Posts tonen met het label dualisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label dualisme. Alle posts tonen

zondag 10 januari 2010

De genialiteit van Descartes

Organismen gaan vooraf aan zenuwstelsels. Dit lijkt een open deur, zeker na een jaar vol lezingen over evolutie, maar niets is minder waar. In veel hedendaagse neurologische (en neuro-filosofische of neuro-psychologische) geschriften is het eerder andersom. Daarin staat het lichaam ten dienste van de hersenen. De hersenen bedenken of berekenen wat er moet gebeuren, waarna een signaal aan het lichaam wordt gegeven om een en ander uit te voeren. En ook andersom. Signalen van de zintuigen en propriocepsis zijn er om de hersenen te informeren. Zeker als het mensen betreft wordt er geschreven alsof het belangrijkste element van het leven zich tussen de oren bevindt. De hersenen staan centraal.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat René Descartes de filosoof is die het meest als kop van jut wordt gebruikt. Descartes bracht een scherp onderscheid aan tussen lichaam en geest. Ze behoorden in zijn filosofie tot verschillende werelden. Slechts op één oneindig klein punt ergens diep in de hersenen raakten lichaam en geest elkaar. Als opwarming of vingeroefening beginnen veel schrijvers daarom met het verwerpen van dit ridicule uitgangspunt, deze vergissing van Descartes. Niemand, een paar religieuze fanatici daargelaten, gelooft nog in een apart Rijk van de Geest. De geest bevindt zich in de hersenen, en hersenen zijn net zo materieel als het lichaam.
De ironie van deze potsierlijke verwerpingen is dat hiermee het sterkste inzicht van Descartes terzijde wordt geschoven. Volgens Descartes was het namelijk onzin om te zeggen dat de menselijke geest zetelt in de hersenen, omdat geest, denken of bewustzijn niet gelokaliseerd kunnen worden zoals een hart, nieren, lever, of hersenen. De methoden en technieken waarmee we natuurwetenschappelijke verschijnselen bestuderen zijn niet geschikt om geestesverschijnselen aan onderzoek te onderwerpen. Hiermee nam Descartes afstand van het middeleeuwse, maar nog immer populaire idee dat geesten zich ergens bevinden, zich kunnen verplaatsen (rondspoken) of een andere vorm aan kunnen nemen. Materie is te lokaliseren, kan op andere plaatsen terecht komen en andere vormen aannemen. Geest niet. Dat inzicht van Descartes zouden we moeten koesteren.
Maar dat doen we niet. Twee gedachte-experimenten uit de afgelopen decennia laten zien dat we de menselijke geest zonder aarzelen vereenzelvigen met de hersenen. Ik zal ze hier bespreken om u te laten voelen hoe stevig het precartesiaanse idee van een lokaliseerbare geest in ons denken is geworteld.

Het eerste gedachte-experiment is dat van de hersentransplantatie. Stel, ’s nachts, zonder dat u het merkt, worden uw hersenen verwijderd en overgeplant in een ander lichaam. In films is dat, om het geheel nog wat dramatischer te maken, altijd een lichaam van het andere geslacht. Zenuwbanen worden keurig aangesloten. Dan ontwaakt u. Wat ervaart u? Schrikt u, omdat u wakker wordt in een ander lichaam, een lichaam dat u volkomen vreemd is? Een heftige en verwarde paniek: “Deze geslachtsorganen zijn niet van mij!”? Als we populaire films mogen geloven is dit precies wat er zou gebeuren. Maar is het beeld dat deze films geven wel juist? Stel dat inderdaad de zenuwbanen keurig zijn aangesloten. Zou het effect dan niet veel milder kunnen zijn? U bekijkt uw handen, raakt uw gezicht aan, en stelt vast dat het anders is dan u zich meent te herinneren, maar tegelijkertijd voelt het zeer vertrouwd. En omdat het zo vertrouwd voelt, twijfelt u aan uw geheugen, en niet aan uw lichaam. Is dit scenario niet minstens zo waarschijnlijk?

Het andere gedachte-experiment is dat van een brein in een vat. Stel, uw brein drijft in een vat met een voedende zoutoplossing. De bloedtoevoer en -afvoer is geregeld middels een speciaal aangepaste hart-longmachine. De zenuwbanen die uw brein binnenkomen en verlaten zijn aangesloten op een computer waarop een programma draait dat de wereld simuleert. Althans, dat computerprogramma geeft uw zenuwbanen dezelfde input die ze zouden krijgen als u tegen de harde koude wind in door de sneeuw zou fietsen, de koptelefoon van uw mobieltje in uw oren, om te luisteren naar het verslag van de laatste ritten op de vijf kilometer. Ervaart u op dat moment hetzelfde als wat u zou ervaren als u daadwerkelijk op de fiets zou zitten? Voelt u de koude wind uw, niet bestaande, gezicht teisteren? Of gebeurt er iets heel anders, en voelt u niets? Meent u op een vage manier te weten dat u op de fiets zit, zonder dat u het gevoel heeft op de fiets te zitten? Is uw ervaring vergelijkbaar mijn ervaring van het feit dat ik mij met een duizelingwekkende vaart in een slingerbaan rond de zon beweeg, meer een weten dan een voelen? Dooft uw bewustzijn uit, en blijft er iets ongrijpbaars over wat we voor het gemak maar aanduiden als cognitie, een mogelijkheid om correcte antwoorden te geven op vragen van verbijsterde omstanders?
Onze intuïties over hersentransplantaties en breinen in vaten laten zien dat we het bewustzijn al te gemakkelijk lokaliseren. De praktijk is namelijk weerbarstiger. In de praktijk vallen hersenen en bewustzijn niet zomaar samen.

Er zijn gevallen bekend van mensen waarbij pas op latere leeftijd werd ontdekt dat ze slechts beschikken over één hersenhelft (hemisfeer). In de daaraan voorafgaande jaren klaagde noch de persoon zelf, noch de omgeving over een half bewustzijn. En zelfs als een hersenhelft op latere leeftijd wordt verwijderd (hemisfeerectomie), lijken de gevolgen voor het bewustzijn minimaal of zelfs helemaal afwezig. Neurochirurg John Freeman van de John Hopkins Universiteit in de Verenigde Staten voert deze operatie in zeldzame gevallen uit, om de nog ernstigere gevolgen van steeds terugkerende epilepsieaanvallen te voorkomen. In de Scientific American verklaart hij dat onderzoek laat zien dat kinderen die een hemisfeerectomie hebben ondergaan zelfs beter gaan presteren op school doordat de epilepsieaanvallen uitblijven. “De een werd bowlingkampioen van haar klas, een ander schaakkampioen van zijn staat, en nog weer anderen doen het prima binnen het onderwijs,” aldus Freeman.
Natuurlijk heeft de operatie ook nadelen: “Je kan lopen, rennen – sommigen zelfs dansen of springen – maar het gebruik van de hand die bij de verwijderde hemisfeer hoort gaat verloren. De arm functioneert nauwelijks en je verliest het blikveld aan die kant.” Maar met die nadelen valt leven als het alternatief iedere tien minuten een epileptische aanval is. Een moeder vertelt in The New Yorker: “Mijn zoon onderging een hemisfeerectomie bij Dr. Mathern van UCLA toen hij acht jaar oud was, en hij doet het wonderbaarlijk goed… Hij is nu zestien, is een gemiddelde leerling en zit in het tennisteam van zijn school… Hij heeft een geweldige persoonlijkheid en het lijkt echt beter met hem te gaan sinds de operatie.”
Als het mogelijk is om een hemisfeer operatief te verwijderen zonder dat daarmee denken en bewustzijn verdwijnt, wat wordt er dan bedoeld als we zeggen dat het bewustzijn zetelt in de hersenen? Waarom zetten we de hersenen dan zo centraal bij het denken over bewustzijn? Wellicht omdat we dachten dat Descartes er naast zat toen hij schreef dat lichaam en geest twee verschillende substanties zijn? En omdat we daarna bedachten dat er slechts één substantie is, materie. En we dus de conclusie trokken dat geest ook materie moet zijn. En waar anders kan de geest zitten dan in de hersenen? Was dat een vergissing van Descartes alleen? Of vergissen wij ons ook, als ons gevoel zegt dat onze hersenen vooraf gaan aan het lichaam, het organisme?
Waarom verbazen we ons zo over de plasticiteit van hersenen? Zouden we ons niet veel eerder moeten verbazen over de plasticiteit van ons lichaam, dat kennelijk ook bewustzijn kan voortbrengen met een minimum aan neuraal weefsel?


• Voor de volledigheid hier de tekst die staat bij de onderste foto:

Clinical Picture
The Lancet, 359, February 6, 2002
Half a brain
Johannes Borgstein
Caroline Grootendorst
This 7-year-old girl had a hemispherectomy at the age of 3 for Rasmussen syndrome (chronic focal encephalitis). Intractable epilepsy had already led to right-sided hemiplegia and severe regression of language skills. Though the dominant hemisphere was removed, with its language centres and the motor control for the left side of her body, the child is fully bilingual in Turkish and Dutch, while even her hemiplegia has partially recovered and is only noticeable by a slight spasticity of her left arm and leg. She leads an otherwise normal life.
University Hospital Rotterdam, 3015 GL Rotterdam, Netherlands


• Teksten waarnaar verwezen is, en om verder te lezen:

The New Yorker: The Deepest Cut

zondag 23 november 2008

Het primaat van het gedrag

Neem de volgende twee vragen:
Ken jij de hoofdsteden van de provincies van Nederland?
Kun jij de hoofdsteden van de provincies van Nederland opnoemen?
Wat is het verschil tussen deze vragen? Volgens de common sense zou het zo kunnen zijn dat je de hoofdsteden van Nederland kent, zonder dat je in staat bent ze op te noemen. Zo zou, om het meest flauwe voorbeeld te noemen, je mond met tape dichtgeplakt kunnen zijn. Echter, in dat geval zijn het niet slechts de hoofdsteden van Nederland die je niet kunt opnoemen. Het verzoek “Kun je me zeggen hoe je heet?” zou eveneens onbeantwoord blijven. Laten we er daarom vanuit gaan dat iemand in staat is te zeggen hoe zij heet, en ons in dat geval afvragen of er een verschil is tussen het kennen en het kunnen opnoemen van hoofdsteden.
Het verschil lijkt voor ons Cartesianen doodeenvoudig. Om van iemand te kunnen zeggen dat zij de hoofdsteden van de Nederlandse provincies kent hoeft ze slechts in staat te zijn ze voor haar geestesoog op te roepen. Met andere woorden, om ze te kennen hoeft ze zich slechts bewust te kunnen zijn van de hoofdsteden. Het opnoemen van de hoofdsteden is een lichamelijke bijzaak. Zo zijn er veel meer dingen die ik denk zonder dat ik ze onder woorden breng. Uiteraard zou ik in principe al die gedachten onder woorden kunnen brengen, maar gelukkig hoef ik aan die schier oneindige taak niet te beginnen om aan te tonen dat ik kennis bezit. Het is voldoende dat kennis in mijn geest zit. (Alhoewel het idee van iemand die heel veel weet, maar daarvan nooit iets laat blijken, uiteraard erg vreemd is.)
Laten we dit het standpunt van het primaat van de geest noemen. Om de hoofdsteden van onze twaalf provincies op te noemen, roepen we de steden op in onze geest om ze daarna via de stembanden naar buiten te gooien. Ralph Waldo Emerson (1803-1882) verwoordde het primaat van de geest als volgt: “The ancestor of every action is a thought.” Eerst denken dan doen. Spreken is het formuleren van voorafgaande gedachten.
Dat dit laatste echter beslist onwaar is weet iedere spreker. Slechts in het geval van een woord voor woord uitgeschreven lezing, is het zinvol zijn om bij het oplezen daarvan te zeggen dat voorafgaande gedachten uitgesproken worden. Toch geldt ook in dat geval hetzelfde als het algemeen geldt, namelijk dat het proces van spreken door de tussenkomst van gedachten slechts wordt verstoord. Probeert u eens een verhaal aan iemand te vertellen waarbij u iedere zin vooraf in uw hoofd formuleert. Wellicht is deze exercitie voor u als spreker nog enigszins opgewekt te volbrengen, maar uw toehoorder zal zich stierlijk vervelen, als zij het verhaal al kan volgen.
Het primaat van de geest suggereert dat denken in een ander medium geschiedt dan handelen. “Gedachten bevinden zich in een andere substantie dan handelingen,” zou Descartes zeggen. In jezelf spreken is een ander proces dan hardop spreken. Denken vindt plaats in onze geest, handelen is een beweging van onze lijfmachine. De Britse filosoof Gilbert Ryle (1900-1976) schreef hierover:

Onze gedachten voor onszelf houden is een geavanceerde verworvenheid. Pas in de middeleeuwen leerden mensen te lezen zonder hardop te lezen. Op dezelfde wijze moet een jongen hardop leren lezen voordat hij leert stillezen, en hardop kwebbelen voordat hij in zichzelf kwebbelt. Toch zijn veel theoretici er vanuit gegaan dat de stilte waarin de meesten van ons hebben leren te denken een essentiële eigenschap van gedachten is. Maar stilte, alhoewel vaak heel handig, is net zo min essentieel als de beperking van het aantal toehoorders tot één.

Volgens Ryle was het primaat van de geest dus een mythe, de mythe van de ghost in the machine. Om ons handelen en onze hersenen te begrijpen zullen we ons aan deze mythe moeten ontworstelen, hoe lastig dat ook is in deze Cartesiaanse tijd. Het primaat ligt niet bij het denken, maar bij het gedrag. Dat wat we geest noemen is slechts secundair. Het verschil tussen het opnoemen van de hoofdsteden van de provincies van Nederland en het denken aan de hoofdsteden van Nederland is dan inderdaad het verschil tussen niet of wel je mond dicht tapen. Anders gezegd, om aan de hoofdsteden van Nederland te denken moet je deze hoofdsteden opnoemen om dan op het allerlaatste moment je mond neuraal dicht te tapen.
Dit is vergelijkbaar met de neurale schakelingen die ons in staat stellen om twee vingers op te steken. De hoofdschakeling daarbij is de grijpreflex waarbij al onze vingers samengaan. Bij het opsteken van twee vingers wordt de grijpreflex in gang gezet, waarna deze voor twee vingers wordt onderdrukt, geïnhibeerd. Strikt genomen steek je dus niet twee vingers op, maar voorkom je van die twee vingers dat ze samentrekken.
Hetzelfde gebeurt bij in stilte denken. We spreken terwijl we op het laatste moment de beweging van de stembanden inhiberen. Daarom bewegen onze lippen als we iets minder geconcentreerd zijn. Aan hardop en in stilte spreken liggen dezelfde neurale structuren ten grondslag. Daarom is het onmogelijk om tegelijkertijd te spreken en te bedenken wat we zullen gaan zeggen. Voorafgaand aan het spreken weten we domweg niet wat we gaan zeggen. Daarom lachen we soms zo hard om onze eigen grappen. We hadden ze namelijk zelf ook niet zien aankomen.

The Concept Of Mind
The Concept Of Mind
Gilbert Ryle

zondag 20 april 2008

Descartes en Spinoza

Wat zou er gebeuren als we een scan van de neurale activiteit in ons brein zouden kunnen zien? En dan niet een paar plaatjes achteraf, na een week of drie, op de computer van de neuroloog, maar bewegende beelden direct op het beeldscherm voor u. U tilt uw hand op, en u ziet welke hersengebieden daarbij betrokken zijn. Of, zoals Christopher deCharms in deze ultrakorte lezing laat zien, u ziet de hersengebieden die uw chronische pijn veroorzaken. Kunt u die kennis gebruiken? Kunt u de kennis over uw pijn vanuit het derde persoonsperspectief (uw blik op de scan) gebruiken om uw pijn in het eerste persoonsperspectief (de pijn die u ervaart) te verminderen? Volgens DeCharms wel. Waarom zouden we ons nog verdiepen in Descartes of Spinoza? Of liever, konden Descartes en Spinoza maar zien hoe wij de vragen waarmee zij zich vierhonderd jaar geleden bezighielden nu onderzoeken.

zaterdag 19 april 2008

Monist of dualist?

In het dorp van mijn jongensjaren was de gebruikelijke vraag bij kennismaking: “Ben je katholiek of protestants?” Tegenwoordig zou ik op deze vraag een ontwijkend antwoord moeten geven. Het antwoord “Geen van beide” zou niet afdoende zijn. Het zou onmiddellijk worden gevolgd door de vraag: “Wat ben je dan?” Het antwoord op deze laatste vraag is lastig te begrijpen voor iemand die de keus tussen katholicisme en protestantisme als brandpunt van het leven ziet: “God, godsdienst of religies zijn geen velden waarin ik de moeite neem om doordachte standpunten in te nemen. Ik ben buitenreligieus. Jij zult dat als atheïsme bestempelen.” Zo nu en dan vervalt de betekenis van vragen van vorige generaties.
René Descartes (1596-1650) was dualist. Hij beargumenteerde dat mensen zijn samengesteld uit twee oerstoffen, twee substanties in filosofenjargon. De ene oerstof is materie (res extensa), de andere oerstof is geest (res cogitans). Mensen zijn een mengvorm van materie en geest. Descartes stelde vast dat onze geest geen plaats heeft, en dat in de hersenen die hij in handen kreeg geen sporen van bewustzijn zijn terug te vinden. Dus is de mens aan de ene kant een machine en aan de andere kant een begeesterd wezen. Dat sluit mooi aan bij de wijze waarop wij onszelf ervaren. Enerzijds als een machine die steunt en zucht, niet meewerkt, slijt en vervalt. Anderzijds als een geest die zich los kan denken van deze machine, en in dromen over de wereld kan zweven. Een prachtig beeld.
Nu zijn filosofen ware meesters als het gaat om het scheppen van problemen. Dus vanaf het allereerste moment werd Descartes bekritiseerd om zijn dualisme. Dit had alles te maken met het feit dat de filosofische definitie van het begrip substantie uitsluit dat er een wisselwerking tussen substanties is. “Maar,” zo luidde de kritiek op Descartes, “hoe kan de geest dan het lichaam beïnvloeden? En omgekeerd, hoe kunnen wij dan ooit de pijn in onze voet bewust waarnemen?” Alleen filosofen maken zich druk om deze vraag. Minder hoogdravende stervelingen weten natuurlijk dat zij ’s ochtends in bed kunnen bedenken dat ze ’s middags gaan wandelen. En ze weten dat wat het lichaam raakt ook in de geest binnenkomt.
Maar ja, filosofen halen een groot deel van hun dagelijkse intellectuele adrenaline nu eenmaal uit het napluizen van definities. Dus hoe intuïtief aannemelijk Descartes’ dualisme ook was, het kon niet kloppen. Baruch de Spinoza (1632-1677) kwam met een alternatief. Volgens hem bestond het gehele universum uit slechts één substantie (die hij om allerlei logische redenen aanduidde met de term God). Deze ene substantie kan op twee manieren aan ons verschijnen, als materie of als geest. Maar omdat geest en lichaam tot dezelfde substantie behoren kunnen ze elkaar gewoon beïnvloeden. Daarmee was het wisselwerkingsprobleem opgelost.
Als u als lezer het gevoel heeft dat dit niet meer is dan gegoochel met woorden, dan heeft u volkomen gelijk. Dat de slimste jongetjes van de klas definities kunnen bedenken die geen tegenstrijdigheden bevatten is knap, maar het zegt uiteraard helemaal niets over de werkelijkheid. Ik kan een pronkel definiëren als een brug tussen twee substanties die informatie uitwisseling mogelijk maakt. Daaruit volgt dan dat Descartes’ systeem sluitend kan worden gemaakt met pronkels. Maar ja, de vraag is natuurlijk of pronkels bestaan, en niet of een filosoof uit Drenthe pronkels zonder tegenstrijdigheden kan definiëren. (Ik zou mijn filosofische leven overigens heel lang kunnen rekken door te claimen dat pronkels bestaan uit een bundel strings die ontstaat door kwantummechanische processen in de synaptische kloof…) De discussie tussen dualisten en monisten is gelogoochel, gegoochel met logische constructies.
Natuurkundigen, chemici en biochemici bepalen waaruit onze wereld is opgebouwd en psychologen en neurobiologen vogelen uit hoe onze hersenen het verschijnsel van onze geest en bewustzijn voortbrengen. Filosofen kunnen controleren of ze zich er niet te gemakkelijk vanaf maken, of ze zich wel echt baseren op waarnemingen, en niet de conclusies al in hun uitgangspunten hebben ingebouwd. Maar wij filosofen kunnen niet op basis van gedachteconstructen beslissen wat de oerstoffen van het universum zijn, en ook niet of het er één, twee of tien zijn. Dat laten we liever aan speciaal daarvoor getrainde empirische wetenschappers over.

Nawoord
In het filosofendorp van mijn studiejaren was de gebruikelijke vraag bij kennismaking: “Ben je dualist of monist?” Tegenwoordig zou ik op deze vraag een ontwijkend antwoord moeten geven. Het antwoord “Geen van beide” zou niet afdoende zijn. Het zou onmiddellijk gevolgd worden door de vraag: “Wat ben je dan?” Het antwoord op deze laatste vraag is lastig te begrijpen voor iemand die de keus tussen monisme of dualisme als brandpunt van de filosofie van de geest ziet: “Substanties, natura naturans of res cogitans en extensa zijn geen termen waarbij ik de moeite neem om doordachte standpunten in te nemen. Ik ben buitenontologisch. Jij zult dat als fysicalisme bestempelen.” Zo nu en dan vervalt de betekenis van vragen van vorige generaties filosofen.