Posts tonen met het label wetenschappelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wetenschappelijkheid. Alle posts tonen

zondag 18 november 2012

De kwab van Swaab

Uit welke hersenkwab van Dick Swaab komt toch het wanstaltige idee voort dat ‘wij ons brein zijn, zelfs als het kunst betreft’ (zie NRC Handelsblad van 30 oktober)? Ergens moet bij hem een kortsluiting of vernauwing (hij zal zelf spreken van ‘neurale cognitieve inhibitie’) plaatsvinden die verder-denken-dan-zijn-voorhoofdskwab-lang-is onmogelijk maakt. Aan de andere kant, dat Swaab zijn neiging om elke vorm van menselijk gedrag vanuit de hersenen te verklaren toepast op kunst, biedt een mooie gelegenheid om de onzinnigheid van zijn opvatting eens van een andere kant ten tonele te brengen. 
Laten we bij kunst beginnen. Er valt in algemene gedragsmatige termen bitter weinig over kunst te zeggen. De diversiteit is domweg te groot. Om Jeroen van Merwijk te parafraseren: Er is realistische kunst en abstracte kunst. Er is kunst gericht op volledigheid en kunst gericht op details. Er is kunst in zwart/wit en in kleur. Er is kunst die overdrijft en er is kunst die zeer natuurgetrouw weergeeft. Er zijn verschillende culturen die verschillende perioden van verschillende kunstvormen kennen. Er zijn verschillende kunstenaars die verschillende materialen en technieken gebruiken met verschillende intenties, en waarvan de werken door verschillende mensen op verschillende wijze worden begrepen en gewaardeerd. Er is schrijfkunst, schilderkunst, filmkunst, fotokunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, perfomatieve kunst, straatkunst en landschapskunst. En, er zijn textiele werkvormen.

Ut Absordasties Rejielasme van Jeroen van Merwijk


En dan zijn er Dick Swaab en zijn vakgenoot Vilayanur Ramachandran. Beiden zijn uitmuntende neurologen. En beiden hebben de neiging om de resultaten die ze in hersenonderzoek boeken te veralgemeniseren naar al het menselijk gedrag. Dat is op zich al niet overtuigend, maar het wordt wanstaltig als zij het over kunst gaan hebben. Zo schrijft Swaab: “Hersenonderzoek laat een objectieve basis zien voor de ervaring en productie van schoonheid.” Ik weet niet wat hij onder ‘objectieve basis’ verstaat, maar waarschijnlijk betekent het ‘neuraal substraat’. Als dat zo is, dan laat hersenonderzoek zien dat er neurale activiteit is bij kunstbeleving. Een triviale bevinding waarop mijn kinderen dan ook zouden reageren met een “Ja, duh!” 
Swaab geeft ook nogal hoog op van het principe van overdrijving, dat Ramachandran uitgebreid heeft beschreven. En uiteraard weet Swaab uit de schat aan kunstvoorwerpen die de mensheid heeft voortgebracht, enkele te kiezen waarbij overdrijving ontegenzeggelijk een rol speelt. Maar wat zegt dat? Het is alsof we uit de totale verzameling vrouwen honderd sm-meesteressen kiezen om daaruit af te leiden dat alle vrouwen een aangeboren neiging tot overheersing hebben. Pseudowetenschap begint bij het weglaten van stapels tegenvoorbeelden. Pseudowetenschap begint bij onbezonnen overdrijving. 
De werkelijke interessante vraag is waar de ongekende rijkdom aan schilderijen, boeken, foto’s, films, beeldhouwwerken, artefacten en muziekstukken vandaan komt. (Dat hangt samen met het feit dat we allemaal verschillende hersenen hebben! Ja, duh…) 
Charles Darwin zette de biologie op een nieuw spoor door te wijzen op de alom aanwezige variatie binnen soorten. Een variatie die op haar beurt slechts evolutionaire betekenis krijgt in een omgeving. We kunnen niet begrijpen waarom gazelles zo licht, wendbaar en snel zijn, als we niets weten over leeuwen of jachtluipaarden. We kunnen niets begrijpen van de huidskleur van mensen als we niets weten over zonlicht en klimaat. 
Precies hetzelfde geldt voor kunst en kunstenaars. Het impressionisme, een stroming waarbinnen de variatie enorm is, valt niet te begrijpen door slechts te kijken naar mensenhersens. Fotografie, verftubes, draagbare schildersmaterialen en ontwikkelingen in filosofie en wetenschap speelden bij de opkomst en vorming van het impressionisme een veel grotere rol dan de hersenen van Monet. Net zo kunnen we Romeinse bouwstijlen prima begrijpen zonder de hersenen van Nero, maar niet zonder kennis van de historie van beton en wiskunde. En zelfs de meest uitgebreide scan van de creatieve kwabben van Andy Warhol zal niet duidelijk maken waarom hij juist de banaliteit van Brillodozen tot kunst verhief. 


Dat brengt ons terug bij Swaab zelf. Want, waarom wil hij alles begrijpen vanuit het brein? Is dat een fout in zijn slaapkwab? Nee, althans, niet noodzakelijk. Swaab denkt en werkt binnen een seculariserende Joods-Christelijke cultuur. In die cultuur heeft God weliswaar afgedaan als Schepper, maar is de idee dat alle beweging een duidelijke oorsprong moet hebben nog steeds volop aanwezig. De bewegingen van mensen moeten ergens beginnen, en waar anders dan in het brein, zo is de gedachte. Zoals God de wereld schiep, zo schept het brein het handelen. Swaab kan niet anders dan dit bizarre credo uit zijn omgeving doorgeven. Had hij zich in een andere cultuur bevonden, dan was de gedachte niet eens bij hem opgekomen. Waarom niet? Omdat Swaab niet zijn brein is, maar een organisme dat dankzij lichaam, zintuigen en hersenen het merendeel van de tijd doet waar de omgeving het toe aanzet. Dat is maar goed ook, want als hij echt zou nadenken over de uitspraak “Wij zijn ons brein,” dan zou hij verdwalen in de wirwar van windingen in zijn binnenkamer.

vrijdag 6 januari 2012

Blij met een dood vogeltje

De grote boosdoener, de grote filosofische boosdoener is informatie. Informatie is voor de meeste hedendaagse denkers wat res cogitans was voor René Descartes: een manier om over de menselijke geest te kunnen spreken zonder de hindernissen van natuurwetenschappelijke strengheid. Nergens is de kracht van informatie sterker dan in neurologisch - of neuropsychologisch onderzoek en de daaraan gelieerde philosophy of mind. Informatie is daar een kritiekloos geaccepteerde goochelterm, een deus ex machina om gedachtenspinsels met hersenweefsel te verbinden. Zelden laat een beschrijving in termen van informatie of informatieverwerking meer over de menselijke geest of hersenen zien dan het onvermogen om een verschijnsel wetenschappelijk te benaderen. Tijd dus, om deze uitwassen van informatie weg te snoeien.

Dit korte essay is verschenen in Qualia, het blad dat wordt uitgegeven door STUFF, de studievereniging van de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

zaterdag 25 september 2010

Als de goden zich vergissen

Wat nu, als de goden zich vergissen? Of, sterker nog, wat als God zich zo nu en dan vergist? Wat als God op de Dag des Oordeels een verschrikkelijke inschattingsfout zou maken? Terwijl de mensenschare aan hem voorbij trekt en aan een ieder het loon voor haar of zijn leven wordt toebedeeld, verbant God een devote Christen, met een onbesproken leven, voorgoed naar de binnenste duisternis, de plek van geween en tandengeknars. Hoewel God overtuigd is van de juistheid van zijn daad – Hij is tenslotte God – weten alle andere denkenden dat God er naast zit. Sommige protesteren zelfs, maar God laat zich niet vermurwen. Hij acht zijn oordeel Juist.
Als God zich zou kunnen vergissen, dan zou zelfs in de ogen van de diepst gelovige Christenen het oordeel van een Goede God onrechtvaardig kunnen zijn. Daarmee zou tegelijkertijd een de pijlers onder de menselijke rechtspraak ineenstorten. Gods Alwetendheid is immers de noodzakelijke voorwaarde voor ultieme rechtvaardigheid. Als al te menselijke rechters zich vergissen, garandeert de Dag des Oordeels het herstel van Rechtvaardigheid. Veroordeelde onschuldigen en vrijgesproken misdadigers worden aan het einde der tijden feilloos afgerekend.

Maar, op het moment dat we God hebben gedood, of op het moment dat de hemel domweg leeg blijkt te zijn, vervalt deze ultieme garantie. Fouten in de rechtspraak worden dan nimmermeer teniet gedaan. En aangezien aardse rechters nooit onfeilbaar zijn, zullen er dus misdadigers voor eeuwig ongestraft rondlopen en onschuldigen zonder kans op wederopstanding opgehangen worden. Het pijnlijkste moment in ieder seculariseringsproces is het moment waarop het besef doordringt dat we voor rechtvaardigheid afhankelijk zijn van onze medemens. Niet God neemt de maat, maar meester Visser, of Dr. Phil of Albert Verlinden. Wat helpt een zuiver geweten ons, als we een menselijke jury niet weten te overtuigen?
Maar deze pijn van het publiek valt in het niet bij de pijn van de rechters zelf. Als er geen God meer is om fouten te herstellen, als zij er moederziel alleen voor staan, met hoeveel gemoedsrust zouden rechters dan nog ingrijpende beslissingen nemen? De pijn van dit besef, het besef dat zij fouten maken die tot in de eeuwigheid niet zullen worden hersteld, wordt nog verhevigd door het besef dat het publiek hun hachelijke situatie begrijpt. Dit brengt rechters ertoe hun positie verzwakken. Om met vertrouwen een vonnis uit te kunnen spreken moet de door God verlaten zetel moet opnieuw worden ingenomen, het liefst door een instantie die door het publiek wordt geaccepteerd.

Wetenschap en techniek waren goede kandidaten. Maar het probleem is dat wetenschappers en technici zichzelf allerminst onfeilbaar achten. Zij vertrouwen hun eigen oordelen slechts tot aan moment van falsificatie. Zij weten als geen ander dat tussen feiten en oordelen interpretaties schuilgaan die niemand verder kan funderen. In tegenstelling tot God hebben wetenschap en techniek geen eeuwigheidswaarde.
Daarom heeft de rechterlijke macht rechtstreeks haar toevlucht gezocht tot het publiek. Rechters die hun kunsten op televisie vertonen, programma’s waarin leken worden uitgenodigd om mee te beslissen, videobeelden vanuit politieauto’s, en triomfantelijke berichten waarin rechterlijke dwalingen breed worden uitgemeten, plaatsen feitelijk het publiek in de zetel van God. Peter R. de Vries is daarom geenszins een luis in de pels van de rechterlijke macht. Integendeel, hij is de enige garantie voor rechterlijke gemoedsrust en zelfvertrouwen.

De Dag des Oordeels is de dag waarop de rechtsgang op televisie komt. Met een beetje geluk, kraait er geen haan naar, en blijft het stil tot in de Eeuwigheid. En mocht het publiek een rechterlijke dwaling over het hoofd zien, dan is het eigen schuld, dikke bult.

donderdag 13 mei 2010

Informatie over memen

Als een verschijnsel kan worden verklaard zonder een of andere hypothetische entiteit aan te nemen, dan is er geen enkele reden om deze entiteit aan te nemen. Zo luidt ongeveer Ockhams scheermes (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem) in de interpretatie van Bertrand Russell. Ik vind dat een mooi kentheoretisch principe. Beperk het aantal entiteiten dat je veronderstelt zoveel mogelijk. De talige variant van Ockhams scheermes luidt, wat mij betreft: voer (binnen de wetenschap) slechts nieuwe woorden in als je daarmee zaken kunt uitdrukken die anders niet (of slechts op zeer barokke wijze) onder woorden kunnen worden gebracht.
Er is dus enerzijds een ontologisch mes dat nutteloze entiteiten wegsnijdt. En, er is anderzijds een linguïstisch mes, dat het ongefundeerd babbelen tot een minimum beperkt. Tezamen vormen deze messen de snoeischaar die voorkomt dat de haag van wetenschap verwordt tot de wildgroei van pseudowetenschap.
In On the Senselessness of Memes betoog ik dat memen, indien ze worden opgevat als entiteiten die van de ene geest naar de andere worden gekopieerd, eenvoudig met het ontologisch mes kunnen worden weggesneden. De voornaamste reden daarvoor is, grofweg, dat het volstrekt onduidelijk is wat we bedoelen met een entiteit in de geest. Daarnaast hebben we geen criterium om vast te stellen of een meme (of een idee, of gedachte, of wereldbeeld) in de ene geest een kopie is van een meme in een andere geest. Als we niet weten wat memen in de geest precies zijn, en we niet weten wanneer de ene meme een kopie is van de andere meme dan kun je de hypothetische entiteit meme maar beter achterwege laten.

In plaats van een definitie van meme in geestrijke termen kunnen we dus beter kiezen voor een definitie in termen van observeerbaar gedrag of artefacten (door menselijk gedrag voortgebrachte voorwerpen). Derhalve mijn voorstel om meme na gebruik van het ontologisch mes aldus te definiëren:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.
Maar op deze half gesnoeide definitie van meme moet ook het linguïstische mes worden toegepast. Memen werden naar analogie met genen geïntroduceerd ten einde op het onderzoek naar en de beschrijving van cultuurverschijnselen evolutietheorie toe te kunnen passen. Maar als voor alle cultuurverschijnselen het traditionele jargon net zo goed voldoet, dan zou het woord 'meme' slechts verwarring scheppen, of, erger nog, ten onrechte scherpte en wetenschappelijkheid suggereren. Op grond van het linguïstische mes is het dan beter om 'meme' weg te snijden.
En inderdaad, voor verreweg de meeste cultuurverschijnselen voegt een verwoording in termen van een evolutionair proces van memen niets toe. Traditionele beschrijvingen van cultuur en gedrag met behulp van imitatie en genetisch voordeel voldoen uitstekend. Gekopieerd gedrag levert genetisch voordeel op. Altruïsme bij mensen, bijvoorbeeld, laat zich uitstekend beschrijven als een gevolg van zelfzuchtige genen in combinatie met imitatie. En gekopieerde artefacten maken het leven domweg een stuk gemakkelijker en aangenamer, zodat er meer energie overblijft (wasmachines) of zich meer mogelijkheden voordoen (auto’s) voor voortplanting.
Dus, al definiëren we meme op basis van gedrag en artefacten, dan is nog steeds de vraag of ze Ockhams linguïstische mes overleven. Hebben memen wel bestaansrecht? In On the Senselessness of Memes weeg ik een aantal mogelijkheden om dit bestaansrecht in te vullen. Uiteindelijk blijft er slechts één over: het gebruik van de term meme is slechts zinvol als memen parasieten zijn van organismen en hun genen. Anders gezegd, slechts als memen organismen weten te misbruiken voor hun voortbestaan, voortplanting, en verspreiding, zou het zinvol zijn om de term meme in te voeren. In dat geval, namelijk, schiet een verklaring in termen van genen of organismen altijd te kort, of laat aspecten onderbelicht die door het gebruik van de term meme wel zichtbaar worden.
Let wel, daarmee moet, om een verschijnsel zinvol met behulp van memen te beschrijven, aan zes voorwaarden zijn voldaan:
(1) Robuustheid. Memen moeten als entiteit voor langere tijd kunnen bestaan. In ieder geval lang genoeg om zich voort te planten. (Anders worden ze weggesneden door het ontologische mes.)
(2) Vruchtbaarheid. Memen moeten via een of ander proces kopieën van zichzelf in de wereld helpen. Deze kopieën en de kopieën van kopieën, enzovoort, zal ik aanduiden met “nakomelingen.”
(3) Subtiele variatie. Zo nu en dan moet een nakomeling iets afwijken van zijn voorouder. Dit afwijken mag niet zoveel zijn dat de nakomeling niet meer als kopie herkenbaar is.
(4) Selectie. Op memen moet een selectieproces plaatsvinden, waardoor sommige memen meer nakomelingen voortbrengen dan andere.
(De eisen 2 tot en met 4 zorgen voor een evolutionair proces.)
(5) Het succes van de meme mag niet te herleiden zijn tot voordeel voor het organisme, of de genen van het organisme. (Anders worden ze weggesneden door het linguïstische mes.)
(6) Om de term meme ingang te laten vinden moeten er memen zijn die het evolutionaire succes van organismen en hun genen verminderen. (De eis van parasitisme.)
Indien een meme aan deze zes eisen voldoet weten we zeker dat het als zelfstandige evolutionaire entiteit met zelfzuchtige belangen tegengesteld aan die van genen bestaat, en dus niet kan worden gereduceerd tot genen of tot het fenotype van genen. Zo betoog ik althans in On the Senselessness of Memes.
Bestaan er artefacten of gedragingen die aan deze zes eisen voldoen? Ik zal mij hier beperken tot artefacten. Dus, bestaan er artefacten die parasitair zijn op mensen?
Tot nu toe ben ik slechts één serieuze kandidaat voor een dergelijke parasitaire memetische status tegengekomen, de mobiele telefoon. Ik heb meerdere malen beschreven hoe mobieltjes ons leven verrijken en zich tegelijkertijd tot parasieten ontpoppen, en zal dat hier allemaal niet herhalen. Mijns inziens voldoet de mobiele telefoon aan de zes eisen:
(1) Het is een duidelijk object, met een behoorlijke levensduur.
(2) Mobieltjes zorgen voor kopieën van zichzelf. Dat doen ze door ons brein zodanig te bewerken dat wij hun voortplanting verzorgen. Deze situatie is niet ongewoon, ook niet in de biologische evolutie. (Richard Dawkins beschrijft in The Extended Phenotype hoe de cannabis plant ons ook op die wijze gebruikt.)
(3) De nakomelingen van mobieltjes vertonen soms kleine variaties.
(4) Op de nieuwe typen mobieltjes vindt een sterke selectie plaats.
(5) Het gebruik van mobieltjes leidt niet tot verhoogde vruchtbaarheid bij mensen. (Eerlijk gezegd, weet ik dit niet helemaal zeker. Het zou zo kunnen zijn dat mensen met een mobieltje meer seksuele contacten hebben, en meer nakomelingen hebben dan mensen zonder mobieltje. Als dat zo is, dan is een mobieltje geen meme.)
(6) Het mobieltje vraagt veel van onze tijd, geld en energie, meer dan met het oog op ons eigen evolutionaire proces goed is. (Mits, zie 5.) Mensen besteden geld aan het mobieltje dat ze beter aan voedsel of nakomelingen zouden kunnen uitgeven.
En met het vervullen van deze zes eisen zou het mobieltje een heuse memeparasiet zijn geworden.
Of dat werkelijk zo is, zal de tijd leren. Mobieltjes staan in veel opzichten nog in de kinderschoenen. In de komende decennia zal het mobieltje daadwerkelijk fysiek ons lichaam binnendringen en pas dan zal het parasitaire karakter helemaal duidelijk kunnen worden.
Gisteren stuitte ik bij toeval op nog een kandidaat memeparasiet: de anticonceptie pil. Deze pil voldoet op zijn minst aan de eisen 1 tot en met 5. De vraag is echter of de pil het aantal nakomelingen van een vrouw nadelig beïnvloedt. Het zou zo kunnen zijn dat vrouwen die de pil gebruiken op de lange termijn (na een paar generaties) meer nakomelingen hebben, dan vrouwen die de pil niet gebruiken. Bijvoorbeeld doordat de nakomelingen die zij krijgen gezonder zijn, omdat de vrouwen meer energie kunnen investeren in ieder van hun nakomelingen. Mocht dat niet zo zijn, en mocht de pil het aantal nakomelingen daadwerkelijk negatief beïnvloeden, dan is de pil een memeparasiet. Wellicht zullen dan op de hele(!) lange termijn alle vrouwen een pilallergie hebben.

Nawoord
Wat levert een discussie rond memen op?
In ieder geval niet veel kandidaatmemen. Richard Dawkins heeft gelijk: “[de meme] is nog in het babystadium en drijft nog onhandig rond in zijn oersoep…”
Maar in On the Senselessness of Memes speelt op de achtergrond nog een andere filosofische discussie een rol, de discussie rond de term informatie. Hoe hard moet Ockhams snoeischaar worden gezet in informatie? Misverstanden rond de term meme zijn onlosmakelijk verbonden met misverstanden rond de term informatie. Memen worden vaak gezien als informatiepakketjes. Wikipedia spreekt van een "besmettelijk informatiepatroon". Deze informatiepakketjes vermenigvuldigen en verspreiden zich over breinen. Ik heb laten zien dat memen opgevat als dergelijke informatiepakketjes niet tot de haag van wetenschap behoren.
Maar de situatie rond de term informatie is nog ondoorzichtiger dan die rond meme. Is het bij meme ten minste nog mogelijk om eisen te formuleren waaraan het gebruik moet voldoen, de term informatie wordt te pas en te onpas gebruikt als het gaat om cognitieve aspecten van de menselijke geest. In de ergste gevallen worden onze hersenen een plek waarin informatie rond zingt, wordt er informatie tussen hersenengebieden heen en weer gezonden, of komt informatie voor hersengebieden beschikbaar. We weten in al deze gevallen niet precies wat er wordt bedoeld. Als we het woord ‘informatie’ hier zouden vervangen door het woord ‘memen’, dan zou de onzinnigheid onmiddellijk duidelijk zijn: de hersenen zijn een plek waar memen rond zingen, of er worden memen tussen gebieden heen en weer gezonden, of memen komen voor hersengebieden beschikbaar. Maar door over te schakelen op een nog veel vagere term, informatie, valt het pseudowetenschappelijke karakter van informatieverwerking nauwelijks meer op.
Mijn voorstel zou dan ook zijn om Ockhams ontologische en linguïstische mes eens stevig in de term informatie te zetten. Dat zou de filosofie, psychologie, cognitieve - en neurowetenschappen zeer ten goede komen.

zondag 25 april 2010

Over de zinloosheid van memen

(en hoe ze toch een rol kunnen spelen als replicatoren)
door: Ronald Hünneman


In 1976 introduceerde Richard Dawkins het begrip meme in zijn boek De Zelfzuchtige Genen. Een meme is de culturele tegenhanger van wat een gen is in de biologie. Memen zijn eenheden van culturele overdracht, net zoals genen eenheden zijn van biologische overdracht: beide vormen van overdracht kunnen een vorm van evolutie teweeg brengen.
De verwachtingen rond dit nieuwe concept waren hooggespannen. Vele boeken, essays, wetenschappelijke artikelen, tijdschriften, internet forums, symposia en documentaires waren gewijd aan memetica, de wetenschap van memen. Echter, de aandacht voor memen verdween net zo snel als dat ze was opgekomen. In dit essay (mijn masterthese) onderzoek ik waarom memen nooit een harde wetenschappelijke status verkregen, ondanks de grote hoeveelheid energie die aan memetica is besteed. Vandaag de dag zijn er geen echte meme-onderzoekers meer, zeker niet binnen het veld waarin memen werden geïntroduceerd, wetenschappelijke evolutiebiologie.
Dawkins wilde een replicator introduceren die kon concurreren met genen. Volgens zijn eigen criteria moet het dan mogelijk zijn om vast te stellen of het ene meme een kopie is van het andere meme. Echter, vrij snel na hun introductie werden memen voornamelijk opgevat als geestelijke eenheden. Als gevolg hiervan werd het onmogelijk om een eenduidige beschrijving van memen te geven, en werd het dus ook onmogelijk om een eenduidige notie van een kopie van een meme te geven. Bovendien, als memen worden gedefinieerd in termen van ideeën, gedachten en dergelijke, dan wordt Quine’s these van de onbepaaldheid van vertaling van toepassing: twee wetenschappers kunnen allebei een adequate verklaring geven van een cultureel verschijnsel, terwijl hun beschrijvingen van de betrokken memen onverzoenbaar uit elkaar lopen. In dat geval zou een memetische analyse gebaseerd zijn op een vertaalhandleiding en zou dus goed beschouwd geen onderdeel zijn van een natuurwetenschap zoals evolutiebiologie.
Waarschijnlijk werd de definitie van een meme in geestelijke termen geïnspireerd door de fascinatie met software en computervirussen uit de jaren 1980. Memen werden vergeleken met softwaremodules. Zonder deze preoccupatie zouden Dawkins en anderen wellicht hebben gekozen voor een meer Quineaanse definitie van memen in termen van gedrag en/of artefacten:
meme Een (onderdeel van) artefact of gedrag dat kan worden overgedragen middels niet-genetische weg, in het bijzonder imitatie.

Als Dawkins tevreden was geweest met een definitie zoals deze, dan zou hij een analysemethode hebben kunnen toepassen die hij herhaaldelijk gebruikt in The Extended Phenotype (1982). Hij zou memen hebben kunnen beschrijven als (gedeelten van) parasieten die wedijveren met genen en hun overlevingsmachines, organismen. Waarschijnlijk zou dit de enige weg zijn geweest waarlangs memen een wetenschappelijke ontologische status zouden hebben kunnen krijgen. Want, zolang memen niet in staat zijn om genen te beïnvloeden of misbruiken, kunnen ze terzijde worden geschoven als niets meer dan gedachtespinsels, met ten hoogste een literaire status.



The Selfish Gene

The Extended Phenotype

zaterdag 3 april 2010

De mereologische drogreden

Er is een veld van wetenschappelijk onderzoek waar het onderscheid tussen feiten en tot feiten geconstrueerde interpretaties op z’n minst erg wazig is: de neurowetenschappen (het conglomeraat van neurobiologie, neuropsychologie, neurofilosofie en neurologie). Eigenschappen die slechts aan mensen kunnen worden toegeschreven, worden toegepast op de hersenen of op delen van de hersenen. Bennett en Hacker duiden dit in hun boek Philosophical Foundations of Neuroscience aan als de mereologische drogreden. Ze nemen daarin ruimschoots de ruimte om de mereologische drogreden uit te leggen. De drogreden ondermijnt namelijk het werk van veel hedendaagse neurowetenschappers. Onder andere Francis Crick, Gerald Edelman, David Marr, Antonio Damasio, Benjamin Libet, Christof Koch en Philip Johnson-Laird vallen ten prooi aan deze ongefundeerde gedachtekronkel. Ik zal de zeer helder beschreven voorbeelden van Bennett en Hacker hier niet herhalen, ook omdat de kracht ervan zit in het grote aantal voorbeelden dat ze geven. De mereologische drogreden is niet zomaar een vergissing van één persoon. Het gehele veld van hedendaagse neurowetenschap wordt er door geteisterd, en in zekere zin lam gelegd.

Lees hier het gehele artikel: Wij zijn niet onze hersenen

woensdag 10 februari 2010

Helen de Hoop

Sinds gisteravond ben ik fan van professor Helen de Hoop, theoretisch taalkundige aan de universiteit van Nijmegen. Haar optreden in De Wereld Draait Door was weergaloos. Ze zuchtte en kreunde om de domheid van minister Plasterk.


De aanleiding was een column van de minister in NRC•Next, met als titel: Mooi of lelijk maakt niet uit, als taal maar correct is; Minder verandering van de taal is juist beter.
Ik ben geen taalkundige zoals De Hoop. Ik ben hoogstens taalfilosoof. Maar ik kreeg net als De Hoop al kromme tenen bij het lezen van de frase “als taal maar correct is.” Sinds de jaren zestig van de twintigste eeuw weten we namelijk dat er geen criterium is te geven voor correcte taal. Althans, niet in het geval van een natuurlijke taal, zoals Nederlands, Engels of Spaans. In formeel logische of programmeertalen spelen criteria voor grammaticale correctheid wel een zeer belangrijke rol. Maar voor natuurlijke talen bestaan dergelijke criteria niet. Filosofen hanteren daarom voor natuurlijke talen veel lossere criteria zoals:

Zolang de communicatie gladjes verloopt is het taalgebruik in orde
(W.V.O. Quine)
of
Zolang interpretaties mogelijk zijn die tot niet al te veel onzin leiden is het taalgebruik in orde
(D. Davidson).

Taal is een werktuig waarmee wij leven en communicatie vormgeven. Taal is daarom eerder te vergelijken met een hamer of een schroevendraaier, dan met logica of programmeertalen. Stelt u zich, met taal als tool in uw achterhoofd, eens voor dat er een groep mensen is die een nieuwe schroevendraaier ontwikkelt. Die schroevendraaier kan schroeven losdraaien die normaliter slechts kunnen worden uitgeboord. De schroevendraaier wint snel aan populariteit. Mensen gooien hun oude schroevendraaiers weg, en stappen over op het nieuwe model.


Maar dan komt er een minister, met een tamelijk groot ego, prime time op tv en deze minister stelt:
Ho ho, let even op het gezag. De Nederlandse tools worden beheerd door de Nederlandse Toolunie, waarvan ondergetekende voorzitter is. Die Unie bepaalt wat correcte Nederlandse schroevendraaiers zijn. En dit is geen correcte schroevendraaier.
Als zo’n minister naast je zit, kun je toch slechts zuchten en kreunen? Wat een flapdrol. Waar haalt hij de hoogmoed vandaan?! We kunnen afspraken maken over de kleuraanduidingen die we op schroevendraaiers zetten, zodat werktuigen snel worden herkend. Natuurlijk. Daar mag de minister ook best het laatste woord in hebben. Maar de minister kan toch niet bepalen wat goede werktuigen zijn, en wat niet? Zoiets blijkt uit de praktijk, en daarover vallen nu eenmaal geen afspraken te maken.
Helen de Hoop trachtte het minister Plasterk duidelijk te maken. Maar het drong niet tot hem door. Terwijl de boodschap toch zelfs voor een bèta alfamannetje te begrijpen moet zijn. Over spelling kunnen we afspraken maken, over taalgebruik niet. Spelling kan goed of fout zijn. Taalgebruik niet. Als een nieuwe taalconstructie werkt, als de communicatie gladjes verloopt, dan kan zelfs een minister niet zeggen dat het fout is. De Nederlandse Taalunie bepaalt hoe we moeten spellen, niet hoe we met taal mogen spelen. Maar Plasterk schrijft:
Gisteren schreef de neerlandicus Julius Althuisius in nrc•next: “Er is geen gezag in de taal. Taal ontwikkelt zich.” Dat tweede is wel waar, het eerste niet. Er is wél gezag. De Nederlandse Taal wordt beheerd door de Nederlandse Taalunie, waarvan ondergetekende voorzitter is. Die Unie bepaalt wat correct Nederlands is.
Nee, minister Plasterk, u mag bepalen wat correct gespeld is en wat niet, maar u kunt onmogelijk bepalen wat correct Nederlands is. Een slordige 21 miljoen mensen spreekt Nederlands. Voor deze mensen is taal het aller voornaamste dagelijkse werktuig. Deze mensen bepalen dus welke taalconstructies werken, en niet hun van de Taalunie.


De Hoop viel Plasterk voortdurend hoofdschuddend in de rede. Ze werd wanhopig van alle onzin die de minister uitkraamde. Maar het mocht niet baten. De minister snapte niets van de nieuwe schroevendraaier. En wat de Hoogste Minister niet begrijpt, mag door het volk niet worden gebruikt. Precies zoals in dictatoriaal China.

zaterdag 23 januari 2010

Wichelroede lopen

Vanochtend, tijdens het ontbijt, hoorden mijn zonen en ik het nieuws van een Brit die was opgepakt en vastgezet vanwege de verkoop van nep-bomdetectoren. We moesten er hartelijk om lachen. Onmiddellijk ontspon zich een geanimeerd gesprek over wichelroede lopen. Wat voor mensen zijn zo dom dat ze geloven dat een stok in hun handen gaat bewegen in de nabijheid van water? En dus ook, wat voor regeringen zijn zo dom dat ze een nep-bomdetector kopen? Ik legde mijn zonen uit dat de nep-bomdetector in werkelijkheid waarschijnlijk een metaaldetector was, of een warmtedetector, en dus wel iets op kon sporen, maar niet exclusief bommen. Tijdens een demonstratie zou de bomdetector glansrijk slagen, maar in praktijk had je er weinig aan.
Ik had beter moeten weten. Na het ontbijt zocht ik het nieuwsbericht van de NOS op, en de uiteindelijke bron bij de BBC. Ik schrok. De bomdetector verschilde in helemaal niets van een wichelroede! De beelden en verhalen op de site van de BBC waren bijna te lachwekkend om waar te zijn. De BBC schrijft:
Het apparaat wordt verkocht door Jim McCormick, vanuit kantoren op het platteland van Somerset, Engeland. De werking van de ADE-651 detector is nog nooit wetenschappelijk aangetoond. Er zitten geen batterijen of accu in, en het bestaat uit een draaibare antenne gemonteerd op een scharnier op een soort handgreep. Critici hebben het al vergeleken met een veredelde wichelroede. McCormick vertelde de BBC in een eerder interview dat “de theorie achter wichelroedelopen en de theorie achter de manier waarop we eigenlijk bommen opsporen zeer sterk overeenkomen.”
In de handleiding van het apparaat staat dat het zelfs kan worden gebruikt om olifanten, mensen en honderd-dollarbiljetten op te sporen.
Het apparaat werkt op een soort creditkaart waarop een antidiefstalstrip zit, dezelfde als die door winkeleigenaren op producten wordt aangebracht. Volgens Markus Kuhn van het computerlaboratorium van de Universiteit van Cambridge is het onmogelijk dat het apparaat ook maar iets kan ontdekken. Ik ben in deze materie veel minder geschoold dan Kuhn, maar u mag ook van mij rustig aannemen dat dit apparaat nog geen atoombom detecteert. “De regering van Irak heeft 85 miljoen dollar uitgegeven aan de ADE-651.” De antidiefstalstrips kosten 5 cent, de apparaten 40.000 dollar per stuk. Hilarisch! McCormick is dus geenszins gek!
Vorige maand werd de ADE-651 nog verdedigd door een hoge Iraakse officier verantwoordelijk voor de opsporing van bommen. Generaal-majoor Jehad al-Jabiri verscheen samen met McCormick op een persconferentie na de golf van aanslagen in december, hij zei dat hij meer van bommen wist dan de Amerikanen. “Of het nu magie is of wetenschap, waar het mij om gaat is dat het bommen detecteert,” aldus Jehad al-Jabiri.
Volgens Sidney Alford, een toonaangevende explosievenexpert die het leger adviseert, is de verkoop van de ADE-651 “absoluut immoreel. Het zou kunnen leiden tot tientallen, zo niet honderden doden.” Dat ben ik niet met hem eens. Althans, ik ben het vooral niet met Alford eens dat de verkoop immoreel is.
Onze economie draait namelijk voor een belangrijk deel op de verkoop van onzin onderbouwd met onzinnige claims. Ieder homeopathisch middel is onzin. Veel therapieën zijn onzin. Bijna alle gezondheidsmiddeltjes zijn onzin. Alle diëten zijn onzin. Zelfhulpboeken zijn onzin. Anti-aging is onzin. The Secret is aan waanzin grenzende onzin. We kijken naar de psycho-onzin van de Rode Kamer. Religies en sekten drijven op onzin. Veel groenproducten en groene claims vallen in de categorie onzin, of tenminste de categorie zinloos. Veilige auto’s zijn onzin. Kortom, haal de onzin uit onze handel, en je houdt niet veel meer dan brood en boerenkool over.
Maar kennelijk worden we gelukkiger van die handel in onzin. Dus uit het feit dat iets onzin of onzinnig is, mag niet worden afgeleid dat de verkoop ervan immoreel is. Laat ik een voorbeeld uitwerken. Homeopathische middeltjes zijn aantoonbare onzin. Wetenschappelijk gezien genezen ze niet. De werking ervan berust op het placebo-effect: Geloven in de werking van een middel, bevordert de genezing van de kwaal. Onzin, maar geneeskrachtige onzin. Daarom moet de onzin van homeopathie ook niet te breed worden uitgemeten in de media. Daardoor zouden mensen er immers minder in gaan geloven, en zou de werking van homeopathische middeltjes verminderen.
Terug naar de ADE-651, en de vraag wanneer een bomdetector werkt. Ik zou de volgende stelling willen verdedigen: Een bomdetector als de ADE-651 werkt als terroristen geloven dat ie werkt. Dus de ADE-651 zal zeker aanslagen hebben voorkomen. Het apparaat is ondoorgrondelijk, en juist die ondoorgrondelijkheid zorgt voor de werking. Terroristen die geloven in de ADE-651 zullen de controleposten vermijden waar het apparaat wordt ingezet. Zolang politie en leger het volste vertrouwen in het apparaat uitstralen, zolang zullen terroristen omwegen zoeken die ze ook zouden zoeken als het apparaat wel werkte. Kortom, omdat er mensenlevens op het spel staan moeten sceptici in dit geval hun mond stijf dichthouden.
Maar dat gebeurde niet:
Twijfels over het gebruik van wichelroedes om bommen op te sporen werden voor het eerst opgeworpen door de Amerikaanse scepticus James Randi. Randi heeft tegenover de BBC bevestigd dat hij nog steeds een miljoen dollar aan McCormick biedt als hij kan bewijzen dat de ADE-651 werkt. In 1995 luidden het Sandia laboratorium en de FBI de noodklok over een vergelijkbaar apparaat, de Quadro Tracker, dat zij omschreven als “oplichterij”. De FBI waarschuwde: “Alle instanties moeten onmiddellijk stoppen met het gebruik van dit apparaat.” In 1999 trok de FBI weer aan de bel: “Waarschuwing! Gebruik geen nep-bomdetectoren.”
Wat een slechte vorm van oorlogsvoering is dit… Eén keertje James Bond kijken en je weet dat terroristen nooit mogen weten dat wij weten dat zij niet weten wat wij weten, namelijk dat de ADE-651 niet werkt. Natuurlijk zouden de terroristen op een gegeven moment op eigen intellectuele kracht de ADE-651 hebben ontmaskerd (net zoals de meeste mensen er op een keer achter komen dat homeopathie niet werkt), maar het is immoreel om ze daarbij te helpen. McGormick had in stilte moeten worden afgevoerd, zijn apparaten vernietigd, en tien jaar later had Forsyth er een thriller over geschreven. Zo pak je dit soort zaken aan. Door McGormick nu als een boef af te schilderen verdoezelen we het feit dat we in een onzincultuur leven, waarin onzin gewoon aan vriend en vijand mag worden verkocht.
De grootste schok is wellicht dat de terroristen rationeler waren dan wij, en ons daardoor ongehinderd een gevoelige klap konden toebrengen.

zondag 25 oktober 2009

Drie experimenten voor Victor Lamme (als hij durft)


Wat bewustzijn betreft ben ik een externalist. Dat wil zeggen, ik ben van mening dat de fysische processen waarop bewustzijn berust zich deels buiten het hoofd (of de hersenen, kies maar) bevinden. Hersenweefsel is beslist een noodzakelijke, maar tegelijkertijd geen voldoende voorwaarde voor bewustzijn. Met andere woorden, een organisme moet tenminste een centraal zenuwstelsel gekoppeld aan zintuigen bezitten om de wereld bewust te ervaren, maar dat is op zichzelf niet voldoende voor bewustzijn. Volgens externalisten zoals ik moet dit centrale zenuwstelsel zijn geplaatst in een lichaam dat op zijn beurt geplaatst is in een omgeving. Een brein in een vat, hoe intelligent aangesloten op een computer ook, zal nooit een bewustzijn krijgen.

Professor neurologie Victor Lamme zal het hartgrondig met mij oneens zijn. In zijn essay Towards a true neural stance on consciousness neemt hij een ongecompliceerde internalistische positie in: Bewustzijn is het gevolg van een neuronaal proces (en niets meer dan dat). Lamme ziet geen enkel alternatief voor zijn uitgangspunt:

Only by moving our notion of mind towards that of brain can progress be made.

Zelfs alternatieven voor zijn standpunt acht Lamme slechts mogelijk indien het neurale alternatieven zijn:

I do not claim that the neural definition of consciousness that I propose is ultimately correct. It is the approach that I advocate. Alternative neural definitions might be proposed.

Nu zou ik natuurlijk kunnen zeggen dat Lamme met zijn peperdure hersenscanapparatuur nogal bevooroordeeld aankijkt tegen de waarschijnlijk geheimzinnigste vraag uit de wetenschap. (Mijn filosofieprofessor noemde het altijd al de “ten million dollar question,” alhoewel ik mij afvraag of hij daarmee doelde op de noodzakelijke kosten ten einde een antwoord te formuleren.) Maar dat ga ik niet zeggen. Lamme is volkomen terecht internationaal gerenommeerd. Ik niet eens nationaal. Waarmee ik maar wil zeggen dat ik blind op Lamme afga voor zover het neurale mechanismen en processen betreft. Als ik met hem van mening verschil, dan gaat het over vragen met betrekking tot de interpretatie van neurale mechanismen en processen. Dus als hij zegt dat “recurrent processing (RP) is necessary for conscious experience is a view that is now being increasingly embraced,” en dat “RP is the key neural ingredient of consciousness” dan neem ik van hem aan dat RP een belangrijk neuronaal proces is dat wellicht met bewustzijn heeft te maken. Maar ik zou niet zo snel durven spreken van the key neural ingredient of consciousness.
Er is sprake van recurrent processing als diverse hersengebieden elkaar tegelijkertijd op een enigszins grote schaal onmiddellijk of via een omweg wederzijds activeren. Ik neem aan dat er een scherpere definitie is, maar die doet voor mijn betoog verder niet ter zake. Mijn punt is dat Lamme, door zich exclusief op de hersenen te richten, wel moet komen met een dergelijke opvatting. Er bestaat namelijk al langer consensus, onder filosofen, neurologen en neuropsychologen, over het feit dat bewustzijn niet gelokaliseerd is. Er is niet één bepaald hersengebied dat ten grondslag ligt aan bewustzijn. Dus als we bewustzijn in de hersenen willen aanwijzen dan zullen we ons moeten richten op processen, en niet op een gebied of een verzameling gebieden. Van daar is het een kleine stap naar de gedachte dat bewustzijn een veld van activiteit is waarbij diverse hersengebieden elkaar onderling activeren.
Maar stel nu dat we vanuit de tegenovergestelde richting vertrekken. Stel dat we vanuit het externalisme vertrekken, vanuit het idee dat het lichaam betrokken moet zijn bij bewustzijn. De prototypische bewuste ervaring voor externalisten is het orgasme. Dit geldt zeker voor externalisten die uit Groningen komen, want daar is met behulp van scans aangetoond dat een orgasme gepaard gaat met een afname van activiteit in de prefrontale hersenen. Fans van wurgseks wisten het al: minder zuurstof in de hersenen leidt tot een heftiger orgasme. Hoe kan dit? Hoe kan dit als Lamme gelijk heeft en verhoogde hersenactiviteit in de vorm van recurrent processing de grondslag vormt voor bewustzijn? Dat ik mijn orgasmen intensief bewust beleef is voor mij een intuïtief uitgangspunt waar nauwelijks aan valt te tornen.
Lamme:

We should be prepared, however, to abandon our traditional ideas about what consciousness is, and let the neuroscience argument have its way. Otherwise, it is useless to do any neuroscience on the topic at all.

Het Groningse onderzoek naar orgasmen laat zien dat een verhevigde ervaring niet gepaard hoeft te gaan met een verhevigde hersenactiviteit. Dat is tegen de traditionele ideeën in. En een prachtig voorbeeld, lijkt mij, van hoe de argumenten van neurowetenschap nuttig kunnen worden.
De vraag is nu hoe we dit kunnen gebruiken om Lammes ideeën te testen. Als externalist zou ik zeggen dat bij een orgasme lichamelijke en hormonale processen de heftige bewuste ervaring maken, en niet de neuronale. Lamme zal volhouden dat de lichamelijke signalen de neuronen moeten bereiken voordat we ze überhaupt bewust kunnen worden. Toch biedt het onderzoek naar orgasmen een aanknopingspunt voor een stevig wetenschappelijk principe: riskante hypothesen (en hypothesen rond bewustzijn zijn vooralsnog per definitie riskante hypothesen) worden sterker door ze op de proef te stellen, niet door ze als uitgangspunt te nemen. Lamme redeneert mijns inziens te snel de andere kant op:

If recurrent interactions of sufficient strength are demonstrated, it can be argued that the ‘inattentional’, ‘preconscious’ or ‘not reported’ still have the key neural signatures of what would otherwise be called conscious processing.

Ja, als we een onwankelbaar vertrouwen hebben in ‘recurrent interactions’ als basis voor bewustzijn, dan kunnen we inderdaad zeggen dat mensen er naast zitten als ze claimen zich ergens niet van bewust te zijn terwijl hun hersenen wel duidelijk recurrent processing te zien geven. Vooralsnog is het echter nog lang niet zover. En dus is een actief streven naar weerlegging verplicht. Ik stel daarom drie experimenten voor:

(1) Meet de RP hersenactiviteit tijdens orgasmen. Mijn voorspelling: hoe heviger het orgasme, hoe minder RP hersenactiviteit. (Deze proef zou het mooist zijn met personen die bedreven zijn in wurgseks. Het zou ook licht kunnen werpen op de mechanismen die mensen doen flauwvallen tijdens hun orgasme.)
(2) Leg mensen onder een scan terwijl ze pijnprikkels krijgen toegediend. Mijn voorspelling: Hoe heviger de pijn en de bewuste ervaring van pijn, hoe minder RP hersenactiviteit. Ik denk dat hier ook weer “de wet van het orgasme” zal gelden. Hevige pijn maakt RP hersenactiviteit eerder onmogelijk dan dat het dit zal stimuleren. In mijn geval legt de boor van de tandarts iedere andere activiteit plat, in combinatie met een sterk verhoogd bewustzijn.
(3) Laat goed getrainde topsprinters zich onder de scan concentreren op hun 100 meter. Ze krijgen een startschot te horen, moeten in gedachten de race lopen en op een knop drukken als ze in gedachten over de finish gaan. Mijn voorspelling: Hoe dichter hun geklokte tijd ligt bij de tijd die ze in het echt lopen, hoe bewuster de ervaring, hoe minder RP activiteit. De achtergrond van deze voorspelling is complexer dan bij de vorige twee experimenten. Goede hardlopers weten hun bewustzijn letterlijk te verleggen naar hun benen. Veel van de voor het lopen vereiste kennis zit bij getrainde lopers in de benen en niet in het hoofd. Ik hoop dus dat het de lopers in deze proefopstelling lukt deze kennis aan te spreken, en zo los te komen van interfererende RP’s in hun hersenen. Vandaar mijn criterium van de eindtijd. (Wellicht zijn hier overigens intelligentere proefopstellingen mogelijk.)

Als ik gelijk heb zal uit dit neurologisch onderzoek blijken dat only by moving our notion of mind away from the brain towards the body (and eventually the environment) can progress be made. Als ik in alle gevallen ongelijk heb dan zijn Lammes intuïties op een risicovolle manier bevestigd; de eerste Popperiaanse stap naar een volwassen theorie.
Vol verwachting kijk ik uit naar de resultaten.

zaterdag 20 juni 2009

Metaforen en Fabeltjes

Afgelopen zaterdagavond (13 juni 2009), tijdens de Nacht van Kunst en Wetenschap in Groningen, sprak filosoof Bas Haring over zijn stijl van schrijven. Samen met mijn zoons zat ik op de eerste rij. Haring stelde een vrolijk voorbeeld centraal uit zijn verrukkelijke werkje Kaas en de evolutietheorie. Dit boekje wordt in Vlaanderen op de universiteit gebruikt. Volkomen terecht, lijkt mij. Kaas biedt een uitstekende inleiding op de altijd onderschatte briljante kronkels en valkuilen van de evolutietheorie. Verplichte kost dus, samen met The Selfish Gene van Richard Dawkins.
Het voorbeeld uit Kaas dat Haring besprak betrof de konijnen in de Flevopolder. Hoe zijn konijnen in de Flevopolder terecht gekomen? Er waren al konijnen in de Flevopolder voordat het nieuwe land via bruggen en wegen met het oude land verbonden was. Dus ze zijn in ieder geval niet komen lopen. Haring schrijft:

Zou iemand expres konijnen hebben losgelaten? Waarschijnlijk niet. […] Hoe zijn de konijnen er dan gekomen? Ze zijn gezwommen! Flevoland ligt maar een paar kilometer van het vasteland en dat stukje kan een konijn nog wel zwemmen.
[...] Hoogstwaarschijnlijk springen konijnen al eeuwen af en toe op hoop van zegen in het water en doen ze dat nog steeds.[…] heel soms heeft een konijn geluk en belandt hij op bijvoorbeeld Flevoland.

Daar belandt hij dan samen met een vrouwtje dat ook geluk heeft gehad. De twee vinden elkaar en de Flevose konijnen populatie is geboren. Toch blijft het knagen, want waarom zouden konijnen gaan zwemmen, en zo’n stuk gaan zwemmen? Zijn ze net zo avontuurlijk aangelegd als onze Polynesische neven en nichten? Een konijn is toch geen dier dat puur voor de lol een paar kilometer de kust uit zwemt om te kijken of daar iets te doen is? Konijnen konden de Flevopolder zien noch ruiken. Dus wat maakt doorgaans zorgeloos rondhuppelende konijntjes tot watertrappelende rammelaars en voedsters?

Waarom zou een konijn een sprong in het koude en onbekende wagen als hij een heerlijk rustig leventje leidt, met voldoende gras te eten? Omdat hij helemaal geen rustig leventje leidt met voldoende gras te eten! Nee, voor konijnen is het leven zwaar. Radeloos en met honger van een paar dagen wil je dan wel een sprong in het diepe wagen.

Afgelopen zaterdag biechtte Haring op dat de deze verklaring uit Kaas niet klopt. Als konijnen zo nu en dan van de Veluwe door het water naar de Flevopolder oversteken, dan moeten er nog steeds konijnen zwemmend aankomen. Het genetisch materiaal van deze waterkonijnen vermengt zich met de rest van de Flevopopulatie, zodat de variatie in de Flevopolder ongeveer net zo groot moet zijn als de variatie op de Veluwe. Maar, zo blijkt uit onderzoek, de genetische variatie binnen de konijnenpopulatie in de Flevopolder is erg klein. Zo klein dat de ‘overzwem’-theorie niet kan kloppen.
Volgens Haring doet dit er echter niet toe voor het boek. In Kaas gaat het om de denkwijze. Het verhaal van de Weissmüller konijnen is een metafoor, met als doel de lezer een ingang te verschaffen in de wijze waarop binnen evolutietheorie wordt nagedacht over dit soort zaken.
Dat metaforen een uitstekend didactisch middel zijn kan ik alleen maar beamen, alhoewel ik mijn twijfels heb bij de term metafoor. Ooit, in klas vijf van de lagere school, heb ik de evolutietheorie uitgelegd aan de hand van een verhaal over rondjes die in een land leven dat meer geschikt is voor vierkantjes. Maar natuurlijk zijn niet alle rondjes perfect rond, sommige zijn ietsje hoekig en die doen het dus iets beter dan hun perfecte soortgenoten, enzovoort. Een verhaal kan onzinnig zijn, onwaar zijn, en juist daardoor de gedachtelijn perfect weergeven. (Een mooi recent wetenschappelijk voorbeeld wordt gevormd door de Tarbutniks van Jablonka.)
Maar als een gedachtelijn betrekking heeft op een stand van zaken in de werkelijkheid, dan moeten de feiten wél kloppen. Haring gebruikt de konijnen uit de Flevopolder om aannemelijk te maken dat alle planten en dieren feitelijk een zwaar leven hebben.

Misschien denk je dat het in ons land wel mee zal vallen met dat zware leven in de natuur. Het ziet er allemaal zo vredig uit: musje hier , konijntje daar; niks geen harde strijd op leven en dood. Maar het zal je nog vies tegenvallen. Neem nou weer die konijntjes.

Als je wilt aantonen dat het leven in de natuur feitelijk zwaar is, dan moet je je baseren op feiten (of extreem postmodernist worden). Als konijnen feitelijk regelmatig de oversteek wagen, dan zou dat inderdaad een aanwijzing kunnen zijn voor de zwaarte van hun bestaan. Maar nu blijkt dat konijnen nooit de oversteek wagen, en er waarschijnlijk in eerste instantie door een stel onverlaten zijn neergepoot, dan pleit dat eerder voor het beeld van een uiterst comfortabel bestaan op de Veluwe. Sterker nog, als de variatie binnen de Flevopolder nu nog steeds veel kleiner is dan die op de Veluwe, dan nemen konijntjes dus niet eens de moeite om de brug over te lopen. Konijntjes blijven zitten waar ze zitten omdat het er zo fijn en gezellig is.
Stel je bent konijn, en stel verder even dat je een stoere rammelaar bent. Dan is het zaak om erbovenop te zitten. Voor je het weet ben je een vruchtbare voedster misgelopen, en als dat te vaak gebeurt zal de familielijn bij jou eindigen. Dus haal je het niet in je hoofd om een paar kilometer te gaan zwemmen, hoe zwaar het leven ook is. Het is beter om je uitgehongerd en met je laatste krachten op een voedstertje te werpen, dan om aan te tonen dat de triathlon ook weggelegd is voor konijnen. Hieruit kunt u overigens terecht afleiden dat als er al zwemmende konijnen zijn geweest, dit hoogstwaarschijnlijk net bevruchte voedsters waren, op zoek naar betere tijden voor hun kroost.
Konijnen veroveren de wereld stukje bij beetje, de vrouwtjes voorop, de mannetjes erachteraan. Zolang het maar gezellig blijft.
Als het over feiten gaat mogen metaforen geen fabeltjes worden. Daarom moet Haring het voorbeeld van de Flevo konijnen herzien. Of, lees Kaas en de Evolutietheorie en bedenk zelf een goed voorbeeld ter ondersteuning van het feit dat het leven in de natuur zwaar is.

Kaas en de evolutietheorie

De zelfzuchtige genen


woensdag 11 maart 2009

Atheïsme is geen keuze







Atheïsme is iets anders dan de keuze om te geloven dat er geen God is. Geloven in God is een keuze, atheïsme is dat niet. Je kiest er niet voor om niet in kabouters te geloven. Je kiest er niet voor om niet in morfogenetische velden te geloven. Je kiest er niet voor om niet in neurofeedback te geloven. Er zijn domweg geen redenen om wel in kabouters, morfogenetische velden en neurofeedback te geloven, dus doet de keuze zich niet voor. Het staat eenieder natuurlijk vrij om wel in kabouters en aanverwante zaken te geloven, maar dat is dan een keuze. De bewijslast ligt zo bij de gelovigen, niet bij degenen die geen enkele aandrang hebben te geloven.
Daarom trachten we te bewijzen dat de ruimte gekromd is, dat de aarde meer dan vier miljard jaar oud is en dat ons DNA erg op dat van chimpansees lijkt. Daarmee ondersteunen we de theorieën van Einstein, het ontstaan van ons zonnestelsel en evolutie. Die bewijslast willen we wel hebben. Maar niet de bewijslast voor het niet bestaan van onzinnige zaken! Want waar zouden we dan moeten beginnen?!
Door heel hard te roepen dat God niet bestaat, sterker nog, door heel hard te roepen dat God waarschijnlijk niet bestaat, zadelen atheïsten zich op met een onzinnige bewijslast. Floris van den Berg stond er gisteravond daarom weer knullig bij in Netwerk (dinsdag 10 maart). Joop van Ooijen, die “Jezus redt” op zijn dak heeft gemozaïekt, plaatste keer op keer een overrompelende aanval. Het leven na de dood is zo mooi als je in God gelooft! Wat blijft er van de maatschappij over als niemand meer in God gelooft? Je bent zo gelukkig als je je lot in de handen van Jezus legt! Kortom, Jezus redt.
Van den Berg stamelde wat, en aanschouwde trots het billboard van wat hij 'atheïsten' noemt. God bestaat waarschijnlijk niet. Van den Berg had verder niets zinnigs te melden. Natuurlijk niet, want de uitspraak dat God waarschijnlijk niet bestaat is niet te bewijzen. En het is al helemaal onmogelijk om aan te geven wat er ethisch gezien volgt uit de uitspraak dat God niet bestaat. Door atheïsme op deze wijze voor het voetlicht te plaatsen doet Floris van den Berg precies wat atheïsten niet zouden moeten doen: gelovigen de mogelijkheid geven om atheïsme af te schilderen als een religie naast de andere religies.
Iedereen die begint met “God bestaat waarschijnlijk niet dus…” heeft niets van atheïsme begrepen. Atheïsme is geen religie. Atheïsme is geen uitgangspunt, maar een eindpunt. We noemen iemand atheïst als zij haar leven denkend en genietend inricht en vormgeeft zonder een verwijzing naar God of goden.

vrijdag 13 februari 2009

Collecte en bus

Er is waarschijnlijk geen God. Durf zelf te denken en geniet van het leven.

Afgelopen zondag werd in Amsterdam Darwin Day georganiseerd, met lezingen, columns, discussies, en een enkele lofzang ter ere van de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin (1809-1882). In de pauzes werd gecollecteerd voor de ‘reclamecampagne voor de rede’, de reclamecampagne die bovenstaande leus de openbare ruimte in gaat brengen. Ik had er geen cent voor over. Darwin en God hebben namelijk niets met elkaar te maken. Darwin heeft niet aangetoond dat er waarschijnlijk geen God is. Darwin heeft wel een alternatief gegeven voor creationistische verklaringsmodellen voor de op aarde levende organismen, maar daar volgt niet uit dat God niet bestaat en het wordt er ook niet waarschijnlijker door.
Logisch positivisten hebben aan het begin van de twintigste eeuw uitgelegd dat niet eens bij benadering vast te stellen is wat de term ‘God’ betekent. En zolang niet vast te stellen is wat een term betekent zijn er geen wetenschappelijke, zinvolle uitspraken te doen waarin deze term voorkomt. Anders gezegd, de zin “Er is waarschijnlijk geen God” betekent niets zinnigs. Nog anders gezegd, als wetenschappers uitspraken doen over God, dan doen ze wetenschap tekort of houden ze op wetenschapper te zijn. Cees Dekker die over creationisme spreekt houdt op wetenschapper te zijn, net zoals Richard Dawkins de evolutietheorie tekort doet als hij spreekt over God als misvatting. Wetenschap gaat over zinvolle vragen. Het meest wetenschappelijke antwoord op de vraag “Denkt u dat God bestaat” is daarom: “Huh?”
Maar zelfs als de term God wel een duidelijke betekenis heeft, dan is de uitspraak “Er is waarschijnlijk geen God” nog steeds onzinnig, ditmaal door het woord ‘waarschijnlijk’. Zoals Karl Popper (1902-1994) heeft laten zien worden uitspraken binnen de wetenschap niet in een of andere objectieve betekenis waarschijnlijker of onwaarschijnlijker. Op het moment dat God neerdaalt op aarde is de uitspraak “God bestaat waarschijnlijk niet” in een klap onwaar, net zoals de uitspraak “God bestaat heel misschien niet” of “God bestaat niet.” Het woord “waarschijnlijk” voegt dus niets interessants toe. Zaken bestaan of ze bestaan niet.
Het vervelendst van de reclameslogan is echter dat er na “Er is waarschijnlijk geen God” in een adem wordt doorgegaan met “Durf zelf te denken” en “Geniet van het leven.” Ondanks dat er strikt genomen geen logisch verband is, lijkt het hierdoor alsof er een samenhang is tussen deze beweringen. Maar de oproep om zelf te denken is toch hopelijk niet afhankelijk van het bestaan van God?! En de wens om te genieten van het leven staat toch los van de vraag of er goden zijn?! Andersom gezegd, zelfs als het bestaan van God onomstotelijk is aangetoond, dan nog, of juist dan, is het advies om zelf te denken van kracht. En zelfs als de goden onophoudelijk vervelende bevelen naar de aarde sturen, dan nog is het advies om rustig de tijd te nemen en te genieten van het leven zinnig.
Volgens de wetten van de reclame adviseert de tekst op de bus onbedoeld gelovigen om niet na te denken en niet te genieten. De slogan verbindt te makkelijk de teloorgang van God met de opleving van rede en genot. Terwijl het precies andersom zou moeten zijn. Een opleving van rede en genot doet de stem van God verstommen. Dat was de verdienste van Darwin.
“Denk en geniet” was daarom als slogan voldoende geweest.