs te melden. Natuurlijk niet, want de uitspraak dat God waarschijnlijk niet bestaat is niet te bewijzen. En het is al helemaal onmogelijk om aan te geven wat er ethisch gezien volgt uit de uitspraak dat God niet bestaat. Door atheïsme op deze wijze voor het voetlicht te plaatsen doet Floris van den Berg precies wat atheïsten niet zouden moeten doen: gelovigen de mogelijkheid geven om atheïsme af te schilderen als een religie naast de andere religies.
Iedereen die begint met “God bestaat waarschijnlijk niet dus…” heeft niets van atheïsme begrepen. Atheïsme is geen religie. Atheïsme is geen uitgangspunt, maar een eindpunt. We noemen iemand atheïst als zij haar leven denkend en genietend inricht en vormgeeft zonder een verwijzing naar God of goden.

vrijdag 13 februari 2009

Collecte en bus

Er is waarschijnlijk geen God. Durf zelf te denken en geniet van het leven.

Afgelopen zondag werd in Amsterdam Darwin Day georganiseerd, met lezingen, columns, discussies, en een enkele lofzang ter ere van de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin (1809-1882). In de pauzes werd gecollecteerd voor de ‘reclamecampagne voor de rede’, de reclamecampagne die bovenstaande leus de openbare ruimte in gaat brengen. Ik had er geen cent voor over. Darwin en God hebben namelijk niets met elkaar te maken. Darwin heeft niet aangetoond dat er waarschijnlijk geen God is. Darwin heeft wel een alternatief gegeven voor creationistische verklaringsmodellen voor de op aarde levende organismen, maar daar volgt niet uit dat God niet bestaat en het wordt er ook niet waarschijnlijker door.
Logisch positivisten hebben aan het begin van de twintigste eeuw uitgelegd dat niet eens bij benadering vast te stellen is wat de term ‘God’ betekent. En zolang niet vast te stellen is wat een term betekent zijn er geen wetenschappelijke, zinvolle uitspraken te doen waarin deze term voorkomt. Anders gezegd, de zin “Er is waarschijnlijk geen God” betekent niets zinnigs. Nog anders gezegd, als wetenschappers uitspraken doen over God, dan doen ze wetenschap tekort of houden ze op wetenschapper te zijn. Cees Dekker die over creationisme spreekt houdt op wetenschapper te zijn, net zoals Richard Dawkins de evolutietheorie tekort doet als hij spreekt over God als misvatting. Wetenschap gaat over zinvolle vragen. Het meest wetenschappelijke antwoord op de vraag “Denkt u dat God bestaat” is daarom: “Huh?”
Maar zelfs als de term God wel een duidelijke betekenis heeft, dan is de uitspraak “Er is waarschijnlijk geen God” nog steeds onzinnig, ditmaal door het woord ‘waarschijnlijk’. Zoals Karl Popper (1902-1994) heeft laten zien worden uitspraken binnen de wetenschap niet in een of andere objectieve betekenis waarschijnlijker of onwaarschijnlijker. Op het moment dat God neerdaalt op aarde is de uitspraak “God bestaat waarschijnlijk niet” in een klap onwaar, net zoals de uitspraak “God bestaat heel misschien niet” of “God bestaat niet.” Het woord “waarschijnlijk” voegt dus niets interessants toe. Zaken bestaan of ze bestaan niet.
Het vervelendst van de reclameslogan is echter dat er na “Er is waarschijnlijk geen God” in een adem wordt doorgegaan met “Durf zelf te denken” en “Geniet van het leven.” Ondanks dat er strikt genomen geen logisch verband is, lijkt het hierdoor alsof er een samenhang is tussen deze beweringen. Maar de oproep om zelf te denken is toch hopelijk niet afhankelijk van het bestaan van God?! En de wens om te genieten van het leven staat toch los van de vraag of er goden zijn?! Andersom gezegd, zelfs als het bestaan van God onomstotelijk is aangetoond, dan nog, of juist dan, is het advies om zelf te denken van kracht. En zelfs als de goden onophoudelijk vervelende bevelen naar de aarde sturen, dan nog is het advies om rustig de tijd te nemen en te genieten van het leven zinnig.
Volgens de wetten van de reclame adviseert de tekst op de bus onbedoeld gelovigen om niet na te denken en niet te genieten. De slogan verbindt te makkelijk de teloorgang van God met de opleving van rede en genot. Terwijl het precies andersom zou moeten zijn. Een opleving van rede en genot doet de stem van God verstommen. Dat was de verdienste van Darwin.
“Denk en geniet” was daarom als slogan voldoende geweest.

dinsdag 19 augustus 2008

Vrij voorspelbaar

Dit blog is een reactie op Degeneratie door Martin de Boer.

Stel, er is een God die precies weet wat wij zullen gaan doen en wat wij zullen gaan laten. Met andere woorden, stel er is een God die ons handelen met een oneindige zekerheid en nauwkeurigheid kan voorspellen. Zou een dergelijke God het einde van onze wilsvrijheid betekenen?
Nee, want voorspelbaarheid en wilsvrijheid zijn niet tegengesteld aan elkaar. Veel keuzen die mensen maken zijn voorspelbaar, maar worden daarmee niet onvrij. Als ik moet kiezen tussen roti kip of een patatje oorlog, kunnen mensen die mij een beetje kennen gemakkelijk voorspellen wat ik zal gaan kiezen, maar dat maakt mijn keuze niet onvrij. Het is een keuze, en een keuze vloeit voort uit persoonlijkheidskenmerken die redelijk stabiel zijn, dus voorspelbaarheid ligt voor de hand. Zelfs als er een Culinaire God zou zijn die al mijn keuzen op het gebied van gerechten gedurende mijn hele leven correct zou kunnen voorspellen, dan nog zou dat niets afdoen aan de vrijheid van mijn keuzen. Als ik de mogelijkheid heb, kies ik gerechten in overeenstemming met mijn smaak. Het zou zorgelijk worden als ik patatje oorlog zou gaan eten als er roti voorhanden is. Dat zou geen wilsvrijheid zijn maar een teken van geestelijke achteruitgang, of een uit de hand gelopen discussie over determinisme.
Kortom, het voorspellend vermogen van God maakt ons niet onvrij. Als we keuzes maken doen we dit op basis van een overwegingproces. Dat proces is voor anderen te overzien, en dus te voorspellen. Gelukkig maar, anders was iedereen steeds stom verbaasd over onze keuzes. Een God die alles kan voorspellen is gewoon een hele goede psycholoog, of een neuroloog met een oneindig goede scan en een perfecte theorie.
Irrationaliteit of grilligheid beperken de vrije wil, niet voorspelbaarheid. Dat is geen ramp, lijkt mij. Liever een voorspelbare zondaar, dan een onvoorspelbare, want een voorspelbare zondaar heeft waarschijnlijk een goede grond voor zijn zonde, en anders wellicht een rationele toegang tot de aanleiding.
Echter, God kan ons niet slechts voorspellen, hij heeft ons en de hele reutemeteut ook geschapen. Is hij daarom niet verantwoordelijk voor onze zonden? Ja, natuurlijk. Hij is als bewuste Schepper de oorzaak van onze zonden, dus verantwoordelijk. Als Hij zou worden beoordeeld door een nog HOGERE AUTORITEIT dan zou hij schuldig bevonden kunnen worden. Maar wat zou dat? Of ik als wezen nu een gevolg ben van de Big Bang en natuurwetten of van God die met voorbedachte rade een zondige ziel in mijn lijf heeft geplaatst, maakt voor mij toch niets uit? Als ik bewust een, gemeten volgens Goddelijke Normen, zonde bega, dan kan dat een indirect gevolg zijn van de Big Bang of de Geest van God. In beide gevallen ben ik voor mijn daden verantwoordelijk, en kan ik mij niet verschuilen achter een of andere vorm van een Ich habe es nicht gewusst of een Sorry, just following orders.
De vraag is niet of er echte, metafysische, wilsvrijheid is. De vraag is of de handelingen die iemand uitvoert overeenstemmen met wat die persoon wil op grond van persoonlijkheid, uitgangspunten en overwegingen. God zou echt wreed zijn als ik steeds dingen zou doen die tegen mijn wil ingaan. Ik wil vloeken en God steekt er een stokje voor. Ik wil iemand een hart onder de riem steken bij haar beslissing tot euthanasie, en God legt mij veroordelende woorden in de mond. Ik wil mijn kinderen uitleggen hoe wonderschoon de evolutietheorie in elkaar zit, en een door God geënsceneerde kwantumsprong laat mijn stembanden een lofrede op Intelligent Design uitbraken. Kijk, dat zou pas wreed zijn.
Gelukkig handel ik over het algemeen in overeenstemming met mijn wil. En als dat niet gebeurt, dan kan ik later op die handelingen terugkomen om de zaken alsnog recht te zetten. Daarom maak ik me geen zorgen over de vraag of die wil vrij is. Door God geschapen of door natuurwetten bepaald, het is mijn wil. Gods alwetendheid en almacht botsen niet met mijn vrije wil, en ook niet met mijn verantwoordelijkheid voor mijn gedachten, woorden en daden. Niet zolang ik mijn wilsbesluiten enigszins consequent in de daarbij behorende daden kan omzetten. Het probleem is niet gelegen in metafysische wilsvrijheid, maar in de vraag in hoeverre God mij belet dat te doen waartoe ik na overweging besloten heb.
Voor zover ik kan nagaan, doet Hij dat niet. Of dat Hem tot een Goede God maakt of tot een Niet-Bestaande, kan ik per definitie niet overzien, en is dus niet iets om mij zorgen over te maken. Gods Almacht, Algoedheid en Alwetendheid degenereren mijn wil niet. Daarin is mijn vrijheid gelegen, en daarmee staan de wegen tot een door mij verkozen leven vol genot en geluksmomenten wagenwijd open.

Zie ook mijn Vrije Wil Binnenste Buiten, in
Lichaam en Geest, Jeroen Bartels e.a. (red.), Damon, 2006.

woensdag 25 juni 2008

Zin in leven

















You live a little and then you die.

Geen zin vat de zin van het leven mooier samen dan deze acht woorden. Je leeft een beetje en dan ga je dood. Natuurlijk, we zijn meer dan mieren, maar ten opzichte van een universum met een doorsnee van dertien miljard lichtjaar valt dat niet op. Je leeft een miniem klein beetje en dan ga je dood.

We have been around for an infinitesimally small proportion of the life of the universe, and even the best estimates for our continuation don’t give us too much longer in the cosmic scheme of things. None of us, not even the cleverest, really understands where we came from – the origin of the universe we inhabit is necessarily a mystery to us. And, as far as we can tell, the fate of this universe we inhabit is heat death… No life, no light, no change – for ever and ever.
(Mark Rowlands in Philosopher at the End of the Universe)

Of, om Rowlands even samen te vatten, you live a little and then you inevitably die.
Die absurditeit van het leven wordt weergegeven in de mythe van Sisyphos. Met een slimmigheid probeerde hij aan de vergetelheid te ontsnappen en om die reden werd Sisyphos door de goden veroordeeld tot eeuwigdurende zinloze arbeid. Hij moest een steen tegen een steile berg oprollen, en als hij boven kwam rolde de steen naar beneden en kon hij weer van voren af aan beginnen. Voor Sisyphos, die even had gedacht intelligenter te zijn dan de goden, was dit een hemeltergende kwelling. Zo slim en dan veroordeeld tot een zinloos bestaan!
De situatie voor ons is niet veel anders. Alles wat we met ons superieure brein voor de eeuwigheid denken te bereiken, zal door de hittedood van het universum worden uitgewist. Met iedere steen die wij verleggen in een rivier, gaat het water anders stromen dan voorheen, maar slechts voor een lachwekkend korte tijd. Je leeft een beetje en dan ga je dood. Niet lang daarna zijn al je sporen uitgewist. Over honderd jaar (en dit is een ruime schatting) zijn jullie allemaal dood, ik ook, en is er niemand meer die zich ons herinnert.
Sisyphos wilde zich meten met de goden en daarvoor werd hij gestraft, althans dat is de gebruikelijke interpretatie van deze mythe. Het werkelijke probleem van Sisyphos was dat hij zich überhaupt met de goden wilde meten. Dus niet omdat de goden hem daarvoor straften, maar omdat zich willen meten met de goden een straf op zich is! Sisyphos wilde de goden evenaren, en als er iets een straf is, dan is het wel de menselijke drang om aan de goden gelijk te zijn, of de hoop te koesteren om aan de zijde van de goden deel te mogen hebben aan de eeuwigheid. Geen dwingende hoop vernietigt het menselijk leven meer dan deze hunkering naar eeuwigdurende eeuwigheid.
Want wat als Sisyphos zich bescheidener had opgesteld? Natuurlijk had hij de goden dan nog steeds dezelfde poets gebakken. Wat is er nu leuker dan goden voor de gek houden? Natuurlijk was hij dan ook veroordeeld tot het zinloos rollen van een steen. Want goden kunnen nu eenmaal slecht tegen hun verlies. Maar… dan had Sisyphos gelachen om zijn straf. Als je niet de pretentie hebt te leven in het goddelijke licht, als je de zinloosheid van het leven beschouwt als heerlijk onderdeel van je menselijke, al te menselijke bestaan, dan is een steen nutteloos omhoog rollen net zo verrukkelijk nutteloos als dag in dag uit werken en koken, week in week uit bedden verschonen en bladeren ruimen, maand in maand uit de oude kranten buitenzetten en vaste lasten betalen, jaar in jaar uit feestdagen, verjaardagen, kozijnen verven en vliegvakanties.
Het valt mij nog mee dat de steen aan het einde van de tocht naar boven vanzelf weer omlaag rolde. Wat een vreugdevol moment zou dat voor bescheidener Sisyphos zijn geweest. Gniffelend had hij de steen nagekeken. Tenminste, als hij de doelloosheid van zijn bestaan tot in het diepst van zijn hart had gevoeld. Dan had hij geweten dat die doelloosheid juist de reden was om zijn leven in alle hevigheid te omarmen. Dan was hij zo hard mogelijk, gierend van de lach achter de steen aan van de berg afgerend, en honderden keren woest over de kop gevlogen. Zonder enige pretentie, gewoon genietend van het gevoel.
Op de weg naar boven had hij zich kunnen verheugen en verwonderen over de oneindigheid van priemgetallen, de overaftelbaarheid van reële getallen, de schoonheid van Aretha Franklin en Beethoven, de smaak van chocola, de klanken van het Spaans, de nieuwe, maar net te dure Bosatlas, de gedachte dat bewustzijn wel eens voor een deel buiten het hoofd zou kunnen zitten, en het heerlijke, verwarrende, soms moeizame, maar onmisbare gevoel van lief te hebben. Een steen zinloos rollen is een mensonterende opgave als je je een metgezel van de goden acht, maar kan nooit een belemmering zijn om je mens-zijn vol overgave te vieren.

De wolken boven ons sluiten
en scheiden zich
De bries op de binnenplaats
ebt weg en keert terug
Zo is het leven, dus waarom
niet alle tijd genomen?
Wie kan ons weerhouden er
een feest van te maken?

(Loe Yoe)

maandag 16 juni 2008

Een kiem voor levensgeluk

















Laten we eens niet beginnen aan de religieuze, cryptoreligieuze, mystieke of esoterische kant. Laten we ons in ons denken eens niet laten leiden door dogma’s of ervaringen die de rationaliteit ver te boven gaan. Laten we eens beginnen bij de menselijke kant. Laten we beginnen bij de kant van het levensgeluk en het verstand.
Als we daar beginnen is er namelijk helemaal geen probleem. Dan is embryoselectie zo voor de handliggend dat het in sommige gevallen zelfs misdadig is om het niet te doen. Dan is orgaandonatie zo vanzelfsprekend dat te lang wachten met transplantatie na het overlijden in het Wetboek van Strafrecht opgenomen zou moeten worden. Waarom discussiëren wij over deze vragen? Waarom staan de niet-religieuze politieke partijen niet en bloc op om de stormvloed van irrationaliteit te keren die ons ethische landschap aan het teisteren is? Waarom staan we toe dat dogma’s en 2000 jaar verouderde teksten de levens bedreigen van mensen die behept zijn met ernstige erfelijke aandoeningen? Waarom staan we toe dat deze mensen levensgeluk wordt ontnomen, net zoals we hebben toegestaan dat kettervervolging, kruistochten, heksenjacht, slavernij en een verbod op condooms het levensgeluk van velen hebben vernietigd? Waarom buigen we voor opvattingen die niet aan het verstand ontsproten zijn maar aan het principieel onkenbare?
Levensgeluk is dat waar het om draait in een ethiek zonder irrationele wortels. En levensgeluk is geen eigenschap van een klompje cellen, en ook niet van een orgaan uit een gestorven lichaam. Levensgeluk is een eigenschap van het biografisch leven van mensen. Zonder een mens die leeft, liefheeft, beslissingen neemt, twijfelt, angsten kent en vreugde kan er geen sprake zijn van levensgeluk. En als we aan de kant van levensgeluk beginnen dan is embryoselectie een plicht. Met embryoselectie wordt immers bijgedragen aan het levensgeluk van aanstaande ouders uit families die ontwricht worden door vreselijke ziekten.
En we zouden op nog veel meer moeten selecteren dan op ziekten die met een hoge waarschijnlijkheid optreden en dodelijk zijn. Psoriasis lijkt mij een goed voorbeeld. Dat is een in de meeste gevallen niet levensbedreigende huidziekte waar heel goed mee te leven is. Aan de andere kant, het is wel lastig, en zeker als de puberteit over de toppen van onzekerheid scheert kan het tot wanhoop leiden. Als embryoselectie een fluitje van een cent zou zijn geweest, had ik gekozen voor nazaten waaraan ik dit gen zeker niet had doorgegeven, mede om zo bij te dragen aan een wereld waarin psoriasis niet meer voorkomt.
Van een glijdende schaal is hierbij uiteraard geen sprake. De grens is al jaren klip en klaar. Alle ziekten waarbij we nu miljoenen euro’s uitgeven aan geneesmiddelen en behandelingswijzen mogen, als dat kan, met behulp van embryoselectie worden vermeden. Daarmee wordt het levensgeluk van mensen met die ziekten geen cent minder waard (anders zouden we er nu niet zoveel aan uitgeven), en erkennen we tegelijk dat een ziekten levensgeluk in de weg kunnen staan (anders zouden we nu niet streven naar genezing). Slechts zij die aan een klompje van acht cellen een of andere mysterieuze status toekennen zullen menselijk levensgeluk willen opofferen. Henk Jochemsen van het Lindeboom Instituut, christelijk studiecentrum voor medische ethiek, verwoordde deze irrationaliteit prachtig in De Volkskrant van afgelopen zaterdag:
“Het leven, ook dat van een embryo, bergt een geheim dat om respect vraagt. […] Wij willen het leed van vrouwen met een erfelijke vorm van borstkanker helemaal niet van tafel vegen. Maar het betekent niet dat je zover mag gaan dat je kwaliteit van leven selecteert.”
Een geheim op basis waarvan we mensen levensgeluk ontnemen. Tegen euthanasie, tegen abortus, tegen embryoselectie, tegen inenting, tegen levensgeluk op basis van een geheim? Daar kan de plicht tot het bevorderen van het levensgeluk van jezelf en dat van anderen inderdaad niet tegen op.
Orgaandonatie is in dat licht helemaal een bizar vraagstuk aan het worden. Aan de ene kant zijn er dode mensen waarop de term levensgeluk niet langer van toepassing is, aan de andere kant mensen van wie het levensgeluk oneindig zou kunnen worden vergroot met behulp van organen uit die dode mensen. Wat is het probleem?! Leeghalen dat dode lichaam, zo snel mogelijk! Wat voor overwegingen kunnen nabestaanden ertoe brengen geen toestemming te geven? Lees de eerste regels van dit stuk nog eens. Als we beginnen bij de menselijke kant, bij de kant van het levensgeluk, is orgaandonatie na overlijden een onvermijdelijke plicht. Dat er mensen zijn die orgaandonatie op basis van een religieus geheim of een mysterieus gevoel liever vermijden is diep en diep triest. Vanaf de menselijke kant bezien is het zelfs misdadig.
Er zijn veel ethische vraagstukken waarover we ons het hoofd moeten breken omdat ze er toe doen, omdat de antwoorden bepalend zijn voor het levensgeluk van onze dierbaren, naasten, verre naasten en toekomstige generaties. Maar er zijn ook ethische vraagstukken die slechts bestaan bij de gratie van voortwoekerende irrationaliteit. Dat daarmee levensgeluk wordt geofferd aan het onkenbare is niet langer een geheim.

zondag 1 juni 2008

Meta-Pascal

Mijn wortels liggen in Indonesië, het vroegere Nederlands-Indië. In mijn opvoeding werd echter nooit verwezen naar Indië, met één uitzondering. Waar wij Indo’s weet van hebben, en West-Europeanen niet of nauwelijks, is het rijk der doden. West-Europese christenen en nazaten daarvan denken dat zielen na de dood direct naar het hiernamaals gaan. Maar wij Indo’s weten beter. Dode zielen zwerven nog lang over de aarde, vallen de levenden lastig en wachten op verlossing. Die verlossing kan slechts worden verkregen op voorspraak van hogere zielen (de badut-badut). Daarom moeten nabestaanden offeren aan deze hogere zielen, of een penipu (iemand die in contact staat met die hogere zielen) vragen hun overleden dierbare te verlossen. Ook ik ben ingewijd in de leer van de penipu’s. Iedere dag laat ik de zielen van de badut-badut door mijn lichaam stromen, en geef boodschappen van levenden aan hen door.
Wellicht heeft u ook een dierbare verloren waarvan u het gevoel heeft dat zij of hij nog steeds in het ondermaanse ronddoolt. Als u een bedrag op mijn girorekening overmaakt, en mij een e-mail stuurt met de naam van de overledene, het liefst een foto en enkele wetenswaardigheden uit haar of zijn leven, dan zal ik de zaak voorleggen aan de badut-badut en hen vragen uw dierbare te verlossen. Uiteraard kunt u ook geld storten in uw eigen naam, dan zal ik na uw overlijden zo snel mogelijk contact leggen met de badut-badut, om uw overgang naar het hiernamaals te bespoedigen. Hopelijk begrijpt u dat ik veel aanvragen krijg voor bemiddeling. Er zijn niet veel penipu’s. Daarom ben ik genoodzaakt de aanvragen af te handelen op volgorde van de hoogte van de donatie. Mocht ik aan uw aanvraag niet toekomen, dan krijgt u, op mijn erewoord, het door u gestorte geldbedrag terug.

Hoeveel u op mijn rekening gaat storten is afhankelijk van hoe geloofwaardig u het bovenstaande verhaal vindt. Waarschijnlijk gaat u niets storten omdat u denkt dat het volkomen onzin is. Een enkeling (die dit blog toch niet leest) zal een maandsalaris overmaken om zich te verzekeren van een snelle plek in het hiernamaals. En een twijfelaar zal een klein bedrag overmaken om zich verzekerd te voelen tegen al te groot leed na de dood. Met andere woorden, de hoogte van het bedrag dat iemand stort is evenredig met het geloof dat zij hecht aan het hiernamaals, de penipu’s en de badut-badut.
Blaise Pascal kwam met een soortgelijke meetlat voor het geloof in God. Tijdens je leven moet je bepalen waar je op inzet, je gelooft in God of je gelooft niet in God. Geloof je in God, en bestaat God ook (met alle bijbehorende verhalen van Hemel en hel), dan is je winst oneindig groot. Geloof je niet in God en Hij bestaat wel, ... Nou ja, over dat leed hoef ik denk ik niet uit te weiden. En als God niet bestaat heeft dit voor gelovigen, zowel als ongeloven, geen verlies tot gevolg. Dus, zo redeneerde Pascal, kun je maar beter geloven. (Een gedegen behandeling van Pascals weddenschap staat in de
Stanfort Encyclopedia of Philosophy.)
Nu is er zeer veel over Pascals weddenschap te zeggen en gezegd. Met name de premisse dat gelovigen niets verliezen als God niet bestaat is wat mij betreft wankel. Stel u maakt een fors bedrag op mijn rekening over, en penipu’s blijken oplichters te zijn. Verliest u dan niets? Natuurlijk wel, u verliest uw inzet (mijn inkomsten). Op dezelfde wijze gaat de inzet waarmee iemand in God gelooft verloren op het moment dat God niet blijkt te bestaan. Hoe meer tijd iemand aan haar geloof besteedt, hoe groter het verlies dat zij lijdt als de verhalen over God fictie blijken te zijn. Pascals weddenschap maakt slechts indruk op degenen die enigszins in God geloven.
Pascal bevond zich dan ook in een tijdsgewricht waarin intellectuelen de overgang maakten van gelovige Christenen naar atheïstische wetenschappers. Pascal was intellectueel gezien al een atheïst, maar zijn gevoel stribbelde nog tegen. Zijn gevoel werd geleid door de zestien eeuwen Christelijke traditie die hem hadden voortgebracht. Daarom maakte de weddenschap met God zoveel indruk op hem. Op 23 november 1654 ontsnapt Pascal bij een ongeluk met paard en wagen ternauwernood hij aan de dood, valt flauw en als hij vijftien dagen later bijkomt heeft hij een intens religieus visioen. Hij schreef de ervaring van het visioen op, naaide dit document in zijn kleding en droeg het altijd bij zich. Het was Pascals inzet voor zijn eigen weddenschap.
Maakt dit op een hedendaags atheïst enige indruk? Nee, geen enkele. Voor een atheïst bestaat God niet, echt niet. Dus is ieder aan God besteed moment voor een atheïst verlies. De kans dat het Nederlands elftal op het komende Europees Kampioenschap de groepsronde overleeft is verwaarloosbaar klein, maar nog altijd oneindig veel groter dan de kans dat God bestaat. Dus nog beter bewust € 2,50 ingezet op Oranje, dan achteloos € 2,50 in de collectebus voor de zending of missie, zo redeneert een atheïst in de 21ste eeuw. Pascals weddenschap hoeft derhalve niet eens besproken te worden.
Dan kom ik nu tot de formulering van de wet die ik voor het gemak aanduid met Meta-Pascal:
De hoeveelheid woorden die iemand besteedt aan de Weddenschap van Pascal is omgekeerd evenredig met de mate waarin zij atheïst is.

Dit is een reactie op
Pascals polis van Martin de Boer.

O ja, vergeet niet wat geld over te maken, je kunt immers nooit weten.

zondag 25 mei 2008

Een heilig beroep op het Vrije Woord

“Deze werkelozen gaan bij aankomst gewoon op bed liggen wachten tot wij ze als makke lammetjes ons geld komen brengen. Deze werkelozen noemen wij de buitenlanders. Oftewel drugsgebruikers. En zij getroosten zich geen enkele moeite om kennis te nemen van onze rijke cultuur. Bij het horen van namen als Ad Visser en Loeki Knol kijken zij laf en ongeïnteresseerd uit de ogen.” Deze frase uit een conference van Hans Teeuwen is grappig, op z'n minst. Dezelfde frase uit de mond van een extreem rechts politicus is discriminatie. De betekenis van woorden is afhankelijk van de bedoeling van degene die de woorden uitspreekt. In meer filosofisch jargon, de betekenis van woorden is afhankelijk van de intenties van de spreker. Het is een van de lastigere aspecten van vrijheid van meningsuiting.
Kees van Kooten en Wim de Bie waren ooit in de rol van Jacobse en Van Es de oprichters van de Tegenpartij. Deze parodie op extreem rechtse partijen was een groot succes. Jacobse en Van Es ontwikkelden zelfs een heus verkiezingsprogramma, Rug op ’81.



De interpretatie van De Tegenpartij was overduidelijk. Koot en Bie waren van de VPRO. De VPRO was links, heel links. Dus was De Tegenpartij satire, bedoeld om de absurditeit van extreem rechts tentoon te stellen. Hetzelfde gold bijvoorbeeld voor Erik van Muiswinkels persiflage op Hans Janmaat.



Ook hier is geen twijfel mogelijk, en het gelach op de achtergrond maakt de interpretatie wel erg gemakkelijk, dit is humor. Dit is de draak steken met Janmaat en zijn Centrum Democraten. Toch was de interpretatie destijds minder eenvoudig dan het nu lijkt. Koot en Bie zijn met sketches over De Tegenpartij gestopt toen bleek dat teveel kijkers de dubbele bodem helemaal niet opmerkten. Hans Janmaat nam in zijn verkiezingscampagne slogans van De Tegenpartij ( zoals vrije jongens) en punten uit Rug op ’81 over. En het partijblad van de Centrum Democraten gaf op de voorpagina een compliment aan Van Kooten en de Bie. Zelfs de eenvoudigste vormen van satire zijn voor sommigen kennelijk lastig te herkennen.
De fragmenten van Koot en Bie en Van Muiswinkel zijn in een bepaald opzicht plat. Juist het feit dat er voor de interpretatie maar weinig diepgang nodig is maakt dat ze ouderwets aanvoelen. Latere generaties humoristen hebben interpretatielagen toegevoegd en daarmee satire gemoderniseerd. En was de interpretatie van Koot en Bie al lastig, de interpretatie van iemand als Hans Teeuwen is vele malen moeilijker. Wat bedoelt hij precies?



Koot en Bie nemen hun politieke tegenstanders op de hak. Hans Teeuwen doet meer. Hij brengt een dubbele bodem aan in een dubbele bodem. Hij dwingt een interpretatie af die verder gaat dan het belachelijk maken van andersdenkenden. Hans Teeuwen is links, maar niet links op de wijze van Koot en Bie. Teeuwen wil links laten zien dat niet iedere linkse houding zomaar goed is. Hij deelt weliswaar met Koot en Bie de afkeer van extreem rechts, maar wil een al te naïeve omarming van andere culturen bekritiseren. Islam is niet verwerpelijk omdat het een geloof van allochtonen is. Islam bevat een aantal verwerpelijke elementen, zoals opvattingen over vrouwen, homo's en afvalligen. Daarom moet links oppassen om met de omarming van allochtonen niet ook zomaar de islam te omarmen en daarmee het eigen gedachtegoed overboord te gooien. Ook al is de linkse houding een gezond tegenwicht tegen de xenofobe houding van rechts, het mag niet ten koste gaan van vrouwen, homo's en vrijheid van gedachtevorming.
Teeuwen brengt deze boodschap in het bovenstaande fragment door ondermeer te zeggen dat Theo van Gogh door zijn omvangrijk postuur wel een erg gemakkelijk doelwit was. De interpretatie van dat fragment vraagt om inzicht in lagen over elkaar die naar elkaar verwijzen en door elkaar heen lopen. De uiteindelijke boodschap is daardoor niet langer ondubbelzinnig. Maar de betekenis is in ieder geval niet dat wat Teeuwen letterlijk zegt (als een letterlijke interpretatie überhaupt mogelijk is), en ook niet domweg het tegenovergestelde daarvan.
Als De Tegenpartij al hele volksstammen op het verkeerde been zette, dan wordt de situatie er bij Hans Teeuwen niet gemakkelijker op. De Tegenpartij laat ons lachen om onze politieke tegenstanders. Teeuwen laat ons lachen om onze eigen naïviteit. En zelfs om onze eigen naïviteit over onze naïviteit. Leg dat maar eens uit aan mensen die niet in deze humortraditie zijn opgevoed.



Dit fragment laat op pijnlijke wijze zien dat de grenzen van communicatie worden bereikt op het moment dat bedoelingen worden verpakt in humor met dubbele-dubbele bodems en de andere partij slechts de oppervlaktestructuur van de boodschap ziet, kan zien. De Meiden van Halal en Teeuwen spreken niet over hetzelfde. De belediging die de Meiden voelen is niet Teeuwens boodschap. Hij wil iets zeggen over vrouwen onder de Islam en de vrijheid om macht te kritiseren, en het feit dat de Meiden van Halal én een te gemakkelijke omarming van de Meiden van Halal juist dat ondermijnen. Maar leg dat maar eens uit.






















Hirsch Ballin, Jan Peter Balkenende, misschien wel het hele CDA en in ieder geval de complete fracties van klein Christelijk rechts lijden aan dezelfde interpretatie-armoede als de Meiden van Halal. Linkse satire wil het Christendom en de Islam echt niet belachelijk maken om Christenen en Moslims aan het denken te zetten. Natuurlijk weten linkse satirici ook wel dat die strategie niet werkt. We kunnen slechts hopen dat Christenen en Moslims de redelijkheid van onze standpunten omtrent homo’s, vrouwen en vrijheid gaan inzien. Linkse satirici richten hun pijlen op de relativistische houding van links Nederland, het Nederland dat meent dat iedere cultuur haar eigen waarheid heeft.
Dat overblijfsel van de verzuilde samenleving, waarin iedere verzuilde Nederlander binnen haar zuil mocht denken en doen wat ze wilde, kan niet langer de basis vormen voor moderne maatschappijkritiek. We zullen moeten kunnen aangeven wat ons niet aanstaat van andere zuilen. De tijden dat alle aspecten van geloof een privé- of groepsaangelegenheid waren zijn voorbij. Ballin, Balkenende en consorten willen kunnen geloven wat hen goeddunkt. Maar dat kan alleen als iedereen het recht heeft om dat geloof te ridiculiseren.
De arrestatie van Gregorius Nekschot is daarom een contactgestoorde*, onze moderne samenleving ondermijnende, niet doordachte daad. Wat Nekschot doet heeft helemaal niets met discriminatie te maken. Discriminatie is de toegang geweigerd worden bij een disco, of bij een sollicitatie afgewezen worden door een keurige geklede, vriendelijk glimlachende meneer die iets tegen Marokkanen heeft. Van linkse satirici heeft geen enkele kleurling ooit iets te vrezen gehad. Uiteraard wel van racisten die satirici niet weten te interpreteren. Maar die racistische houding gaat aan de interpretatie vooraf, en niet omgekeerd.
Voor de tandem Balkenende-Ballin is het moderne linkse gedachtegoed onnavolgbaar. Hun Christelijke opvoeding heeft hen diepere interpretatiemogelijkheden ontnomen. Bijbelteksten letterlijk lezen moedigt nu eenmaal bepaald niet het zoeken naar dubbele bodems aan. Bijbelteksten lezen door de ogen van de schrijver geplaatst in zijn tijd, doet weliswaar iets meer maar kan een mens ook nauwelijks voorbereiden op Hans Teeuwen. En welke gelovige leest de Bijbel nu als een vrolijke satire op het Christendom?
Teeuwen heeft, zoals hij zelf zegt, niets tegen Christenen, Moslims en Joden, en ook niets tegen de Meiden van Halal, ondanks dat gepijpt worden door deze vrouwen een straf voor hem is. Nee, hij vindt ze zelfs wel lief.



Hans Teeuwen spaart in dit fragment De Meiden. Als u dat over het hoofd heeft gezien, bekijk het dan nog een keer. Op het moment dat De Meiden zich geen houding meer weten te geven, en hun gezicht verbergen achter hun hoofddoek, betrekt Hans Teeuwen Matthijs van Nieuwkerk in het feest: “Als jij nu je lul laat zien…” De Meiden hebben geen enkel verweer tegen de humor van Teeuwen, geen enkel verweer. Als er feministen hadden gezeten had Teeuwen ze vast en zeker over de kling gejaagd met een kracht die omgekeerd evenredig zou zijn aan hun verzet. Maar de Meiden verzetten zich niet, zij schamen zich slechts. Teeuwen voelt dat, en omdat hij geen enkele intentie heeft om De Meiden te beschadigen, verlegt hij zijn aandacht naar Van Nieuwkerk die van zo’n plaagstootje koud noch warm wordt (maar wat als Andries Knevel het gesprek had geleid?).
Ironie, cynisme, humor en satire zijn onontbeerlijke moderne intellectuele wapens voor een machtsvrije discussie. We weten alleen nog niet hoe we platte, contactgestoorde linkse, rechtse en gelovige geesten duidelijk kunnen maken waar het ons om te doen is. Tot het moment waarop dat besef bij deze beperkte geesten doordingt rest ons niets anders dan een heilig beroep op het Vrije Woord. En tegelijkertijd roepen we dan dat iedereen die er anders over denkt zijn bek moet houden, zeker Balkenende en Ballin.

* Contactgestoord in de betekenis van niet in staat zijn de intenties van de ander te doorzien. Zie hierover ook:

zaterdag 22 maart 2008

Het gevaar van 'atheïsme'

Intellectual honesty is now, and will always be, deeper and more durable, and more easily spread, than “atheism.”

Sam Harris

(zie:

http://newsweek.washingtonpost.com/onfaith/sam_harris/2007/10/the_problem_with_atheism.html)

Harris heeft gelijk. Net zoals er geen reden is om a-racist of a-seksist te zijn, zo is er ook geen reden om a-theïst te zijn. Niemand die strijdt tegen racisme zal zich een “a-racist” noemen, en evenzo zal iemand die zich teweer stelt tegen seksisme zich nooit aanduiden met de term “a-seksist.” Racisme en seksisme zijn irrationele, onredelijke, ongewenste houdingen die niet passen binnen een democratische maatschappij waarin iedereen een stem mag hebben. Het verzet tegen racisme komt niet voort uit het idee dat we kunnen bewijzen dat alle rassen gelijkwaardig zijn. Dat kunnen we namelijk niet. En we kunnen ook niet bewijzen dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn. Het enige dat we kunnen zeggen is dat we een samenleving wensen waarin mensen niet op grond van hun ras of geslacht worden buitengesloten.

Stel dat we ons wel het stempel ‘a-racist’ laten opdrukken, en dat vervolgens van ons gevraagd wordt met onomstotelijke bewijzen te komen dat blanken en zwarten gelijkwaardig zijn. Hoe zouden we dat moeten doen? Middels fysiologische kenmerken? Maar zijn niet juist de fysiologische kenmerken de bron van racisme en beweren wij juist niet dat die kenmerken er zeker zijn, maar gebagatelliseerd kunnen worden? Via statistieken dan? Maar wat voor statistieken? Hardloopuitslagen? IQ-tests? Het aantal schaakgrootmeesters? Percentages van de wereldbevolking? Al deze cijfers zouden grote verschillen te zien geven, en derhalve zou geen enkel getal ook maar enig inzicht geven in de vraag of blank en zwart gelijkwaardig zijn. Het punt is dat de gelijkwaardigheid van seksen en rassen geen empirisch aantoonbare relatie tussen groepen mensen is, maar een wens. Een wens om te leven in een maatschappij waarbij mensen niets kan worden ontzegd op grond van sekse of ras.

Door onszelf ‘a-racist’ laten noemen, of ‘a-seksist’ zadelen we ons op met een bewijslast die we helemaal niet willen hebben. We betwijfelen slechts dat er goede gronden zijn om op voorhand mannen en blanken exclusief toegang te verlenen tot onderdelen van onze maatschappij. Maar we willen zeker niet bewijzen dat vrouwen en kleurlingen als groep gelijk zijn aan de groep blanke mannen. Sterker nog, we vinden dat in een democratie individuen en hun verdiensten centraal horen te staan, en niet de groepen waartoe individuen behoren.

Daarom is ook de term ‘atheïst’ gevaarlijk. Door die term te gebruiken, lijkt het alsof we iets willen bewijzen, alsof we iets willen verdedigen. En doordat we die term lijdzaam op ons laten plakken kunnen theïsten van ons eisen dat we met bewijzen komen waaruit blijkt dat er geen goden bestaan, of dat er een universele rede is, of dat religies overal en altijd dood en verderf hebben gezaaid, of dat er helemaal geen mensen zijn die kracht putten uit hun geloof, of dat er niets tussen hemel en aarde kan zijn wat niet door wetenschap verklaard kan worden. Maar wie zou dat willen bewijzen?

Natuurlijk kunnen we niet bewijzen dat er geen goden zijn, en geen elfen, en geen orcs, en geen kobolden. Natuurlijk is er geen universele vorm van rationaliteit of redelijkheid, net zoals er geen universele vorm van religie is. Natuurlijk hebben missionarissen en zendelingen veel heil en zegen gebracht in Papoea-Nieuw-Guinea, heel veel. Natuurlijk is het soms beter te knielen op een bed violen dan overgeleverd te zijn aan de wetenschap dat dit lichaam en deze geest over zestig jaar onherroepelijk uiteen zullen zijn gevallen. En natuurlijk zijn er heel veel zaken waarover wetenschappers niets durven zeggen, en met argusogen toekijken hoe anderen dat wel doen. Geen enkele weldenkende atheïst (of is dat een pleonasme?) zal het tegendeel beweren.

Atheïsten betwijfelen slechts of een beroep op een god tegenover medemensen die niet in die god geloven ooit iets verklaart of rechtvaardigt. Atheïsme is geen stelling die verdedigd dient te worden, maar slechts een wens. De wens om te leven in een maatschappij waar mensen hun god nooit zoveel hoger stellen dan dit aardse leven dat zij in zijn naam bereid zijn slachtoffers onder hun medemensen voor lief nemen. Verder niets.