Posts tonen met het label media. Alle posts tonen
Posts tonen met het label media. Alle posts tonen

vrijdag 2 november 2012

Peek en Poke in Perspectief


Doodstil is het, in de bioscoop, tijdens het lezen van een boek of tijdens de uitvoering van klassieke muziek. We kijken naar het scherm, laten onze ogen in alle rust over de regels glijden, of sluiten onze ogen om de stiltes tussen het geluid nog beter te kunnen horen. In het Tate Modern op een bank, recht tegenover Weeds (1996) van Yayoi Kusama, worden we omringt door een oase van stilte, waarin gedetailleerde patronen en subtiele groennuances aan ons verschijnen. Dit is geen werk om al pratend langs te lopen.

Yayoi Kusama, Weeds, 1996
Afbeelding: www.worldmalls.com

De meest hedendaagse vormen van kunstbeleving zijn gebaseerd op een verstilde vorm van waarnemen, en in die zin sensomotorisch zeer specifiek. Als verdoofd zitten of staan we stil en om naar een kunstwerk te kijken, een boek te lezen, of te luisteren naar muziek. Onderzoek van Miguel Nicolelis laat echter zien dat dansen, het spelen van luchtgitaar, of dirigentmimesis, wel degelijk een verschil kan maken voor wat iemand hoort. Beweging, ritmische beweging op basis van muziek bijvoorbeeld, breng ons in een andere neurale toestand, brengt andere receptieve velden en een andere hersenorganisatie met zich mee zodat een kunstwerk op een andere wijze aan ons verschijnt. Sensomotorische patronen zijn bepalend voor kunstbeleving, terwijl tegelijkertijd dominante cultuuruitingen zijn gebaseerd op verstilling. Verstilde kunstbeleving is een uiterste van een enactivistisch spectrum waarin van de bewegingen van het lichaam in relatie tot een omgeving in variërende mate gebruik wordt gemaakt.

Klik hier voor het essay Peek en Poke in Perspectief, dat verscheen in Filosofie & Praktijk, oktober 2012, jaargang 33, nr. 3

donderdag 12 januari 2012

De pijn van prikkeldraad


Voor de Business Lounge van het Groninger Museum ontwierp Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) een tafelkleed met motieven die ondubbelzinnig verwijzen naar concentratiekampen. Op het damasten kleed prijken spoorrails, barakken, wachttorens, rollen prikkeldraad en een stapel brilletjes. Het ontwerp heeft de Business Lounge nooit gehaald, maar het is aan de vergetelheid onttrokken door televisieprogramma’s, kranten en websites. De commotie rond de verwijzingen naar concentratiekampen is nog verder aangewakkerd door het ontwerp voor een hek rond de villa van een verzamelaar in Bentveld. Ook in dit hek zijn prototypische kampelementen verwerkt. Boven de toegangspoort opgetrokken uit de rokende schoorstenen van verbrandingsovens prijkt een verwijzing naar concentratiekamp Buchenwald: “Jedem das Seine.”
In, vaak bewogen, beschouwingen vragen critici zich af wat Job in ’s hemelsnaam voor ogen kan hebben gehad met deze ontwerpen, of de motieven van Job wel zuiver zijn, of Job zich wel als designstudio mag profileren, en of een dergelijk ontwerp wel geschikt is voor een openbare ruimte zoals een museum of een villawijk.


De commentaren van de critici bevatten een opvallende grootste gemene deler: de fout wordt uitsluitend gezocht bij Studio Job. Volgens de één zou Job zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de gevoeligheden die het thema omringen. Volgens een ander was Job slechts uit op gemakkelijk effectbejag. Een derde betreurt de oppervlakkigheid van de ontwerpen. Weer een ander vindt dat Job zich beter onder kunstenaars dan onder designers zou kunnen scharen, waarbij het nog maar de vraag is of het goede kunstenaars zouden zijn. Een laatste vindt dat er nauwelijks is nagedacht over de impact van dergelijke ontwerpen op argeloze voorbijgangers. De teneur moge duidelijk zijn. Impliciet wordt geconcludeerd dat de fout in ieder geval niet ligt bij het publiek of de critici.
Maar de betekenis van ontwerpen en kunstwerken kan niet zomaar worden herleid tot de designers of de werken zelf. Dat is precies wat Marcel Duchamp ons leerde toen hij in 1917 een urinoir, gesigneerd “R. Mutt,” inzond voor een tentoonstelling in New York. De organisatie vatte het op als een belediging en weigerde het werk. Maar, bijna een eeuw later, werd hetzelfde werk van dezelfde kunstenaar door vijfhonderd kunstkenners verkozen tot het meest invloedrijke kunstwerk uit de 20ste eeuw. Was de kunstenaar of het werk in de tussenliggende periode veranderd? Nee, wat was veranderd, was de relatie met publiek en critici. Achteraf gezien werd de betekenis van Duchamp’s urinoir in eerste instantie bepaald door de armoede van het publiek, en niet door de afstotelijkheid van een pisbak, de onheuse intenties van Duchamp, of de vraag of een urinoir wel in een openbare ruimte mag hangen. Op de langere termijn verrijkte Duchamp’s werk het publiek en daarmee de plaats van kunst in onze samenleving.
Designstudio’s, zoals Studio Job, bestaan bij de gratie van de esthetische en hedonistische levensinstelling van hun publiek. Een goed glas wijn, naast een notebook van Steve Jobs, zijn iPhone, trendy merkkleding, een passende auto en een design interieur zijn eigentijdse voorwaarden voor een goed leven. Zelfs in de meest barre omstandigheden klinkt de verzuchting: “Ik ga er in ieder geval van proberen te genieten.” Als deze argumenten van lifestyling al worden overtroffen dan slechts door argumenten van economie of efficiency. Uiteindelijk mag alles wijken voor de waarde van aandelen of de euro. De wreedheden als gevolg van bezuinigen en de daarvoor benodigde politieke compromissen verdampen in het licht van dit hogere doel. Zo gijzelen verrijkende groei en schone genotzucht onze ethiek.
Een dergelijk publiek, dat zich dus doorgaans de koning te rijk weet met de ontwerpen van Studio Job, is uiteraard geschokt door de aanblik van een gestileerd concentratiekamp. Maar die schok is niet het gevolg van de verwijzing naar de wreedste periode uit de recente historie. Wat vooral pijn doet is de confrontatie met onze eigen voorliefde voor design die tevens een vlucht voor ethische vragen inhoudt. Daarom kan ook alleen een designstudio, waarvan we uitsluitend schoonheid verwachten, deze werken maken.


Studio Job heeft een laatste stap gezet naar de plek waar zij noodzakelijkerwijs toch wel zouden zijn uitgekomen. Hun werkwijze heeft altijd al bestaan uit het grotesk uitvergroten van prototypische kenmerken. Als een postmodern museum dus vraagt om een tafelkleed voor de business lounge, een ruimte die slechts voor de happy rich few toegankelijk is, waarom dan niet een groteske verwijzing naar een fantastische maaltijd onder het genot van klassieke muziek terwijl op de achtergrond mensen sterven? Waarom mag een hek rond een landgoed in een zeer welgestelde buurt, dan niet veranderen in het ultieme symbool van de vernietiging van niet ons soort mensen?
Job laat slechts zien dat design, net als kunst, een spiegel kan zijn.

dinsdag 1 juni 2010

Welkom in Youtopia

In Welkom in Youtopia beschrijft Menno van der Veen de wereld van de Youtopisten.
Youtopisten zijn mensen die leven in een door henzelf gesponnen cocon. Ze praktiseren de maakbaarheid van het egocentrische leven. Youtopisten zijn de alfa en omega van hun cocon, en verzamelen in hun nest alle en uitsluitend die elementen waarmee zij zichzelf kunnen verwerkelijken of verrijken. Youtopisten zijn niet noodzakelijk egoïsten. Maar het zorgen voor anderen gebeurt slechts als het bijdraagt aan het eigen welbevinden. Van opoffering kan dus geen sprake zijn. De buitenwereld dwingt het gedrag van Youtopisten niet af, de buitenwereld is slechts het decor waartegen het zelfgeregisseerde leven van de Youtopist zich afspeelt.
Wellicht bent u in de veronderstelling dat Youtopia en de Youtopisten iets met nieuwe media of technologie (Youtube) hebben te maken. Laat ik u direct geruststellen: dat is niet zo. Volgens Van der Veen vormen de Youtopisten een normale (zij het enigszins elitaire) maatschappelijke klasse. Naast egocentrisme is de meest in het oog springende eigenschap van de leden van deze klasse dat ze met het grootste gemak van rol wisselen, en zich met geen enkele positie diep vereenzelvigen:
Carrièretijger, voetballer, geëngageerd burger, loverman. Zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist, discobabe. Hoeveel persoonlijkheden heb je precies? Of beter, hoeveel rollen weet je overtuigend te spelen?
Youtopisten willen zich niet vereenzelvigen met één rol. Ze ontlenen hun identiteit niet aan dienstjaren, religie of de strepen op een uniform. Als ze hun uniform, doktersjas of kostuum uittrekken, zijn ze andere mensen.
[Pagina 41]
In dit citaat komt de subtiele, maar alles doordringende denkfout van Van der Veen duidelijk aan het licht. Hij verzuimt de termen persoonlijkheid en rol helder te onderscheiden. Daarom zal ik hier het verschil tussen deze termen uiteenzetten, alvorens het betoog van Van der Veen te wegen.

Een actrice speelt rollen. Als Carice na een dag hard werken van de set stapt, zich afschminkt en haar alledaagse klofje aantrekt, dan is ze gewoon weer Carice van Houten. De rol die ze aannam is verdwenen, en ze wordt weer degene die ze ’s ochtends was voordat ze zich liet omkleden en schminken. De rollen die Carice speelt, zijn niet meer dan kostuums die ze aan en uit kan trekken. Naar dit type rollen verwijst Van der Veen in het bovenstaande citaat. Dit zijn de rollen waarachter een andere, waarachtigere, authentiekere persoonlijkheid schuilgaat.
Dit type rol is echter niet te vergelijken met de verschillende persoonlijkheden die iemand kan hebben. Het zelf wordt gevormd door de verzameling posities die een persoon kan innemen. Het zelf is dus een verzameling inherent waarachtige persoonlijkheden, en geen verzameling maskers. Achter die persoonlijkheden gaat niet nog eens een essentiële of echte of diepe of authentieke persoonlijkheid schuil. De zakenvrouw, fitnessjunk, praktisch idealist en discobabe zijn geen rollen van een diepere persoonlijkheid, maar aspecten van een en dezelfde persoon. Facetten van dezelfde groeibriljant, om maar eens een positiever beeld te gebruiken. Youtopisten slijpen zichzelf totdat ze schitteren in een omgeving van doffe mensen die hun persoonlijkheid nemen zoals ze die in beginsel aantreffen, en daar hoogstens wat rolletjes aan op hangen.
Van der Veen combineert psychologisch essentialisme met Platoons/Kantiaanse maatschappijkritiek, en daardoor slaat hij de plank mis. Zijn belangrijkste conclusie is dat de cocons van de Youtopisten onderling en in breder maatschappelijk verband onverenigbaar kunnen zijn, omdat in iedere cocon een specifieke maatstaf voor goed en kwaad, mooi en lelijk, van kracht is. Wat Van der Veen hierbij over het hoofd ziet is dat een Youtopist met als facet, bijvoorbeeld, een praktisch idealist, gedwongen is haar handelen in dat facet in overeenstemming te brengen met de groep waar zij deel vanuit wil maken. Hetzelfde geldt al voor een fitnessjunk die deelneemt aan een bewegingsklasje. Het innemen van diverse posities in de intermenselijke wereld, leidt tot het bijslijpen van persoonlijkheidsfacetten. Niet de essentiële persoon hoort centraal te staan, maar de facetten die in verschillende omstandigheden het invallende licht verschillend reflecteren.

Welkom in Youtopia eindigt zeer zwak. Iedereen kan bedenken dat je opsluiten in een cocon niet de meest vruchtbare maatschappelijke houding is. Iedereen begrijpt dat je je, als je uit je cocon komt, zult moeten aanpassen aan anderen. Iedereen snapt dat het fanatisme waarmee je in je dromen de wereld wilt verbeteren in werkelijkheid wel eens contraproductief kan zijn. Van der Veen beschrijft deze triviale punten omslachtig door drie groepen te onderscheiden: Producenten, Youtopisten en Amateurs. Na deze groepen uitgebreid te hebben omschreven en geduid, trekt Van der Veen in hoogdravende filosofentaal conclusies die we in de omgangstaal als open deuren terzijde zouden leggen. Zo bevolken Producenten, Youtopisten en Amateurs vooral de cocon van Van der Veen. Daarbuiten zullen ze weinig waarde hebben.

De toekomstloze mens

zaterdag 19 december 2009

Langzaam denken

Over opiniemakers en intellectuelen

De toestand van onze samenleving kan niet beter worden gekarakteriseerd dan door het hemelsbrede verschil tussen opiniemakers en intellectuelen. Wat ooit een intellectueel vruchtbaar klimaat was, wordt nu geteisterd door de buien van opiniemakers. Of, om de klimatologische metafoor naar het regenwoud uit te breiden, de intellectuele longen van de Nederland worden in hoog tempo gekapt door mensen die slechts zijn geïnteresseerd in een snelle winst.
Ik ben fan van televisie. Ik omarm nieuwe media en technologie. Ik houd van de mogelijkheden om informatie razendsnel en met de hele wereld te delen. Ik geniet van de snelheid van computergames. Vol verwachting kijk ik uit naar de volgende resultaten van alle wonderen der techniek, van de Hubble telescoop via fMRI scans tot de Large Hadron Collider. Kortom, ik denk dat onze cultuur in deze tijd onovertroffen mogelijkheden biedt tot het vergaren van kennis en het beschouwend genieten van de wereld. Maar waarom gebeurt dat laatste dan niet? Hoe komt het dat de wereld nog steeds wordt geteisterd door een stortvloed van onzin? En, een nog prangendere vraag, hoe komt het dat zoveel mensen die onzin voor zoete koek aannemen?
Laat ik het antwoord direct geven, voordat de meeste lezers afhaken. Het komt doordat er een sterke voorkeur is voor snelle denkbeelden. Denkbeelden die gemakkelijk bekken, lekker klinken, en eenvoudig aansluiten bij wat er toch al werd gedacht, verdringen alles wat tijd nodig heeft om te bezinken. Een intellectueel oordeel vergt tijd. In eerste instantie moeten de directe emoties en rationaliserende intuïties worden onderdrukt en uitgesteld. Daarna moet alles eens rustig tegen het licht worden gehouden, en moet aanvullende informatie worden gezocht, gelezen en gegeven. Vervolgens probeer je concurrerende standpunten te onderbouwen totdat ze verdedigbaar voelen en emoties verschuiven. Pas dan neem je de stap naar een eigen, degelijk onderbouwd standpunt. En tot die tijd schort je je oordeel op.
Dit is een pleidooi voor langzaam denken. Dit is een pleidooi voor het antwoord “Ik weet nog niet precies wat ik hiervan moet denken…” als je wordt gevraagd om je mening. Dit is een pleidooi voor het lezen van dikke boeken, het bekijken van lange documentaires, en de wil om standpunten te doorgronden die je tot dusver niet had begrepen. Geef snelle oordelen de mogelijkheid om te worden beteugeld door denkbeelden die aanvankelijk onbevattelijk leken.
Drie voorbeelden van de terreur van opiniemakers:
- Nederland werd niet geteisterd door de Mexicaanse griep. Nederland werd geteisterd door een tsunami van irrationaliteit rond de Mexicaanse griep. In de Europese Unie kan een normale seizoensgriep tot wel 200.000 slachtoffers eisen. Een gemiddelde winterse griepepidemie Nederland doodt 250 tot 2.000 personen. Dus waarom waren we zo bang voor de Mexicaanse griep? Waarom zijn we zo bang voor inentingen?
De verklaring is te eenvoudig. Als Ab Osterhaus in veelbekeken televisieprogramma’s verkondigt dat er een potentieel dodelijk virus aankomt, dan reageert ons brein in eerste instantie op het woord “dodelijk” dat met een gezaghebbend gezicht wordt uitgesproken. Er ontstaat een angstreactie die ons intellect overspoelt. Alle reden dus om juist niet te oordelen. Maar een angstreactie maakt tegelijkertijd dat we geneigd zijn snel te oordelen en handelen. Dus Osterhaus en consorten hebben ons in de tang.
- Naast de griep zijn we ook overspoeld door een financiële crisis. Volgens precies hetzelfde mechanisme. De angst sloeg handelaren om het hart toen ze hun beleggingen ongedekt in rook zagen opgaan, en verspreidde zich vanaf de beursvloer via de media naar de angstkwabben van breinen over de hele wereld. De financiële crisis was een gevolg van angst, en niet omgekeerd. Er kwam geen golf van armoede aan. We veroorzaakten een lichte rimpeling in onze welvaartsstaat door overmand door angst te snel en daardoor verkeerd te oordelen.
- Een derde voorbeeld is het zogenaamde ietsisme. Ietsisme ontstaat door de angst dat na de dood van God het leven zinloos wordt. Angststress overspoelt ons brein zodra de leegte van de hemel op ons neerdaalt. De vaderlijke bescherming valt weg, en de verlatingsangst maakt zich van ons meester. Er moet toch wel iets zijn, anders… ? Kluun is de verpersoonlijking van deze angst. Hij is niet alleen bang voor een lege hemel, maar ook voor atheïsten die verkondigen dat de hemel leeg is. Het boekje God is gek, met als ondertitel De dictatuur van het atheïsme, wordt zo een klassiek geval van de boodschapper doden omdat de boodschap je niet bevalt. Als een waanzinnige plakt Kluun citaten aan elkaar, om maar te laten zien dat hij in ieder geval niet gek is, en dat er toch heel veel mensen zijn die in iets geloven. Maar waarom die panische graai reactie, als een gestreste chimpansee die steun zoekt bij zoveel mogelijk groepsgenoten? Waarom geen doorlopend betoog om te betogen dat…? Ja, om wat te betogen, eigenlijk? Dat honderd keer een hoop op iets het atheïsme weerlegt?
Het grootste verschil tussen opiniemakers en intellectuelen is een verschil in angst, en daarmee een verschil in snelheid. Intellectuelen reageren slechts snel als het onderwerp hen geen angst meer inboezemt. Buiten de gebieden waarin ze zich hebben verdiept, reageren ze traag en terughoudend. Opiniemakers daarentegen houden van een snelle reactie. Wat nu gebeurt, moet binnen een uur met een quote op televisie. Al voor die tijd twittert, smest, blogt en belt iedereen er over, angsthaas Albert Verlinde voorop.
Dit is een pleidooi voor het langzame denken, slow thought, met name in het publieke domein. Kunt u uw eigen standpunt en dat van uw tegenstander onderbouwen (dat is meer dan onderstrepen) met een mooi vertoog van anderhalf A4tje? Ja, dan hebt u recht van spreken. Zo nee, dan geldt het aloude filosofisch adagium dat het beter is te zwijgen als men ergens niet over kan spreken.


God is gek actieboekje
God is gek actieboekje
Kluun

zaterdag 10 oktober 2009

Nomofobie (2)

Nomofobie is de angst je mobiele telefoon niet bij je te hebben. Dit klinkt voor velen waarschijnlijk als een grappige, maar toch vooral puberale angst van voornamelijk tienermeisjes die de hele dag willen kletsen en smessen met hun vriendinnen. Maar nomofobie is geen puberale angst. Het is strikt genomen zelfs geen fobie; het is wel een angst, maar geen stoornis. Nomofobie is vergelijkbaar met de angst om blind te worden, of om reuk, smaak of gevoel te verliezen. En aangezien ieder gezond mens in paniek zou raken bij het vooruitzicht een zintuig te verliezen, kunnen we de definitie van nomofobie ook omkeren: Mensen zonder nomofobie zijn (nog) niet in staat gebleken het gebruik van de mobiele telefoon onder de knie te krijgen.
Net zoals blinden niet bang zullen zijn voor het donker (achluofobie), zo zullen mensen voor wie de mobiele telefoon niet meer is dan een draagbare versie van de ouderwetse huistelefoon, geen last hebben van nomofobie. Dit is overigens geen waardeoordeel. Het is niet verkeerd om geen last te hebben van nomofobie. En de reden dat we mensen zonder nomofobie niet veroordelen is dezelfde als waarom we blinden niet veroordelen voor de afwezigheid van achluofobie. Mensen die hun mobiele telefoon nooit missen, ontberen een manier om de wereld te ervaren. Ze verdienen medelijden.
De denkfout die vaak wordt gemaakt is dat een mobiele telefoon slechts gemakkelijk is, slechts een werktuig dat het leven comfortabeler maakt. En natuurlijk lijkt het mobieltje in eerste instantie niets wezenlijks toe te voegen aan onze wereld. Maar niets is minder waar. Mobieltjes kunnen een nieuw zintuig vormen. Ze kunnen de wijze waarop wij de wereld ervaren veranderen.
En dan vooral de sociale wereld. Voor wie geen mobieltje bezit is sociale nabijheid gebonden aan lichamelijke nabijheid. Deze mensen zullen zeggen dat iemand ‘in het echt’ spreken altijd fijner is dan iemand over de telefoon spreken. Ze zullen ook volhouden dat een ansichtkaart ontvangen, ‘meer zegt’ dan een smesje ontvangen. We moeten medelijden hebben met deze mensen. De vergelijking met een blinde kan wederom verhelderend zijn. Om iemands uiterlijk te beoordelen zal een blinde de persoon moeten voelen. De afstand die er bij een ziende niet toe doet, of zelfs noodzakelijk is om het uiterlijk te beoordelen, is bij een blinde een onoverbrugbare kloof. Blinden en nomobies (mensen die het mobieltje slechts als gereedschap zien) ontberen een toegang tot de wereld.
Techniek verandert niet alleen de wereld, techniek verandert soms ook de ervaring die wij van de wereld hebben. Een goed voorbeeld hiervan vormt TVSS, tactile visual sensory substitution. Bij blinden wordt het beeld van een videocamera via een prikkelplaatje overgebracht op de tong.



Het meest belangwekkende van TVSS is dat blinden erdoor visuele (!) ervaringen krijgen. Het gevoel van een tong die geprikkeld wordt verdwijnt, en maakt plaats voor een visuele ervaring! Uiteraard lukt dit pas na oefening en gewenning, maar het resultaat is verbluffend. De wereld wordt ervaren via een nieuwe perceptuele modaliteit. Dit is geen proces waarbij tactiele informatie door een blinde wordt doorgeredeneerd naar visuele informatie, maar een proces dat het gevoel waarmee iemand in de wereld staat verrijkt.
Een mobieltje kan een vergelijkbare functie vervullen. Mensen die de wereld via hun mobieltje ervaren, ervaren de sociale wereld op een wijze die voor nomobies is uitgesloten. Dat komt ondermeer doordat de mobiele telefoon strikt persoonlijk is, en altijd voorhanden, net zoals onze andere zintuigen. Zo brengt dit extra orgaan anderen dichterbij, en verrijkt de ervaring van onze sociale wereld. De filosoof Alva Noë schrijft:

Technologie vergroot ons bereik, en vergroot op die manier de mate waarin zaken voor ons aanwezig kunnen zijn. Mijn moeder die duizenden kilometers ver weg zit is aanwezig, want ze is slechts één telefoontje van mij verwijderd.[…]
Alva Noë, Out of Our Heads, pp. 83-84.

Vijf zintuigen is een toevallige gift van de evolutie. Innovatieve technieken zullen ons arsenaal aan zintuigen uitbreiden, op een onvoorspelbare wijze en in onvoorspelbare richtingen. Eens zullen we verzuchten: “Zonder mobieltje ben ik geen mens meer, of in ieder geval minder mens dan met mobieltje.”

zondag 8 maart 2009

Het begint met taal

Stel u krijgt van Geert Wilders de opdracht een nieuwe reclamecampagne op te zetten waaruit blijkt dat integratie voor veel buitenlanders een onmogelijke en lachwekkende opgave is. En dat het voor hen dan ook altijd lastig zal blijven een gelijkwaardige plek in de maatschappij te veroveren. En vooral dat dit aan henzelf ligt, en niet aan de immer welwillende Nederlanders. Als dat uw opdracht is, dan zijn de volgende spotjes ideaal (de cursieve tekst is een buitenlandse taal):

Komt een allochtone vrouw bij de dokter:
“Maar slaapt u wel genoeg mevrouw Demenchang?”
“Nee, geen slaap dokter, bachem ehh, hoofd-pijn!”
“Ja, u heeft hoofdpijn, dat weet ik maar ik zoek de oorzaak…”
“Oor-zaak, pune… Ahh, komt hoofdpijn door mijn oor?!”

Komt een allochtone man voor werk bij het ziekenhuis:
“Dus u wilt weer in het ziekenhuis werken meneer Youssuf, als broeder?”
“Ikke één broeder en twee zoes, maarre enne breed ik wil werken in ziekenhaus…”
“Ja, dat weet ik. Maar als broeder of als dokter?”
“Nes gigun, mijn broeder geen dokter, mijn broeder is kok. Die werke, ik wil ook werk.”

Komt een allochtone moeder op oudergesprek:
“Ja, mevrouw Yildiz, de leraar wiskunde die maakt zich zorgen om Ahmed.”
“Oh menerre wij zelf zorg voor Ahmed, niet wiskundeleraar.”
“Natuurlijk, maar wat ik wil zeggen, Ahmed, doet het hartstikke goed, maar hij kan alleen met wiskunde niet goed meekomen.”
“Mettilya, waar naartoe meekomen??? Schoolreis!”

Grappig toch?! Ze leren het ook nooit die buitenlanders. Op de schoolpleinen zullen jongeren de spotjes nadoen, en op kantoren wordt vrolijk, na Goede Moggel, doorgeparodieerd op deze Babylonische spraakverwarring. De campagne zal het beeld versterken van een onoverbrugbare kloof tussen Nederlanders en nieuwkomers. Dat zal op termijn onvermijdelijk zetels opleveren voor de PVV.
Wilders zal u deze opdracht echter nooit geven. Dat hoeft hij namelijk niet, want de spotjes maken onderdeel uit van een campagne van onze overheid, het ministerie van VROM.

“Geachte mevrouw of meneer,
Ik wil ernstig bezwaar aantekenen tegen de spotjes die op radio en televisie worden uitgezonden in het kader van de campagne Het begint met taal. De dialogen in de spotjes zijn denigrerend voor allochtonen, en doen geen recht aan de verwoede pogingen van honderdduizenden nieuwkomers om zich het Nederlands eigen te maken. De spotjes bekrachtigen het vooroordeel van domme buitenlanders, en dragen zo onbedoeld bij aan het beeld van een onoverbrugbare kloof tussen allochtoon en autochtoon.
Eenzelfde campagne had kunnen worden gevoerd aan de hand van spotjes waarin het hakkelende Frans, Spaans of Italiaans van Nederlandse toeristen niet wordt begrepen door een onwelwillende ober of dokter. Ook dan begint het met taal, maar wordt tevens duidelijk dat communicatie twee kanten heeft.

Vriendelijke groet,
Ronald Hünneman.”

Het materiaal van de campagne Het begint met taal vindt u hier.
De bovenstaande radiospotjes vindt u hier.
U kunt hier protest aantekenen tegen de wijze waarop deze campagne wordt gevoerd.

woensdag 28 januari 2009

Eerlijk en tragisch

Disciplinering is een term die in filosofische analyses de betekenis krijgt die Michel Foucault (1926-1984) eraan heeft gegeven. Het is lastig om deze betekenis in een paar zinnen uiteen te zetten, maar aangezien dat nu eenmaal bij alle termen van Foucault het probleem is voel ik mij niet bezwaard om te volstaan met een slordige schets. Het handigst is het om te beginnen met een vorm van disciplinering waaraan velen zich weleens onderworpen hebben, een georganiseerde teamsport. Om daaraan mee te doen dienen we ons te schikken naar het team waarvan we deel uitmaken, de club, de regels van het spel, de vaktermen, de sportbond, het speelveld, de schoenen, de kledingfabrikant en nog vele andere mensen, afspraken, instellingen, regels en gewoonten. Hoeveel vrijdenker we ook menen te zijn, op het voetbalveld onderwerpen we ons aan de regels en de scheidsrechter, en daarbuiten aan de club en de bond. Degenen die zich niet onderwerpen worden gestraft, met geel, rood of een reprimande van de voorzitter en als dat te vaak gebeurt uitsluiting van de hele sport.
De maatschappij waarin we leven legt ons een disciplinering op die vergelijkbaar is met die van een sport in teamverband. Zonder dat we ons er voortdurend van bewust zijn schikken wij ons naar de taal, gewoonten, moraal, instellingen, instituties en machinaties van onze maatschappij. Zo laat Foucault laat in zijn analyses zien dat onze ziektes en opvattingen over gezondheid, onze psychische aandoeningen, onze gezonde arbeidsmoraal en ons regime van straf en toezicht onderdelen zijn van een allesomvattende disciplineringstructuur. Die structuur is door niemand bedacht of met een vooropgezet plan ingevoerd, net zoals de voorzitter van de club niet het snode brein is achter de disciplinering in het voetbal (sterker nog zijn eigen gedrag is ook een gevolg van die disciplineringsstructuur). Disciplineringstructuren hebben ons allen in de greep, zonder dat we er goed zich op hebben en zonder dat we er iemand de schuld van kunnen geven.
Het briljante televisieprogramma Heerlijk, Eerlijk, Heertje gepresenteerd door Raoul Heertje legt de disciplineringstructuren bloot van de televisiewereld. In de eerste aflevering was te zien hoe programma’s worden voorgekookt, hoe interviews vooraf doorgesproken worden, hoe weinig spontaan presentatoren zijn en hoe bij dit alles programmamakers volharden in het opwekken van de illusie dat de kijkers een echte en spontane interacties tussen mensen voorgeschoteld krijgen. Geheel in lijn met Foucault werd er geen schuldige aangewezen. Televisiemakers produceren, presentatoren en hun productieteam maken, adverteerders stimuleren de illusie en kijkers smullen ervan. Zo wordt het onmogelijk om je als programmamaker aan deze disciplinering te onttrekken. De eerste aflevering ging dus niet zozeer over eerlijkheid, want dat zaken achter de schermen zo gaan is geen geheim, maar over een disciplinering die niemand wil, maar waaraan iedereen is onderworpen.
Maar, wat in de eerste aflevering nog deels impliciet was, werd in de tweede aflevering door Heertje naar de voorgrond getrokken. Heertje wilde aan de disciplinering ontsnappen, hij wilde vreselijk graag ontsnappen. Wanhopig zocht hij naar een mogelijkheid om niet ten prooi te vallen aan de machinaties van de televisie. Hij probeerde het publiek weg te sturen dat als klapvee was ingehuurd. Hij zocht wanhopig naar eerlijkheid, filmde zijn overwegingen met een webcam, en zond beelden van redactievergaderingen en fotoshoots uit. Om te ontsnappen greep hij zich vast aan een onmogelijke hand, de hand van God. Heertje wilde met een Waarachtige combinatie van Eerlijkheid & Volledigheid het Foucauliaanse monster verslaan, Joris en de draak. Hij bracht twijfels en beslissingsmomenten in beeld en alles wat bij de montage was weggelaten is terug te vinden op de website die bij het programma hoort.
Uiteraard gaat het Heertje niet lukken. Heertje is al onderworpen. Het programma is snel gesneden, met beeldwisselingen die de aandacht vasthouden, humor, verrassende momenten en spektakel: Heertje die door toedoen van zijn eigen productieteam voor schut komt te staan. Dat is televisie zoals televisie volgens producenten, adverteerders en kijkers moet worden gemaakt. Ook Heertje schikt zich naar deze structuren. Want hoe harder hij zich aan deze disciplinering probeert te onttrekken, hoe onbegrijpelijker zijn programma wordt en hoe eerder kijkers en adverteerders hem vriendelijk edoch beleefd zullen verzoeken omroepland te verlaten.
Heertje steekt nog wanhopig een hand uit naar Totale Eerlijkheid. Ook dat mislukt jammerlijk. Een mooi voorbeeld daarvan is de fotoshoot in aflevering 2. Heertje wordt gevraagd om met een gerbera voor zijn gezicht te poseren. Het wordt een gekunsteld geheel, waarbij Heertje niet weet hoe hij moet kijken en de fotograaf niet weet wat hij van Heertje kan vragen. Twee beelden later staat Heertje met enkele leden van het productieteam naar de resultaten te kijken. “Ik vind het echt niet mooi. Bah, doe weg,” zegt Heertje. Maar wat vindt hij echt?
Vind hij de foto’s lelijk omdat ze gekunsteld zijn en dus in dat opzicht niet eerlijk? Maar wat zijn dan niet gekunstelde foto’s? Is een foto van Raoul Heertje met een gerbera niet bij uitstek een eerlijke foto? Iedereen weet dat Heertje niet zomaar met een gerbera voor zijn neus gaat zitten. Dus heeft de foto daarmee al niet zijn eigen oneerlijkheid in zich opgenomen? Of weet Heertje niet wat hij van de foto’s vindt en zijn deze beelden er in gemonteerd omdat ze zo mooi bij de rest van het programma passen? Wij zullen het nooit weten. Wij zullen het nooit weten omdat zelfs Heertje het nooit zal weten, omdat zelfs Heertje nooit zijn eigen disciplineringsstructuren kan overzien.
Heertje is een held, maar een tragische held, en daarom verheug ik mij op alle volgende afleveringen.

Klik hier voor de website van Heerlijk, Eerlijk, Heertje. Op deze website zijn ook de beelden van de eerste afleveringen te vinden. De volgende aflevering is te zien op vrijdag 30 januari rond 22.00 uur.