Posts tonen met het label welwillendheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label welwillendheid. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2012

De pijn van prikkeldraad


Voor de Business Lounge van het Groninger Museum ontwierp Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) een tafelkleed met motieven die ondubbelzinnig verwijzen naar concentratiekampen. Op het damasten kleed prijken spoorrails, barakken, wachttorens, rollen prikkeldraad en een stapel brilletjes. Het ontwerp heeft de Business Lounge nooit gehaald, maar het is aan de vergetelheid onttrokken door televisieprogramma’s, kranten en websites. De commotie rond de verwijzingen naar concentratiekampen is nog verder aangewakkerd door het ontwerp voor een hek rond de villa van een verzamelaar in Bentveld. Ook in dit hek zijn prototypische kampelementen verwerkt. Boven de toegangspoort opgetrokken uit de rokende schoorstenen van verbrandingsovens prijkt een verwijzing naar concentratiekamp Buchenwald: “Jedem das Seine.”
In, vaak bewogen, beschouwingen vragen critici zich af wat Job in ’s hemelsnaam voor ogen kan hebben gehad met deze ontwerpen, of de motieven van Job wel zuiver zijn, of Job zich wel als designstudio mag profileren, en of een dergelijk ontwerp wel geschikt is voor een openbare ruimte zoals een museum of een villawijk.


De commentaren van de critici bevatten een opvallende grootste gemene deler: de fout wordt uitsluitend gezocht bij Studio Job. Volgens de één zou Job zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de gevoeligheden die het thema omringen. Volgens een ander was Job slechts uit op gemakkelijk effectbejag. Een derde betreurt de oppervlakkigheid van de ontwerpen. Weer een ander vindt dat Job zich beter onder kunstenaars dan onder designers zou kunnen scharen, waarbij het nog maar de vraag is of het goede kunstenaars zouden zijn. Een laatste vindt dat er nauwelijks is nagedacht over de impact van dergelijke ontwerpen op argeloze voorbijgangers. De teneur moge duidelijk zijn. Impliciet wordt geconcludeerd dat de fout in ieder geval niet ligt bij het publiek of de critici.
Maar de betekenis van ontwerpen en kunstwerken kan niet zomaar worden herleid tot de designers of de werken zelf. Dat is precies wat Marcel Duchamp ons leerde toen hij in 1917 een urinoir, gesigneerd “R. Mutt,” inzond voor een tentoonstelling in New York. De organisatie vatte het op als een belediging en weigerde het werk. Maar, bijna een eeuw later, werd hetzelfde werk van dezelfde kunstenaar door vijfhonderd kunstkenners verkozen tot het meest invloedrijke kunstwerk uit de 20ste eeuw. Was de kunstenaar of het werk in de tussenliggende periode veranderd? Nee, wat was veranderd, was de relatie met publiek en critici. Achteraf gezien werd de betekenis van Duchamp’s urinoir in eerste instantie bepaald door de armoede van het publiek, en niet door de afstotelijkheid van een pisbak, de onheuse intenties van Duchamp, of de vraag of een urinoir wel in een openbare ruimte mag hangen. Op de langere termijn verrijkte Duchamp’s werk het publiek en daarmee de plaats van kunst in onze samenleving.
Designstudio’s, zoals Studio Job, bestaan bij de gratie van de esthetische en hedonistische levensinstelling van hun publiek. Een goed glas wijn, naast een notebook van Steve Jobs, zijn iPhone, trendy merkkleding, een passende auto en een design interieur zijn eigentijdse voorwaarden voor een goed leven. Zelfs in de meest barre omstandigheden klinkt de verzuchting: “Ik ga er in ieder geval van proberen te genieten.” Als deze argumenten van lifestyling al worden overtroffen dan slechts door argumenten van economie of efficiency. Uiteindelijk mag alles wijken voor de waarde van aandelen of de euro. De wreedheden als gevolg van bezuinigen en de daarvoor benodigde politieke compromissen verdampen in het licht van dit hogere doel. Zo gijzelen verrijkende groei en schone genotzucht onze ethiek.
Een dergelijk publiek, dat zich dus doorgaans de koning te rijk weet met de ontwerpen van Studio Job, is uiteraard geschokt door de aanblik van een gestileerd concentratiekamp. Maar die schok is niet het gevolg van de verwijzing naar de wreedste periode uit de recente historie. Wat vooral pijn doet is de confrontatie met onze eigen voorliefde voor design die tevens een vlucht voor ethische vragen inhoudt. Daarom kan ook alleen een designstudio, waarvan we uitsluitend schoonheid verwachten, deze werken maken.


Studio Job heeft een laatste stap gezet naar de plek waar zij noodzakelijkerwijs toch wel zouden zijn uitgekomen. Hun werkwijze heeft altijd al bestaan uit het grotesk uitvergroten van prototypische kenmerken. Als een postmodern museum dus vraagt om een tafelkleed voor de business lounge, een ruimte die slechts voor de happy rich few toegankelijk is, waarom dan niet een groteske verwijzing naar een fantastische maaltijd onder het genot van klassieke muziek terwijl op de achtergrond mensen sterven? Waarom mag een hek rond een landgoed in een zeer welgestelde buurt, dan niet veranderen in het ultieme symbool van de vernietiging van niet ons soort mensen?
Job laat slechts zien dat design, net als kunst, een spiegel kan zijn.

maandag 17 oktober 2011

Waarom geen oase van levenskunst?


Vanaf ongeveer de zeventiende eeuw is werk, en dan uiteraard het liefst betaald werk, het hoofddoel geworden van mensenlevens. Dat wil zeggen, het is het hoofddoel geworden van gezonde mensenlevens. Zoals Michel Foucault laat zien in zijn boek “Geschiedenis van de Waanzin,” worden vanaf die zeventiende eeuw mensen die niet willen of kunnen werken opgepakt en opgesloten, om te worden hervormd via een uitgekiend rehabilitatieprogramma dat ze weer klaarstoomde voor arbeid. Iemand die niet kan of wil werken is vanaf dan uitschot of excentriek of idioot of alle drie. Een leven zonder werk werd een leven zonder gezondheid. De eerste vraag bij kennismaking werd “Wat doe jij eigenlijk?”, en “Helemaal niets, wat rondhangen en genieten van de natuur” was niet langer een geaccepteerd antwoord.
Hoe anders was het in de tijd van de Griekse filosofen, ruim tweeduizend jaar geleden. In het leven van filosofen zoals Socrates, Diogenes en Epicures draaide het beslist niet om de beslommeringen van een betaalde baan. Dit waren mannen die baadden in vrije tijd, zich met maaltijden lieten betalen voor hun filosofische kunsten of zich oefenden in een leven met schaarste. Zij zouden ons hebben beschouwd als moderne slaven, van onze vrijheid beroofd door de financiële ketting van hypotheken, leningen, creditcards en belastingen. Werk maakt van onze lichaam en geest knechten. Ons lichaam slijt van het vroege opstaan, forenzen en de sleur van vergaderingen en het klaslokaal. Onze geest wordt gericht naar de bovenmeesters die de financiële wereld beheersen. Zonder uitzondering zijn we ervan overtuigd dat we een arbeidzaam, dus zinvol leven leiden, en dat ten minste enkele van onze leerlingen door ons toedoen goed terecht zijn gekomen: in een leuke baan. Desgevraagd kunnen we tientallen argumenten geven waarom een leven met een baan beter is dan een werkeloos bestaan.
Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn, ware het niet dat werkenden het beslist niet kunnen aanzien als iemand op een alternatieve wijze zijn leven inricht. Zitten vissen langs de waterkant, de eentjes voeren in het park, door de stad slenteren, tegen blikjes schoppen, op een grassprietje sabbelen, een praatje maken met een toevallige voorbijganger, achter de televisie hangen en stiekem gluren naar de lieve buurvrouw, kunnen geen zinvolle elementen van een mensenleven zijn. We worden steeds intoleranter ten opzichte van de dorpsidioot, de zwerver en de alternatieveling. “Zoek toch een baan!,” roept onze jaloerse geest, “Wie niet werkt, zal ook niet eten (en zeker niet van mijn zuurverdiende geld)!”

Daarom worden mensen die niet kunnen werken uit de maatschappij gehaald. We leven in een kenniseconomie, en iedereen die achterblijft in kennis of economische bijdrage is dus een bedreiging voor de gezondheid van onze samenleving. Voor deze afwijkende mensen resteert er slechts één mogelijkheid: buitensluiting. Net zoals melaatsen de stad moesten verlaten om de gezondheid van de rest van de bevolking niet aan te tasten, zo moeten de niet-werkenden als een gezwel uit ons midden worden weggesneden. We zijn doodsbenauwd voor besmetting. Welke ouder wil nu dat het niveau in de klas van zijn beloftevolle dochter onderuit wordt gehaald door een gehandicapte dwaas? We willen een leven met een gezond arbeidsethos, om ondertussen te dromen van ons pensioen.
Scholen in het speciaal onderwijs(S.O.) zijn een opvangplaats voor uitgestotenen. Zij ontvangen de leerlingen van wie het gedrag, de gezondheid of geestelijke vermogens ontoereikend zijn om ten volle in de kenniseconomie mee te draaien. S.O.-scholen zouden dus een oase van rust kunnen zijn, een plek waar de duizelingwekkende snelheid van de wereld wordt vertraagd. Leerlingen zouden kunnen worden onderwezen in levenskunst. Ze zouden kunnen leren hoe een zinvol bestaan zonder werk is vorm te geven, een bestaan in de luwte van de maatschappij. Ze zouden kunnen worden onderwezen in het experimenteren met hun leven: wandelen met de hond, schilderen in het buurthuis, eten met de buren, een boodschap doen voor de basisschool, slenteren over de markt, vissen langs de waterkant. Uiteraard zou hun leven net zo veel pijnlijke momenten kennen als het leven van ons allemaal, en misschien wel meer. Maar, ze zouden leren hoe de pijn te verdragen en hoe tussendoor ontspannende en zinvolle perioden te creëren. En wellicht zouden hun levens zo kunnen bijdragen aan ons eigen inzicht in onze onvolkomenheden en dwaasheid.
Maar zo is het niet, in tegendeel. S.O.-scholen zijn klinieken geworden waarin de etterende wond van een werkloos bestaan zoveel mogelijk gestelpt. Niet levenskunst, maar arbeidstraining en stage staan centraal. Op internet worden foto’s geplaatst van leerlingen die een certificaat hebben gehaald, en misschien wel werk zullen vinden. En ik wed dat de meest succesvol geachte trajectplannen eindigen met “Betaald werk” en een uitroepteken. Met andere woorden, S.O.-scholen zijn geenszins een veilige haven waar degenen rust vinden die niet mee kunnen draaien in de vaart der volkeren. Nee, zelfs op S.O.-scholen worden ze achtervolgd door reken-, taal- en handvaardigheidsonderwijs gericht op een terugkeer in de kenniseconomie. Uiteraard met de beste bedoelingen, omdat de ouders erom vragen, omdat de inspectie erop afrekent, omdat ze enorm blij zijn als ze een baantje hebben en ook omdat we niets beters kunnen verzinnen.
Zo lopen zelfs S.O.-scholen, kort aangelijnd aan de leiband van de kenniseconomie, van arbeidstraining, naar stageproject, naar leerwerktraject en weer terug. En dat geeft ons, hardwerkende mensen, de mogelijkheid om onze eigen idiotie als volkomen normaal te beschouwen. Waarvoor dank!

zaterdag 15 oktober 2011

Warm en koud eten

Koude empathie is het ergste dat een mens kan krijgen toebedeeld. Koude empathie is het gevolg van het onvermogen om zich verplaatsen in het leven en de geest van mensen die niet voldoen aan de door massamedia verspreide stereotypen. Uiteraard, hebben we allemaal begrip voor een moeder die na een aardbeving wanhopig op zoek is naar haar jongste dochtertje die op het cruciale moment haar hand had losgelaten. Moeders houden immers, zo leert iedere Hollywoodfilm, zielsveel van hun kinderen. Volgens hetzelfde genre bekoelt vaderliefde iets sneller, zeker als er seksuele of zakelijke belangen in het geding zijn. Daarom begrijpen we de vader die zijn zoontje te laat van de crèche haalt omdat hij nog een stapel dikke dossiers met zijn secretaresse moest doornemen.
We hebben aanmerkelijk meer moeite om ons in te leven in een moeder die op het cruciale moment van de aardbeving de hand van haar verstandelijk gehandicapte dochtertje losliet, of de vader die vanwege de melkplekken op zijn pak en stropdas verzuimt een order binnen te halen. Zoiets doe je toch niet? Hij had zich toch even kunnen omkleden? Het wordt helemaal lastig als ons wordt gevraagd mee te leven met een vrouw die een burka veilig en zelfs seksueel opwindend vindt. We trekken de wenkbrauwen op bij het idee alleen al dat er jonge meiden zijn die bewust loverboys zoeken, om er later vreselijk spijt van te krijgen. En om mannen die door hun vrouw worden mishandeld, moeten we op zijn minst meewarig glimlachen. Dat kennen we niet uit Hollywood.
Volgens de Amerikaanse filosoof Richard Rorty leidt koude empathie tot wreedheid. Nietsontziend spreken we over de burka of over loverboys, en maken we grappen over mannen met blauwe plekken in hun ziel. Gestoorde vrouwen, naïeve pubermeisjes en mietjes hoef je niet met al te veel empathie tegemoet te treden. Ze verdienen een psychologische behandeling, en slechts in die zin medeleven. Dus leidt de behandeling die we ze geven niet zelden tot een wrede vergroting van hun leed.


Dankzij Walt Disney zitten dieren gevangen in dezelfde wreedheidsparadox: op grond van een empathie ontwikkeld in relatie tot Dombo, Babe en The Lion King zijn we dieren gaan zien als redelijke wezens, die domme en gemene circusartiesten, boeren, en jagers in medemenselijkheid ver overtreffen. Tegelijkertijd zijn we circusartiesten, boeren en jagers gaan verachten om hun beneden gemiddelde intelligentie en gewetenloze moordneigingen. De Partij voor de Dieren, het Dieren Bevrijdingsfonds, en Stichting Lekker Dier drijven zo op een dubbele dosis koude empathie. Enerzijds doen ze gedomesticeerde en wilde dieren hopeloos te kort, anderzijds ontmenselijken ze beroepsgroepen die sedert duizenden jaren hecht met dierenlevens zijn verbonden. Thieme en Graus blinken uit in wreedheid. Diederik Stapel en Roos Vonk verzonken in ijskoude empathie met hun vooronderstelling dat vleeseters grotere hufters zijn dan vegetariërs.
  

Er was niet zoveel mis met de boerderijplaat van Jetses. De meeste boeren gaan op een door en door liefhebbende wijze met hun dieren om. Ze verzorgen, voeden en slachten op een manier die aansluit bij de geest en waardigheid van hun beesten. Dieren zijn er nu eenmaal ook om te worden uitgemolken en opgegeten. Natuurlijk, er zijn ook onder boeren grote hufters, net zoals er in de wetenschap oplichters en in de politiek populistische charlatans zijn. Maar, het grote dierenleed van onze samenleving wordt niet zozeer veroorzaakt door deze rotte appels uit het boerenbedrijf, maar door wetenschappers en politici die samen met het grote publiek zijn opgegroeid voor de videorecorder met banden van Disney. Daardoor, en alleen daardoor, ervaren we Tinkebell die een hond fileert als wreder dan Thieme die een boerengezin kapot maakt.


zondag 5 juli 2009

Zomerpuzzel: Betekenis en Waarheid

Stel.
Er is een persoon, Lucky B. genaamd. Op Lucky B. zijn de volgende uitspraken van toepassing:
(1) Alle voorspellingen van Lucky B. met betrekking tot het tossen van muntjes komen uit. Dus als Lucky B. zegt: “Het wordt munt”, dan wordt het munt. En als Lucky B. zegt “Het wordt kop”, dan wordt het kop.
(2) Lucky B. zegt vaak: “Soms haal ik kop en munt door elkaar.”
(3) Soms haalt Lucky B. kop en munt door elkaar. (Als hem vlak voor een toss wordt gevraagd: “Is dit kop of munt?”, dan geeft hij wel eens een verkeerd antwoord. Zijn voorspelling komt echter altijd uit, zegt hij “Kop” dan wordt het kop, zegt hij “Munt” dan wordt het munt.)
Op een goede dag krijgt Lucky B. een muntje onder ogen dat gaat worden opgegooid. Hij krijgt de kopzijde van de munt te zien en zegt desgevraagd dat het munt is. Dit antwoord is fout (sic!). Maar de voorspelling die hij daarop doet, “Het wordt munt”, komt uiteraard uit: Het wordt munt.
Wat betekent de uitspraak, “Het wordt munt” van Lucky B. in dit laatste geval?

Vertaalhandleiding A
Lucky B. noemde de kopzijde “munt”, dus “Het wordt munt” betekent dat het kop wordt. Zijn voorspelling komt dus niet uit. Lucky B. is gewoon een extreme bofkont, door een rare talige verwarring komen zelfs zijn onware voorspellingen uit. (Stel dat een tweede persoon, Lucky A., dit weet, en nadat Lucky B. een voorspelling heeft gedaan, deze herhaalt. Wat betekenen de uitspraken van Lucky A. dan? Hetzelfde als de uitspraken van Lucky B.?)

Vertaalhandleiding B
Lucky B. haalt soms de woorden “kop” en “munt” door elkaar (kop-munt-afasie), vooral als hij een zijde van een munt moet identificeren. Dat strookt ook met (2). Echter bij het voorspellen van de uitkomst van een toss, weet hij altijd wat kop is en wat munt is. “Het wordt munt” betekent dus dat het munt wordt. (Deze vertaalhandleiding maximaliseert de waarheid van de uitspraken van Lucky B. = Principle of Charity)

Vertaalhandleiding C
De uitspraak “Het wordt munt” betekent niets. Lucky B. is gewoon een soort machine die correcte voorspellingen doet, zonder de betekenis van de woorden te kennen. (Zo kan ook een theorie ware voorspellingen opleveren, zonder dat het duidelijk is wat de termen van die theorie betekenen.)

Vertaalhandleiding D
De uitspraak “Het wordt munt” verwijst niet naar de uitkomst van de toss, maar naar het gedrag van de mensen die naar de toss kijken. Lucky B. weet niet precies wat kop of munt is, zo blijkt uit zijn gedrag. Maar hij weet feilloos hoe de toeschouwers op de uitkomst van een toss reageren.

Welke van deze vertaalhandleidingen is correct? Wat voor empirisch materiaal zouden we nodig hebben om A, B, C en D te onderscheiden? Zijn er nog andere vertaalhandleidingen mogelijk (oneindig veel misschien)?
Gaarne uw reactie!

zondag 8 maart 2009

Het begint met taal

Stel u krijgt van Geert Wilders de opdracht een nieuwe reclamecampagne op te zetten waaruit blijkt dat integratie voor veel buitenlanders een onmogelijke en lachwekkende opgave is. En dat het voor hen dan ook altijd lastig zal blijven een gelijkwaardige plek in de maatschappij te veroveren. En vooral dat dit aan henzelf ligt, en niet aan de immer welwillende Nederlanders. Als dat uw opdracht is, dan zijn de volgende spotjes ideaal (de cursieve tekst is een buitenlandse taal):

Komt een allochtone vrouw bij de dokter:
“Maar slaapt u wel genoeg mevrouw Demenchang?”
“Nee, geen slaap dokter, bachem ehh, hoofd-pijn!”
“Ja, u heeft hoofdpijn, dat weet ik maar ik zoek de oorzaak…”
“Oor-zaak, pune… Ahh, komt hoofdpijn door mijn oor?!”

Komt een allochtone man voor werk bij het ziekenhuis:
“Dus u wilt weer in het ziekenhuis werken meneer Youssuf, als broeder?”
“Ikke één broeder en twee zoes, maarre enne breed ik wil werken in ziekenhaus…”
“Ja, dat weet ik. Maar als broeder of als dokter?”
Nes gigun, mijn broeder geen dokter, mijn broeder is kok. Die werke, ik wil ook werk.”

Komt een allochtone moeder op oudergesprek:
“Ja, mevrouw Yildiz, de leraar wiskunde die maakt zich zorgen om Ahmed.”
“Oh menerre wij zelf zorg voor Ahmed, niet wiskundeleraar.”
“Natuurlijk, maar wat ik wil zeggen, Ahmed, doet het hartstikke goed, maar hij kan alleen met wiskunde niet goed meekomen.”
Mettilya, waar naartoe meekomen??? Schoolreis!”

Grappig toch?! Ze leren het ook nooit die buitenlanders. Op de schoolpleinen zullen jongeren de spotjes nadoen, en op kantoren wordt vrolijk, na Goede Moggel, doorgeparodieerd op deze Babylonische spraakverwarring. De campagne zal het beeld versterken van een onoverbrugbare kloof tussen Nederlanders en nieuwkomers. Dat zal op termijn onvermijdelijk zetels opleveren voor de PVV.
Wilders zal u deze opdracht echter nooit geven. Dat hoeft hij namelijk niet, want de spotjes maken onderdeel uit van een campagne van onze overheid, het ministerie van VROM.

“Geachte mevrouw of meneer,
Ik wil ernstig bezwaar aantekenen tegen de spotjes die op radio en televisie worden uitgezonden in het kader van de campagne Het begint met taal. De dialogen in de spotjes zijn denigrerend voor allochtonen, en doen geen recht aan de verwoede pogingen van honderdduizenden nieuwkomers om zich het Nederlands eigen te maken. De spotjes bekrachtigen het vooroordeel van domme buitenlanders, en dragen zo onbedoeld bij aan het beeld van een onoverbrugbare kloof tussen allochtoon en autochtoon.
Eenzelfde campagne had kunnen worden gevoerd aan de hand van spotjes waarin het hakkelende Frans, Spaans of Italiaans van Nederlandse toeristen niet wordt begrepen door een onwelwillende ober of dokter. Ook dan begint het met taal, maar wordt tevens duidelijk dat communicatie twee kanten heeft.

Vriendelijke groet,
Ronald Hünneman.”

Het materiaal van de campagne Het begint met taal vindt u hier.
De bovenstaande radiospotjes vindt u hier.
U kunt hier protest aantekenen tegen de wijze waarop deze campagne wordt gevoerd.

zondag 30 maart 2008

Na Fitna

U heeft Fitna niet gemaakt, maar wellicht heeft u er wel naar gekeken. U heeft in ieder geval enkele scènes gezien in de nieuwsuitzendingen, actualiteitenrubrieken, of bij Pauw en Witteman. Fitna schreeuwt om uw mening, het liefst een gefundeerde, doordachte mening. De hele donderdagavond verdrongen politici, denkers, religieusleiders en opiniemakers elkaar voor de camera. Premier Balkenende gaf een persconferentie waarin hij de regering afstand liet nemen van de film.
Bij het vormen van een oordeel over de film van Geert Wilders zult u de neiging om uw theorie over Geert Wilders in de film te lezen moeten onderdrukken. Dat zegt ten minste het principe van welwillendheid (zie dit blog op 26 maart 2008). Het is veel te makkelijk om een negatief oordeel over Wilders om te zetten in een negatief oordeel over Fitna. Welwillendheid vraagt om een omgekeerde analyse. Laten we de film zo positief mogelijk interpreteren, en die interpretatie bepalend maken voor ons oordeel over Wilders.
Stelt u zich daarom eens het volgende voor. U bevindt zich in een televisieshow waar u wordt aangekondigd als de maker van Fitna. Het publiek klapt enthousiast als u opkomt, en terwijl de interviewer u vraagt te gaan zitten, bedenkt u zich dat u blij bent dat u de film een paar keer goed bekeken en doordacht heeft, zodat u niet al te onnozel over zult komen. U moet twee dingen redden, Fitna én uw eigen gematigde, en natuurlijk van iedere xenofobie ontdane, geseculariseerde denkbeelden.

“Waarom Fitna?” is de openingsvraag.
“Laat ik beginnen met me te verontschuldigen voor de artistieke kwaliteit voor de film. Het korrelige wazige, op sommige punten amateuristisch gesneden beeld is alles wat mijn budget toeliet. En ja, het is ook dom dat de afbeelding van Mohammed B. niet Mohammed B. was. Erg dom.”
“Goed, maar waarom Fitna?”
“Ik wilde een film maken over explosief gedachtegoed. Daarom heb ik de spotprent van Kurt Westergaard als omlijsting gekozen. De prent zelf, de wijze waarop de prent is verspreid, en de reacties die dat losmaakte illustreren mijn stelling dat het gedachtegoed van de islam explosief is. Letterlijk, zoals in New York, London en Madrid, maar ook, en daardoor, politiek. Onze zwaarbevochten geseculariseerde verworvenheden, zoals homo- en vrouwenrechten, abortus, euthanasie, het recht op godslastering en scheiding tussen kerk en staat mogen onder geen enkel beding in gevaar komen.”
“Maar dat kun je toch ook gewoon opschrijven, zoals Sam Harris doet in Letter to a Christian Nation en The End of Faith. Waarom zo’n film, een film met gruwelijke beelden?”
“Zoals u heeft gezien is mijn film een aaneenrijging van citaten. Tijdens het maken grapte ik wel eens dat als René Diekstra deze film zou hebben gemaakt, hij beschuldigd zou worden van plagiaat. Ik heb de terreurdaden gepleegd in naam van de islam en de meest wraakzuchtige verzen uit de Koran achter elkaar geplakt, naast foto’s en beelden van de voltrekking van doodvonnissen tegen homo’s en overspelige vrouwen. Natuurlijk kun je daar abstract over schrijven, maar het daadwerkelijk aanschouwen maakt het moreel onontkoombaar. Mensen zijn bang dat deze landen ons gaan boycotten naar aanleiding van mijn film. Mijn vraag is, waarom boycotten wij deze landen niet allang? Zoals we indertijd, geheel terecht, ook met Zuid-Afrika deden, waar op grond van de Bijbel de inferioriteit van zwarten werd gepredikt. Kennelijk zijn onze economische belangen groter dan de belangen van onze homo’s en vrouwen. Liever een sterke euro dan sterke mensenrechten.”
“Het beeld van het meisje dat moest zeggen dat Joden zwijnen en apen zijn, dat was toch een beetje tendentieus?”
“Dat was een verwijzing naar wat Richard Dawkins virussen van de geest noemt. Als je die op jonge leeftijd in een ziel plant, weet je niet wat voor gruweldaden daar later uit zullen groeien. Leerregels over joden en bloederige rituelen zijn virussen van de geest.”
“Het slechtst vond ik het gedeelte Nederland in de toekomst?! Bent u echt bang dat Nederland ooit zal kreunen onder de sharia?”
“Als het aantal moslims in Nederland zo groot wordt dat ze een politieke macht kunnen vormen, dan vind ik dat bedreigend. Want let op, wij zijn geen volkomen geseculariseerd land! Kerk en staat zijn nauwelijks gescheiden van elkaar. Onderschat in ons huidige kabinet de invloed van de religieuze krachten niet. Daardoor staat vooruitgang in de wetgeving rond euthanasie stil, en moeten mensen onwaardig sterven. Daardoor staat ook het denken over samenlevingsvormen anders dan het traditionele gezin stil, terwijl bijna de helft van alle huwlijken strandt. Daardoor loopt dit kabinet aan de leiband van de Verenigde Staten, omdat daar een leider zit die een religieuze taal spreekt. Ons politieke systeem is niet opgewassen tegen religieuze krachten, zeker niet als die een democratische stem krijgen.”
“Het knip- en plakwerk van de krantenkoppen?”
“Om te laten zien dat ik een stem vertegenwoordig. Misschien een overdreven bange stem, maar wel de stem van een deel van onze samenleving. Natuurlijk had ik ook alle gevallen kunnen laten zien waarin moslims, christenen, joden en atheïsten vreedzaam samenleven. En in verreweg de meeste gevallen is dat ook zo. Maar ik onderschrijf wat Sam Harris zegt: ‘The very ideal of religious tolerance is one of the principle forces driving us toward the abyss. We have been slow to recognize the degree to which religious faith perpetuates man’s inhumanity to man.’ Je kunt op dit moment niet voorzichtig waarschuwen tegen een religie die bepalend is voor de sociale, economische en politieke verhoudingen in de wereld.”
“Het verscheuren van de Koran op het eind van de film? Was dat geen provocatie?”
“Ik heb lang nagedacht over die scène. Heeft u goed gekeken naar wat er gebeurde? Je hoorde het scheuren van papier. Dat was, zo zegt de film ook, een telefoonboek. Daarna vraag ik aan moslims of zij de verzen uit de Koran willen scheuren die oproepen tot de vertoonde vormen van geweld. Dus niet de Koran verscheuren, maar de extreme verzen eruit scheuren. Die oproep zou ik willen doen aan de verspreiders van alle heilige boeken. Scheur de verzen eruit die oproepen tot geweld tegen andersdenkenden, tegen homo’s of tegen vrouwen. En tegen het geseculariseerde deel van de mensheid zou ik willen zeggen: Stel u niet tolerant op tegenover gedachtegoed dat uw vrijheden bedreigt. Tolerantie past binnen een samenleving waar vreedzame religies en atheïsten naast elkaar leven, maar niet binnen een samenleving waar de tolerantie zelf door religieus fanatisme wordt bedreigd.”
“En het ontploffen van het hoofd van Mohammed?”
“Dat ontploft niet. Het gedachtegoed is explosief. Ik wil geen moord op mijn geweten hebben. Per se niet. Mijn gedachtegoed is niet explosief.”

Fitna is mijn film niet, daarvoor is mijn rust mij te lief. Het is de film van Geert Wilders. En ik weet niet of Wilders Fitna op mijn manier zou verdedigen. Het is echter een goed democratisch gebruik om het gebod van naastenliefde om te zetten in het interpretatiegebod van welwillendheid. Dat zou in ieder geval de relatie tussen Wilders, de mensen die op Wilders stemmen, en de rest van de Nederland minder explosief maken. Want ook die polarisering werkt niet ten gunste van onze samenleving.
Ik verwerp de dichotome keuze voor of tegen Wilders, omdat ik in ieder geval met hem de hoop deel dat Nederland een Tuin kan zijn waar een ieder onbevreesd en ongestoord met gedachtegoed mag spelen, in boeken, in spotprenten, in muziek, in gedichten en in slechte films zoals Fitna.

Fitna is overal op het internet te vinden.
Het citaat van Sam Harris komt uit The End of Faith: Religion, Terror, and the Furure of Reason, uit 2004.

woensdag 26 maart 2008

De redelijkheid van Wilders

Het principe van welwillendheid is het kroonjuweel van de filosofie van de twintigste eeuw. Het principe zegt eenvoudigweg dat als je degene met wie je discussieert wilt begrijpen je moet veronderstellen dat diegene net zo rationeel, waarheidlievend en ethisch oprecht is als jijzelf. Althans zolang het een discussie is. Dat wil zeggen, zolang jij of de ander niet naar geweldsmiddelen grijpt. Wat iemand in een discussie ook te berde brengt, je reageert erop door te veronderstellen dat het een oprechte, rationele poging is om jou te overtuigen. En zolang die te berde gebrachte middelen niet gewelddadig zijn is het een discussie. Dus een advertentie, gedicht, videoclip of een film zijn net zoveel onderdeel van een discussie als een geschreven opiniestuk of een betoog in de tweede kamer.
In reactie op de advertentie van Harry de Winter treden Geert Wilders en Martin Bosma dit principe met voeten. Zij schrijven letterlijk dat De Winter “zijn eigen onnozelheid” etaleerde, en stellen een paar zinnen later dat de mening van De Winter onoprecht is want Wilders en Bosma “zijn ervan overtuigd dat de bovenonsgestelden wel degelijk aanvoelen dat er iets fundamenteel mis is met de islam.” Door deze openingszet houdt de rest van het stuk op een poging tot een redelijke discussie te zijn. Je tegenstander dommer en minder oprecht afschilderen dan jezelf is geen poging de ander te begrijpen, slechts een poging om je eigen mening bij voorbaat superieur te verklaren.
Het leuke is dat Tofik Dibi vandaag in De Volkskrant richting Wilders precies hetzelfde doet: openen met een kleine sneer richting de rationaliteit van Wilders: “Geert Wilders zegt er regelmatig last van te hebben en ik voel me soms ook onbegrepen. Toen ik klein was, had ik dat regelmatig.” Maar Wilders is geen kleine jongen, en als Dibi hem wil uitnodigen voor een debat, en dat wil Dibi, dan moet hij iedere twijfel aan de rationaliteit en oprechtheid van Wilders achterwege laten. Wie met Wilders wil discussiëren zal er vanuit moeten gaan dat Wilders rationeel, waarheidlievend, en oprecht is, zal er vanuit moeten gaan dat Wilders een redelijk mens is.
Fitna is gewoon een zet in een discussie rond de islam. Dat is een belangrijke discussie, een mooie discussie ook, die wij zeker niet uit de weg moeten gaan. Het is een onderdeel van een veel groter vraagstuk, namelijk de vraag welke rol religies gaan spelen in de wereldgeschiedenis nu de grote strijd tussen de ideologieën van het kapitalisme en het communisme is uitgemond in een overwinning van een van enige menselijke kanttekeningen voorzien kapitalisme. Gaan religies, nu die ideologische leidraad weg is, de vacante plek invullen? Worden religies de nieuwe ideologieën?
Wilders claimt dat de islam al een nieuwe ideologie is. En er zijn redenen genoeg om te stellen dat president Bush het christendom als tegenkracht heeft gelanceerd toen hij de wereld verdeelde in Licht en Donker, Wij versus de As van het Kwaad. Gaan religies de plek van het nieuwe gordijn bepalen, de grens tussen licht en donker?
Wilders stelt terecht dat de doelstellingen van de islam hier op aarde liggen, en dat maakt de islam inderdaad tot een politieke ideologie. Maar dat is niet het grootste gevaar van de islam, want in die zin is het kapitalisme ook een politieke ideologie. Het gevaar is dat die aardse doelstellingen niet geformuleerd worden in termen van menselijk, aards geluk (zoals bij kapitalisme of communisme) maar in termen van verantwoording aan een andere wereld, een wereld los van onze dagelijkse werkelijkheid, een goddelijke wereld. Dat is het gevaar van de islam, én van het christendom van Bush. Religies mogen geen politieke ideologie worden, daarvoor zijn mensenlevens te kort en te kostbaar, daarvoor is onze vrijheid om ons aardse leven vorm te geven zoals wij dat zelf willen te dierbaar.
De discussie over de nieuwe rol van religie moeten we in alle hevigheid voeren, met boeken, betogen, videoclips, muziek en films. En van iedereen die aan die discussie meedoet veronderstellen we dat zij redelijk is en ons niet naar het leven zal staan. Dat is de geseculariseerde christelijke traditie die wij hebben hoog te houden. Dat is de traditie die voortkomt uit Matteüs 22:
“Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.”
Als het geloof in God wegvalt, en daarmee het eerste en grootste gebod, dan blijft het kleine, aardse principe van welwillendheid over. Heb de argumenten van uw naaste lief als die van uzelf.
Intellectueel Nederland zou de huidige impasse kunnen oplossen door redelijk en begrijpend, met inachtneming van welwillendheid, te reageren op Fitna, en zich pal op te stellen achter uitzending daarvan.