Posts tonen met het label Logisch Positivisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Logisch Positivisme. Alle posts tonen

donderdag 13 mei 2010

Informatie over memen

Als een verschijnsel kan worden verklaard zonder een of andere hypothetische entiteit aan te nemen, dan is er geen enkele reden om deze entiteit aan te nemen. Zo luidt ongeveer Ockhams scheermes (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem) in de interpretatie van Bertrand Russell. Ik vind dat een mooi kentheoretisch principe. Beperk het aantal entiteiten dat je veronderstelt zoveel mogelijk. De talige variant van Ockhams scheermes luidt, wat mij betreft: voer (binnen de wetenschap) slechts nieuwe woorden in als je daarmee zaken kunt uitdrukken die anders niet (of slechts op zeer barokke wijze) onder woorden kunnen worden gebracht.
Er is dus enerzijds een ontologisch mes dat nutteloze entiteiten wegsnijdt. En, er is anderzijds een linguïstisch mes, dat het ongefundeerd babbelen tot een minimum beperkt. Tezamen vormen deze messen de snoeischaar die voorkomt dat de haag van wetenschap verwordt tot de wildgroei van pseudowetenschap.
In On the Senselessness of Memes betoog ik dat memen, indien ze worden opgevat als entiteiten die van de ene geest naar de andere worden gekopieerd, eenvoudig met het ontologisch mes kunnen worden weggesneden. De voornaamste reden daarvoor is, grofweg, dat het volstrekt onduidelijk is wat we bedoelen met een entiteit in de geest. Daarnaast hebben we geen criterium om vast te stellen of een meme (of een idee, of gedachte, of wereldbeeld) in de ene geest een kopie is van een meme in een andere geest. Als we niet weten wat memen in de geest precies zijn, en we niet weten wanneer de ene meme een kopie is van de andere meme dan kun je de hypothetische entiteit meme maar beter achterwege laten.

In plaats van een definitie van meme in geestrijke termen kunnen we dus beter kiezen voor een definitie in termen van observeerbaar gedrag of artefacten (door menselijk gedrag voortgebrachte voorwerpen). Derhalve mijn voorstel om meme na gebruik van het ontologisch mes aldus te definiëren:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.
Maar op deze half gesnoeide definitie van meme moet ook het linguïstische mes worden toegepast. Memen werden naar analogie met genen geïntroduceerd ten einde op het onderzoek naar en de beschrijving van cultuurverschijnselen evolutietheorie toe te kunnen passen. Maar als voor alle cultuurverschijnselen het traditionele jargon net zo goed voldoet, dan zou het woord 'meme' slechts verwarring scheppen, of, erger nog, ten onrechte scherpte en wetenschappelijkheid suggereren. Op grond van het linguïstische mes is het dan beter om 'meme' weg te snijden.
En inderdaad, voor verreweg de meeste cultuurverschijnselen voegt een verwoording in termen van een evolutionair proces van memen niets toe. Traditionele beschrijvingen van cultuur en gedrag met behulp van imitatie en genetisch voordeel voldoen uitstekend. Gekopieerd gedrag levert genetisch voordeel op. Altruïsme bij mensen, bijvoorbeeld, laat zich uitstekend beschrijven als een gevolg van zelfzuchtige genen in combinatie met imitatie. En gekopieerde artefacten maken het leven domweg een stuk gemakkelijker en aangenamer, zodat er meer energie overblijft (wasmachines) of zich meer mogelijkheden voordoen (auto’s) voor voortplanting.
Dus, al definiëren we meme op basis van gedrag en artefacten, dan is nog steeds de vraag of ze Ockhams linguïstische mes overleven. Hebben memen wel bestaansrecht? In On the Senselessness of Memes weeg ik een aantal mogelijkheden om dit bestaansrecht in te vullen. Uiteindelijk blijft er slechts één over: het gebruik van de term meme is slechts zinvol als memen parasieten zijn van organismen en hun genen. Anders gezegd, slechts als memen organismen weten te misbruiken voor hun voortbestaan, voortplanting, en verspreiding, zou het zinvol zijn om de term meme in te voeren. In dat geval, namelijk, schiet een verklaring in termen van genen of organismen altijd te kort, of laat aspecten onderbelicht die door het gebruik van de term meme wel zichtbaar worden.
Let wel, daarmee moet, om een verschijnsel zinvol met behulp van memen te beschrijven, aan zes voorwaarden zijn voldaan:
(1) Robuustheid. Memen moeten als entiteit voor langere tijd kunnen bestaan. In ieder geval lang genoeg om zich voort te planten. (Anders worden ze weggesneden door het ontologische mes.)
(2) Vruchtbaarheid. Memen moeten via een of ander proces kopieën van zichzelf in de wereld helpen. Deze kopieën en de kopieën van kopieën, enzovoort, zal ik aanduiden met “nakomelingen.”
(3) Subtiele variatie. Zo nu en dan moet een nakomeling iets afwijken van zijn voorouder. Dit afwijken mag niet zoveel zijn dat de nakomeling niet meer als kopie herkenbaar is.
(4) Selectie. Op memen moet een selectieproces plaatsvinden, waardoor sommige memen meer nakomelingen voortbrengen dan andere.
(De eisen 2 tot en met 4 zorgen voor een evolutionair proces.)
(5) Het succes van de meme mag niet te herleiden zijn tot voordeel voor het organisme, of de genen van het organisme. (Anders worden ze weggesneden door het linguïstische mes.)
(6) Om de term meme ingang te laten vinden moeten er memen zijn die het evolutionaire succes van organismen en hun genen verminderen. (De eis van parasitisme.)
Indien een meme aan deze zes eisen voldoet weten we zeker dat het als zelfstandige evolutionaire entiteit met zelfzuchtige belangen tegengesteld aan die van genen bestaat, en dus niet kan worden gereduceerd tot genen of tot het fenotype van genen. Zo betoog ik althans in On the Senselessness of Memes.
Bestaan er artefacten of gedragingen die aan deze zes eisen voldoen? Ik zal mij hier beperken tot artefacten. Dus, bestaan er artefacten die parasitair zijn op mensen?
Tot nu toe ben ik slechts één serieuze kandidaat voor een dergelijke parasitaire memetische status tegengekomen, de mobiele telefoon. Ik heb meerdere malen beschreven hoe mobieltjes ons leven verrijken en zich tegelijkertijd tot parasieten ontpoppen, en zal dat hier allemaal niet herhalen. Mijns inziens voldoet de mobiele telefoon aan de zes eisen:
(1) Het is een duidelijk object, met een behoorlijke levensduur.
(2) Mobieltjes zorgen voor kopieën van zichzelf. Dat doen ze door ons brein zodanig te bewerken dat wij hun voortplanting verzorgen. Deze situatie is niet ongewoon, ook niet in de biologische evolutie. (Richard Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype hoe de cannabis plant ons ook op die wijze gebruikt.)
(3) De nakomelingen van mobieltjes vertonen soms kleine variaties.
(4) Op de nieuwe typen mobieltjes vindt een sterke selectie plaats.
(5) Het gebruik van mobieltjes leidt niet tot verhoogde vruchtbaarheid bij mensen. (Eerlijk gezegd, weet ik dit niet helemaal zeker. Het zou zo kunnen zijn dat mensen met een mobieltje meer seksuele contacten hebben, en meer nakomelingen hebben dan mensen zonder mobieltje. Als dat zo is, dan is een mobieltje geen meme.)
(6) Het mobieltje vraagt veel van onze tijd, geld en energie, meer dan met het oog op ons eigen evolutionaire proces goed is. (Mits, zie 5.) Mensen besteden geld aan het mobieltje dat ze beter aan voedsel of nakomelingen zouden kunnen uitgeven.
En met het vervullen van deze zes eisen zou het mobieltje een heuse memeparasiet zijn geworden.
Of dat werkelijk zo is, zal de tijd leren. Mobieltjes staan in veel opzichten nog in de kinderschoenen. In de komende decennia zal het mobieltje daadwerkelijk fysiek ons lichaam binnendringen en pas dan zal het parasitaire karakter helemaal duidelijk kunnen worden.
Gisteren stuitte ik bij toeval op nog een kandidaat memeparasiet: de anticonceptie pil. Deze pil voldoet op zijn minst aan de eisen 1 tot en met 5. De vraag is echter of de pil het aantal nakomelingen van een vrouw nadelig beïnvloedt. Het zou zo kunnen zijn dat vrouwen die de pil gebruiken op de lange termijn (na een paar generaties) meer nakomelingen hebben, dan vrouwen die de pil niet gebruiken. Bijvoorbeeld doordat de nakomelingen die zij krijgen gezonder zijn, omdat de vrouwen meer energie kunnen investeren in ieder van hun nakomelingen. Mocht dat niet zo zijn, en mocht de pil het aantal nakomelingen daadwerkelijk negatief beïnvloeden, dan is de pil een memeparasiet. Wellicht zullen dan op de hele(!) lange termijn alle vrouwen een pilallergie hebben.

Nawoord
Wat levert een discussie rond memen op?
In ieder geval niet veel kandidaatmemen. Richard Dawkins heeft gelijk: “[de meme] is nog in het babystadium en drijft nog onhandig rond in zijn oersoep…”
Maar in On the Senselessness of Memes speelt op de achtergrond nog een andere filosofische discussie een rol, de discussie rond de term informatie. Hoe hard moet Ockhams snoeischaar worden gezet in informatie? Misverstanden rond de term meme zijn onlosmakelijk verbonden met misverstanden rond de term informatie. Memen worden vaak gezien als informatiepakketjes. Wikipedia spreekt van een "besmettelijk informatiepatroon". Deze informatiepakketjes vermenigvuldigen en verspreiden zich over breinen. Ik heb laten zien dat memen opgevat als dergelijke informatiepakketjes niet tot de haag van wetenschap behoren.
Maar de situatie rond de term informatie is nog ondoorzichtiger dan die rond meme. Is het bij meme ten minste nog mogelijk om eisen te formuleren waaraan het gebruik moet voldoen, de term informatie wordt te pas en te onpas gebruikt als het gaat om cognitieve aspecten van de menselijke geest. In de ergste gevallen worden onze hersenen een plek waarin informatie rond zingt, wordt er informatie tussen hersenengebieden heen en weer gezonden, of komt informatie voor hersengebieden beschikbaar. We weten in al deze gevallen niet precies wat er wordt bedoeld. Als we het woord ‘informatie’ hier zouden vervangen door het woord ‘memen’, dan zou de onzinnigheid onmiddellijk duidelijk zijn: de hersenen zijn een plek waar memen rond zingen, of er worden memen tussen gebieden heen en weer gezonden, of memen komen voor hersengebieden beschikbaar. Maar door over te schakelen op een nog veel vagere term, informatie, valt het pseudowetenschappelijke karakter van informatieverwerking nauwelijks meer op.
Mijn voorstel zou dan ook zijn om Ockhams ontologische en linguïstische mes eens stevig in de term informatie te zetten. Dat zou de filosofie, psychologie, cognitieve - en neurowetenschappen zeer ten goede komen.

zaterdag 23 januari 2010

Wichelroede lopen

Vanochtend, tijdens het ontbijt, hoorden mijn zonen en ik het nieuws van een Brit die was opgepakt en vastgezet vanwege de verkoop van nep-bomdetectoren. We moesten er hartelijk om lachen. Onmiddellijk ontspon zich een geanimeerd gesprek over wichelroede lopen. Wat voor mensen zijn zo dom dat ze geloven dat een stok in hun handen gaat bewegen in de nabijheid van water? En dus ook, wat voor regeringen zijn zo dom dat ze een nep-bomdetector kopen? Ik legde mijn zonen uit dat de nep-bomdetector in werkelijkheid waarschijnlijk een metaaldetector was, of een warmtedetector, en dus wel iets op kon sporen, maar niet exclusief bommen. Tijdens een demonstratie zou de bomdetector glansrijk slagen, maar in praktijk had je er weinig aan.
Ik had beter moeten weten. Na het ontbijt zocht ik het nieuwsbericht van de NOS op, en de uiteindelijke bron bij de BBC. Ik schrok. De bomdetector verschilde in helemaal niets van een wichelroede! De beelden en verhalen op de site van de BBC waren bijna te lachwekkend om waar te zijn. De BBC schrijft:
Het apparaat wordt verkocht door Jim McCormick, vanuit kantoren op het platteland van Somerset, Engeland. De werking van de ADE-651 detector is nog nooit wetenschappelijk aangetoond. Er zitten geen batterijen of accu in, en het bestaat uit een draaibare antenne gemonteerd op een scharnier op een soort handgreep. Critici hebben het al vergeleken met een veredelde wichelroede. McCormick vertelde de BBC in een eerder interview dat “de theorie achter wichelroedelopen en de theorie achter de manier waarop we eigenlijk bommen opsporen zeer sterk overeenkomen.”
In de handleiding van het apparaat staat dat het zelfs kan worden gebruikt om olifanten, mensen en honderd-dollarbiljetten op te sporen.
Het apparaat werkt op een soort creditkaart waarop een antidiefstalstrip zit, dezelfde als die door winkeleigenaren op producten wordt aangebracht. Volgens Markus Kuhn van het computerlaboratorium van de Universiteit van Cambridge is het onmogelijk dat het apparaat ook maar iets kan ontdekken. Ik ben in deze materie veel minder geschoold dan Kuhn, maar u mag ook van mij rustig aannemen dat dit apparaat nog geen atoombom detecteert. “De regering van Irak heeft 85 miljoen dollar uitgegeven aan de ADE-651.” De antidiefstalstrips kosten 5 cent, de apparaten 40.000 dollar per stuk. Hilarisch! McCormick is dus geenszins gek!
Vorige maand werd de ADE-651 nog verdedigd door een hoge Iraakse officier verantwoordelijk voor de opsporing van bommen. Generaal-majoor Jehad al-Jabiri verscheen samen met McCormick op een persconferentie na de golf van aanslagen in december, hij zei dat hij meer van bommen wist dan de Amerikanen. “Of het nu magie is of wetenschap, waar het mij om gaat is dat het bommen detecteert,” aldus Jehad al-Jabiri.
Volgens Sidney Alford, een toonaangevende explosievenexpert die het leger adviseert, is de verkoop van de ADE-651 “absoluut immoreel. Het zou kunnen leiden tot tientallen, zo niet honderden doden.” Dat ben ik niet met hem eens. Althans, ik ben het vooral niet met Alford eens dat de verkoop immoreel is.
Onze economie draait namelijk voor een belangrijk deel op de verkoop van onzin onderbouwd met onzinnige claims. Ieder homeopathisch middel is onzin. Veel therapieën zijn onzin. Bijna alle gezondheidsmiddeltjes zijn onzin. Alle diëten zijn onzin. Zelfhulpboeken zijn onzin. Anti-aging is onzin. The Secret is aan waanzin grenzende onzin. We kijken naar de psycho-onzin van de Rode Kamer. Religies en sekten drijven op onzin. Veel groenproducten en groene claims vallen in de categorie onzin, of tenminste de categorie zinloos. Veilige auto’s zijn onzin. Kortom, haal de onzin uit onze handel, en je houdt niet veel meer dan brood en boerenkool over.
Maar kennelijk worden we gelukkiger van die handel in onzin. Dus uit het feit dat iets onzin of onzinnig is, mag niet worden afgeleid dat de verkoop ervan immoreel is. Laat ik een voorbeeld uitwerken. Homeopathische middeltjes zijn aantoonbare onzin. Wetenschappelijk gezien genezen ze niet. De werking ervan berust op het placebo-effect: Geloven in de werking van een middel, bevordert de genezing van de kwaal. Onzin, maar geneeskrachtige onzin. Daarom moet de onzin van homeopathie ook niet te breed worden uitgemeten in de media. Daardoor zouden mensen er immers minder in gaan geloven, en zou de werking van homeopathische middeltjes verminderen.
Terug naar de ADE-651, en de vraag wanneer een bomdetector werkt. Ik zou de volgende stelling willen verdedigen: Een bomdetector als de ADE-651 werkt als terroristen geloven dat ie werkt. Dus de ADE-651 zal zeker aanslagen hebben voorkomen. Het apparaat is ondoorgrondelijk, en juist die ondoorgrondelijkheid zorgt voor de werking. Terroristen die geloven in de ADE-651 zullen de controleposten vermijden waar het apparaat wordt ingezet. Zolang politie en leger het volste vertrouwen in het apparaat uitstralen, zolang zullen terroristen omwegen zoeken die ze ook zouden zoeken als het apparaat wel werkte. Kortom, omdat er mensenlevens op het spel staan moeten sceptici in dit geval hun mond stijf dichthouden.
Maar dat gebeurde niet:
Twijfels over het gebruik van wichelroedes om bommen op te sporen werden voor het eerst opgeworpen door de Amerikaanse scepticus James Randi. Randi heeft tegenover de BBC bevestigd dat hij nog steeds een miljoen dollar aan McCormick biedt als hij kan bewijzen dat de ADE-651 werkt. In 1995 luidden het Sandia laboratorium en de FBI de noodklok over een vergelijkbaar apparaat, de Quadro Tracker, dat zij omschreven als “oplichterij”. De FBI waarschuwde: “Alle instanties moeten onmiddellijk stoppen met het gebruik van dit apparaat.” In 1999 trok de FBI weer aan de bel: “Waarschuwing! Gebruik geen nep-bomdetectoren.”
Wat een slechte vorm van oorlogsvoering is dit… Eén keertje James Bond kijken en je weet dat terroristen nooit mogen weten dat wij weten dat zij niet weten wat wij weten, namelijk dat de ADE-651 niet werkt. Natuurlijk zouden de terroristen op een gegeven moment op eigen intellectuele kracht de ADE-651 hebben ontmaskerd (net zoals de meeste mensen er op een keer achter komen dat homeopathie niet werkt), maar het is immoreel om ze daarbij te helpen. McGormick had in stilte moeten worden afgevoerd, zijn apparaten vernietigd, en tien jaar later had Forsyth er een thriller over geschreven. Zo pak je dit soort zaken aan. Door McGormick nu als een boef af te schilderen verdoezelen we het feit dat we in een onzincultuur leven, waarin onzin gewoon aan vriend en vijand mag worden verkocht.
De grootste schok is wellicht dat de terroristen rationeler waren dan wij, en ons daardoor ongehinderd een gevoelige klap konden toebrengen.

vrijdag 13 februari 2009

Collecte en bus

Er is waarschijnlijk geen God. Durf zelf te denken en geniet van het leven.

Afgelopen zondag werd in Amsterdam Darwin Day georganiseerd, met lezingen, columns, discussies, en een enkele lofzang ter ere van de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin (1809-1882). In de pauzes werd gecollecteerd voor de ‘reclamecampagne voor de rede’, de reclamecampagne die bovenstaande leus de openbare ruimte in gaat brengen. Ik had er geen cent voor over. Darwin en God hebben namelijk niets met elkaar te maken. Darwin heeft niet aangetoond dat er waarschijnlijk geen God is. Darwin heeft wel een alternatief gegeven voor creationistische verklaringsmodellen voor de op aarde levende organismen, maar daar volgt niet uit dat God niet bestaat en het wordt er ook niet waarschijnlijker door.
Logisch positivisten hebben aan het begin van de twintigste eeuw uitgelegd dat niet eens bij benadering vast te stellen is wat de term ‘God’ betekent. En zolang niet vast te stellen is wat een term betekent zijn er geen wetenschappelijke, zinvolle uitspraken te doen waarin deze term voorkomt. Anders gezegd, de zin “Er is waarschijnlijk geen God” betekent niets zinnigs. Nog anders gezegd, als wetenschappers uitspraken doen over God, dan doen ze wetenschap tekort of houden ze op wetenschapper te zijn. Cees Dekker die over creationisme spreekt houdt op wetenschapper te zijn, net zoals Richard Dawkins de evolutietheorie tekort doet als hij spreekt over God als misvatting. Wetenschap gaat over zinvolle vragen. Het meest wetenschappelijke antwoord op de vraag “Denkt u dat God bestaat” is daarom: “Huh?”
Maar zelfs als de term God wel een duidelijke betekenis heeft, dan is de uitspraak “Er is waarschijnlijk geen God” nog steeds onzinnig, ditmaal door het woord ‘waarschijnlijk’. Zoals Karl Popper (1902-1994) heeft laten zien worden uitspraken binnen de wetenschap niet in een of andere objectieve betekenis waarschijnlijker of onwaarschijnlijker. Op het moment dat God neerdaalt op aarde is de uitspraak “God bestaat waarschijnlijk niet” in een klap onwaar, net zoals de uitspraak “God bestaat heel misschien niet” of “God bestaat niet.” Het woord “waarschijnlijk” voegt dus niets interessants toe. Zaken bestaan of ze bestaan niet.
Het vervelendst van de reclameslogan is echter dat er na “Er is waarschijnlijk geen God” in een adem wordt doorgegaan met “Durf zelf te denken” en “Geniet van het leven.” Ondanks dat er strikt genomen geen logisch verband is, lijkt het hierdoor alsof er een samenhang is tussen deze beweringen. Maar de oproep om zelf te denken is toch hopelijk niet afhankelijk van het bestaan van God?! En de wens om te genieten van het leven staat toch los van de vraag of er goden zijn?! Andersom gezegd, zelfs als het bestaan van God onomstotelijk is aangetoond, dan nog, of juist dan, is het advies om zelf te denken van kracht. En zelfs als de goden onophoudelijk vervelende bevelen naar de aarde sturen, dan nog is het advies om rustig de tijd te nemen en te genieten van het leven zinnig.
Volgens de wetten van de reclame adviseert de tekst op de bus onbedoeld gelovigen om niet na te denken en niet te genieten. De slogan verbindt te makkelijk de teloorgang van God met de opleving van rede en genot. Terwijl het precies andersom zou moeten zijn. Een opleving van rede en genot doet de stem van God verstommen. Dat was de verdienste van Darwin.
“Denk en geniet” was daarom als slogan voldoende geweest.

zondag 28 september 2008

Extreem zinloos














’s Avonds laat, als enige klant in de McDonalds, met niet meer vertier dan de Metro van die ochtend, opende de frase “extreem zinloos geweld” een wereld aan gedachten. Ik had geen idee wat extreem zinloos geweld was. Zinloos geweld is al een lastig begrip. Is het zinloos om iemand in elkaar te slaan omdat hij met een verkeerde blik naar je vriendin kijkt? Het is fout, niet ethisch te verantwoorden, maar is het ook zinloos? En wat is dan extreem zinloos?
Logisch Positivisten hadden halverwege de twintigste eeuw een duidelijk omschreven gebruik van het begrip zinloos. Een taaluiting is zinloos als deze niet leidt tot praktisch toetsbare consequenties. De uitspraak “De werkelijkheid is één,” bijvoorbeeld, mag tot een zaligmakend rustgevend gevoel leiden, maar is op geen enkele manier toetsbaar. Er is geen waarneming te bedenken die onderscheid zou maken tussen deze uitspraak en de uitspraak “De werkelijkheid is veelvuldig.” Daarom zijn beide uitspraken zinloos, zinledig, zonder betekenis.
Zouden uitspraken ook extreem zinloos kunnen zijn? Totdat ik naast een hamburger de Metro las had ik die vraag nooit gesteld. Het schema van de Logisch Positivisten was immers afgerond. Het leek in ieder geval nutteloos om het verder uit te breiden met het etiket “extreem zinloos”. Als uitspraken onderscheiden worden die geen betekenis hebben, is het dan nog zinvol om uitspraken te onderscheiden waarvan de betekenis onder het nulpunt daalt? Als een uitspraak is ontdaan van alle betekenis, wat kan er dan verder nog af?
Terwijl ik kauwde op mijn lauwe, dunne frietjes, begon een medewerker stoelen te verzetten en tafels af te nemen. Zou zij iets tegen mij hebben kunnen zeggen dat extreem zinloos was? Zonder betekenis en … bijvoorbeeld, … uitermate ergerlijk? Dat was het! Er zijn zinloze uitspraken, maar sommige van die uitspraken zijn ook nog eens uitermate ergerlijk. Uitspraken die niet toetsbaar zijn, en daarnaast nog eens het effect hebben dat ze ergernis teweeg brengen. Of nog beter, extreem zinloze uitspraken ondermijnen zinvolle uitspraken. Extreem zinloze uitspraken zijn conversatiestoppers, zinnen die een eind maken aan iedere levendige discussie. Duizenden voorbeelden vulden mijn geest:
- Alles is relatief.
- Uiteindelijk zijn we gewoon deeltjes.
- Dat is nu eenmaal mijn mening.
- Het moet uit de lengte of uit de breedte komen.
- Volgens mijn wiskundige intuïtie is er meer dan waar en onwaar.
- Ieder heeft zijn eigen waarheid.
- Het is een kwestie van smaak.
- De Bantoe is primitief.
- De vrouw is in wezen onderdanig.
- Alle mensen zijn zondig.
- De vrije wil is niet vrij.
- Bewustzijn is een quantumverschijnsel.
Enzovoort, enzovoort.
Extreem zinloze uitspraken brengen een conversatie de doodsteek toe. Na een extreem zinloze uitspraak is iedere volgende uitspraak zinloos. Een extreem zinloze uitspraak leidt niet tot een voortzetting van een discussie, maar tot de vernietiging ervan.
Enigszins opgewekt begon ik aan de McOriental, mijn favoriete burger van het moment. Het idee van extreem zinloze taaluitingen sloot mooi aan bij de notie van extreem zinloos geweld. Ik had zinloos geweld altijd gedefinieerd als geweld dat geen verband hield met andere beweegredenen van de dader dan het geweld zelf, of een bredere obsessie met geweld. Iemand of iets fysiek schaden om het fysieke schaden. Happy slapping is zinloos geweld, net zoals een toevallige voorbijganger in elkaar slaan en vandalisme. Extreem zinloos geweld is dan geweld dat onbedoeld ondermijning van het menselijk verkeer tot gevolg heeft. Zonder dat de dader erop uit is ontwricht extreem zinloos geweld de samenleving, zaait angst en haat, ondermijnt iedere poging tot interactie tussen mensen, en blokkeert daarmee de weg tot menselijk geluk. Aangezien het allemaal onbedoeld is, schijnt de achterlijkheid van de plegers fijntjes door hun extreem zinloze geweld heen.
De voorbeelden dwarrelden weer voor mijn geestesoog, net zoals het besef dat mijn ideeën bij thuiskomst waarschijnlijk niet houdbaar zouden blijken te zijn en wellicht zelfs zinloos. Zou er ook sprake kunnen zijn van extreem zinloos verbaal geweld?
De uitspraak “Een halve liter ice tea is teveel om half twaalf ’s nachts” leidt in ieder geval wel tot toetsbare consequenties.

Logical Positivism
Logical Positivism
A. J. Ayer