Posts tonen met het label internalisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internalisme. Alle posts tonen

zondag 18 november 2012

De kwab van Swaab

Uit welke hersenkwab van Dick Swaab komt toch het wanstaltige idee voort dat ‘wij ons brein zijn, zelfs als het kunst betreft’ (zie NRC Handelsblad van 30 oktober)? Ergens moet bij hem een kortsluiting of vernauwing (hij zal zelf spreken van ‘neurale cognitieve inhibitie’) plaatsvinden die verder-denken-dan-zijn-voorhoofdskwab-lang-is onmogelijk maakt. Aan de andere kant, dat Swaab zijn neiging om elke vorm van menselijk gedrag vanuit de hersenen te verklaren toepast op kunst, biedt een mooie gelegenheid om de onzinnigheid van zijn opvatting eens van een andere kant ten tonele te brengen. 
Laten we bij kunst beginnen. Er valt in algemene gedragsmatige termen bitter weinig over kunst te zeggen. De diversiteit is domweg te groot. Om Jeroen van Merwijk te parafraseren: Er is realistische kunst en abstracte kunst. Er is kunst gericht op volledigheid en kunst gericht op details. Er is kunst in zwart/wit en in kleur. Er is kunst die overdrijft en er is kunst die zeer natuurgetrouw weergeeft. Er zijn verschillende culturen die verschillende perioden van verschillende kunstvormen kennen. Er zijn verschillende kunstenaars die verschillende materialen en technieken gebruiken met verschillende intenties, en waarvan de werken door verschillende mensen op verschillende wijze worden begrepen en gewaardeerd. Er is schrijfkunst, schilderkunst, filmkunst, fotokunst, beeldhouwkunst, muziek, theater, perfomatieve kunst, straatkunst en landschapskunst. En, er zijn textiele werkvormen.

Ut Absordasties Rejielasme van Jeroen van Merwijk


En dan zijn er Dick Swaab en zijn vakgenoot Vilayanur Ramachandran. Beiden zijn uitmuntende neurologen. En beiden hebben de neiging om de resultaten die ze in hersenonderzoek boeken te veralgemeniseren naar al het menselijk gedrag. Dat is op zich al niet overtuigend, maar het wordt wanstaltig als zij het over kunst gaan hebben. Zo schrijft Swaab: “Hersenonderzoek laat een objectieve basis zien voor de ervaring en productie van schoonheid.” Ik weet niet wat hij onder ‘objectieve basis’ verstaat, maar waarschijnlijk betekent het ‘neuraal substraat’. Als dat zo is, dan laat hersenonderzoek zien dat er neurale activiteit is bij kunstbeleving. Een triviale bevinding waarop mijn kinderen dan ook zouden reageren met een “Ja, duh!” 
Swaab geeft ook nogal hoog op van het principe van overdrijving, dat Ramachandran uitgebreid heeft beschreven. En uiteraard weet Swaab uit de schat aan kunstvoorwerpen die de mensheid heeft voortgebracht, enkele te kiezen waarbij overdrijving ontegenzeggelijk een rol speelt. Maar wat zegt dat? Het is alsof we uit de totale verzameling vrouwen honderd sm-meesteressen kiezen om daaruit af te leiden dat alle vrouwen een aangeboren neiging tot overheersing hebben. Pseudowetenschap begint bij het weglaten van stapels tegenvoorbeelden. Pseudowetenschap begint bij onbezonnen overdrijving. 
De werkelijke interessante vraag is waar de ongekende rijkdom aan schilderijen, boeken, foto’s, films, beeldhouwwerken, artefacten en muziekstukken vandaan komt. (Dat hangt samen met het feit dat we allemaal verschillende hersenen hebben! Ja, duh…) 
Charles Darwin zette de biologie op een nieuw spoor door te wijzen op de alom aanwezige variatie binnen soorten. Een variatie die op haar beurt slechts evolutionaire betekenis krijgt in een omgeving. We kunnen niet begrijpen waarom gazelles zo licht, wendbaar en snel zijn, als we niets weten over leeuwen of jachtluipaarden. We kunnen niets begrijpen van de huidskleur van mensen als we niets weten over zonlicht en klimaat. 
Precies hetzelfde geldt voor kunst en kunstenaars. Het impressionisme, een stroming waarbinnen de variatie enorm is, valt niet te begrijpen door slechts te kijken naar mensenhersens. Fotografie, verftubes, draagbare schildersmaterialen en ontwikkelingen in filosofie en wetenschap speelden bij de opkomst en vorming van het impressionisme een veel grotere rol dan de hersenen van Monet. Net zo kunnen we Romeinse bouwstijlen prima begrijpen zonder de hersenen van Nero, maar niet zonder kennis van de historie van beton en wiskunde. En zelfs de meest uitgebreide scan van de creatieve kwabben van Andy Warhol zal niet duidelijk maken waarom hij juist de banaliteit van Brillodozen tot kunst verhief. 


Dat brengt ons terug bij Swaab zelf. Want, waarom wil hij alles begrijpen vanuit het brein? Is dat een fout in zijn slaapkwab? Nee, althans, niet noodzakelijk. Swaab denkt en werkt binnen een seculariserende Joods-Christelijke cultuur. In die cultuur heeft God weliswaar afgedaan als Schepper, maar is de idee dat alle beweging een duidelijke oorsprong moet hebben nog steeds volop aanwezig. De bewegingen van mensen moeten ergens beginnen, en waar anders dan in het brein, zo is de gedachte. Zoals God de wereld schiep, zo schept het brein het handelen. Swaab kan niet anders dan dit bizarre credo uit zijn omgeving doorgeven. Had hij zich in een andere cultuur bevonden, dan was de gedachte niet eens bij hem opgekomen. Waarom niet? Omdat Swaab niet zijn brein is, maar een organisme dat dankzij lichaam, zintuigen en hersenen het merendeel van de tijd doet waar de omgeving het toe aanzet. Dat is maar goed ook, want als hij echt zou nadenken over de uitspraak “Wij zijn ons brein,” dan zou hij verdwalen in de wirwar van windingen in zijn binnenkamer.

vrijdag 6 januari 2012

Blij met een dood vogeltje

De grote boosdoener, de grote filosofische boosdoener is informatie. Informatie is voor de meeste hedendaagse denkers wat res cogitans was voor René Descartes: een manier om over de menselijke geest te kunnen spreken zonder de hindernissen van natuurwetenschappelijke strengheid. Nergens is de kracht van informatie sterker dan in neurologisch - of neuropsychologisch onderzoek en de daaraan gelieerde philosophy of mind. Informatie is daar een kritiekloos geaccepteerde goochelterm, een deus ex machina om gedachtenspinsels met hersenweefsel te verbinden. Zelden laat een beschrijving in termen van informatie of informatieverwerking meer over de menselijke geest of hersenen zien dan het onvermogen om een verschijnsel wetenschappelijk te benaderen. Tijd dus, om deze uitwassen van informatie weg te snoeien.

Dit korte essay is verschenen in Qualia, het blad dat wordt uitgegeven door STUFF, de studievereniging van de Faculteit Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen.

dinsdag 8 juni 2010

Victor Lamme heeft een vrije wil

Ik kan u verzekeren dat Victor Lamme een vrije wil heeft. Zelf is hij daar klaarblijkelijk minder van overtuigd, getuige de titel van zijn laatste boek: De vrije wil bestaat niet: Over wie er nu echt de baas is in het brein. Iedereen die op de hoogte denkt te zijn van het functioneren van de menselijke geest, moet dit boek lezen. Het bevat een helder geschreven en vermakelijk overzicht van alle bizarre neurologische vondsten en experimenten uit de afgelopen anderhalve eeuw. Daaruit blijkt overduidelijk het failliet van het naïeve idee waarmee we de moderne tijd begonnen, het idee dat lichaam en geest twee onderscheiden substanties zijn. En daarmee is ook het idee verworpen dat de menselijke geest buiten de reguliere natuurwetten staat, en onafhankelijk van die natuurwetten beslissingen zou kunnen nemen.

Overigens ken ik nog maar weinig weldenkende mensen die twijfelen aan het feit dat het functioneren van onze hersenen, ons lijf en de ons omringende wereld onderworpen is aan natuurwetten, net zoals het functioneren van onze geest, ons bewustzijn en onze vrije wil. Lamme licht er in dit verband drie hoofdzaken uit. Ten eerste laat hij zien dat we meer door de wereld buiten ons worden beïnvloed dan we denken. In de meest extreme gevallen leidt dat tot environmental dependency (omgevingsafhankelijkheid), een toestand waarin het handelen uitsluitend door de directe omgeving wordt bepaald. Een man die automatisch alle brillen die hij ziet liggen oppakt en opzet. En die alle kammen in zijn blikveld door zijn haar haalt. Gelukkig kunnen de meesten van ons dergelijke neigingen onderdrukken, zodat we niet voortdurend met vreemde leesbrillen op onze neus zitten. Maar stiekem lijden wij toch allemaal aan een mildere vorm van deze omgevingsafhankelijkheid. Zonder dat we het opmerken bepaalt de ons omringende omgeving ons handelen. Hebben we werkelijk zin in een broodje kaas, of is het een gevolg van het soapsterretje op televisie dat met de kaasschaaf in haar hand vertelde dat haar beste vriendin het met haar man had gedaan?
Uiteraard verhaalt Lamme daarnaast van de experimenten van Benjamin Libet. Daaruit blijkt dat ons bewustzijn nogal achter de beslissende hersenactiviteit aan hobbelt. De “bewuste” keuzes die iemand gaat maken zijn in sommige gevallen meer dan zes seconden voordat het tot de proefpersoon doordringt, af te lezen aan zijn hersenactiviteit. “Daden volgen niet onze gedachten. Het is precies andersom,” schrijft Lamme. En hij heeft gelijk.
Tenslotte legt Lamme uit dat we slechts minimaal inzicht hebben in de oorzaken van ons gedrag. In de hersenen bevindt zich een babbelbox die mooie verhalen ophoest telkens wanneer we om een rechtvaardiging voor een handeling verlegen zitten. De kwaliteit van die verhalen is vooral dat ze sociaal acceptabel zijn, maar niet dat ze inzicht geven in de daadwerkelijke oorzaken.
Kortom, de vrije wil is een illusie. Een mooie illusie, misschien zelfs een nuttige illusie, maar een illusie. Aldus Lamme.

Stel, ten overstaan van een publiek discussieer ik met iemand over de vraag of het verantwoord is om een vliegvakantie te boeken. Op zo’n moment wil ik dat de argumenten uit mijn mond rollen, zonder dat ik iedere keer bewust over mijn woorden hoef na te denken. Ik wil ook dat mijn argumenten precies zijn afgestemd op dat wat mijn tegenstander zegt. En ik wil dat mijn argumenten een goede rechtvaardiging vormen voor mijn standpunt: als je wat aan het milieu wilt doen, ga dan nooit meer op vliegvakantie. Kortom, ik wil een hoge mate van omgevingsafhankelijkheid, een goed functionerende babbelbox en een brein dat minstens zes seconden voorloopt op mijn bewustzijn en mijn mond. Maar wil dit nu zeggen dat ik dan afstand doe van mijn vrije wil?
De denkfout van Victor Lamme is dat hij teveel waarde toekent aan het bewustzijn. Laat ik even heel duidelijk zijn. Ik ben het met Lamme eens dat onze geest volledig aan natuurwetten onderworpen is, en ik ben het met hem eens dat ons bewustzijn achter ons handelen aan hobbelt. Maar om daaruit te concluderen dat de wil niet vrij is, moet je de wil als een aspect van het bewustzijn zien. Het idee dat het bewustzijn en het ik (of het zelf) samenvallen is een restje naïef Cartesianisme waar Lamme prima zonder kan. Ik denk dat Lamme overtuigend heeft aangetoond dat als we de wil in het bewustzijn plaatsen, dat we dan geen vrije wil hebben. Maar hoe zit het met het alternatief? Wat als we de vrije wil gewoon opvatten als de mogelijkheid van een organisme om dat te toen wat goed voor hem is?
De wil is niets anders dan de kunst van een organisme om daar waar het profijtelijk is de buitenwereld uit te buiten en daar waar het nodig is de buitenwereld buiten te sluiten. In de loop van ons mensenleven leren de meesten van ons hierin een balans te vinden die werkt, die leidt tot een leven dat voldoening schenkt. Soms zijn we ons van het zoeken naar die balans bewust, soms maken anderen ons op onze onbalans attent, vaak ontgaat ons het hele proces. En, naarmate we er beter in slagen die balans te vinden, wordt onze wil vrijer. Bewustzijn is een prettig aspect van die balans, maar zeker niet het belangrijkste aspect. De vrije wil bestaat wel, maar moet, net als het zelf, zeker niet exclusief in dat bewustzijn worden gezocht.
Als Victor Lamme zich dus wat minder had laten meeslepen door het Cartesianisme van onze tijd, en de vrije wil niet klakkeloos in het bewustzijn geplaatst, dan had hij nog inventiever en intelligenter tegen hersenen en gedrag aangekeken. Maar ja, mag ik hem dat teveel aan omgevingsafhankelijkheid verwijten?

Lees ook:

Vrije wil bestaat niet

zaterdag 6 februari 2010

Akrasia en wilszwakte


De menselijke wil is een bron voor veel filosofisch vertier. De wil komt in twee smaken. Ten eerste is er de vrije wil. Daarover heb ik al eens eerder uitgebreid geschreven (Vrije Wil Binnenstebuiten). De vrije wil is geen ding, zo betoogde ik, geen neurologisch verschijnsel, geen vermogen van de ziel. De vrije wil ontstaat als talige organismen, zoals mensen, gesteund door structuren in de buitenwereld impulsieve besluiten kunnen onderdrukken, en meer afwogen hun handelingen kiezen. Met andere woorden, de vrije wil zit niet in het hoofd van mensen, maar is een eigenschap van menselijke organismen in een omgeving.
Ten tweede is er ook nog de gewone, alledaagse wil. De wil zoals in “Els wil een appel” of “Greet wil stoppen met roken.” Nu denk ik dat de termen wil en vrije wil over het algemeen weinig met elkaar hebben te maken. Hoogstens is het zo dat als een persoon iets uit vrije wil doet, deze persoon dat ook wil doen. Maar zelfs hier kan ik mij voorstellen dat het een niet in alle situaties uit het ander volgt. Wat de termen wil en vrije wil in ieder geval wel gemeenschappelijk hebben is dat ze slaan op het gedrag van mensen in relatie tot een omgeving, en niet op de geest, ziel of hersenen van handelende mensen. Met andere woorden, de wil zit niet tussen de oren. In hersenen zullen we geen wil of een module voor wilsbesluiten aantreffen.
De truc die filosofen wel eens uithalen, en die ik hierboven ook heb uitgehaald, is om het werkwoord willen te koppelen aan het zelfstandig naamwoord wil. Daarna gaan we dan boeken volschrijven over onze zoektocht naar die wil. Terwijl er in eerste instantie helemaal geen probleem was. Als we van iemand zeggen dat zij of hij iets wil, dan bedoelen we niet meer dan dat het gedrag van deze persoon het best omschreven kan worden met behulp van de term willen. Als we van Saskia zeggen dat ze geen vlees op brood wil, dan betekent dat bijvoorbeeld dat ze de vleeswaren die op tafel staan niet aanraakt, of dat ze, als er slechts vleeswaren zijn, niets op brood neemt. Zoiets. Het betekent niet dat dit gedrag van Saskia voortkomt uit een wil of wilsmodule, waarmee haar besluit om geen vlees te eten wordt genomen.
Of, als we zeggen dat Els een appel wil, dan vatten we daarmee een aantal waargenomen gedragingen van Els samen, en geven we heel losjes een voorspelling van het gedrag van Els. Zo kan Els hebben rondgekeken op de plek waar doorgaans appels liggen, ze kan hebben gezegd “Ik heb zin in een appel”, of ze kan een pak appelsap uit de koelkast hebben gepakt en bijna onmiddellijk hoofdschuddend hebben teruggezet. Daarnaast verwachten we dat ze op onze vraag “Heb je zin in deze appel?” enthousiast zal reageren met “Ja, lekker!” Zolang we met de term willen het gedrag van Els in kaart brengen, is er niets aan de hand. De problemen ontstaan wanneer we ons met een filosofische blik gaan afvragen waar zich in Els die wil bevindt. Die vraag is onoplosbaar, en zal onoplosbaar blijven.
Akrasia, of wilszwakte, betekent dat iemand willens en wetens iets anders doet dan wat hijzelf het beste vindt. We nemen kettingrookster Greet als voorbeeld. Greet roept namelijk al jaren dat ze met roken wil stoppen. Een paar keer in de afgelopen jaren heeft ze inderdaad enkele weken niet gerookt. Maar dit stoppen duurde nooit lang. Inmiddels rookt Greet weer drie pakjes per dag, al roept ze nog steeds dat ze echt wil stoppen. Is er bij Greet sprake van akrasia? Weet Greet dat roken slecht is, en is de wil om te stoppen te zwak om de verslaving de baas te kunnen? Om dit voorbeeld nog wat dramatischer te maken, laten we Greet roepen:
“Oh, ik wil zo graag stoppen met roken!”
“Ik raad iedereen aan om nooit te beginnen met roken. Ik zou willen dat ik zelf nooit met roken was begonnen.”
“Wat haat ik mijzelf als ik rook.”


Wil deze dramatische Greet stoppen met roken? Nee, niet als de term willen het gedrag van Greet beschrijft. De uitspraak “Eigenlijk wil Greet stoppen met roken” heeft geen voorspellende waarde, hoe losjes ook. Als je Greet een sigaret aanbiedt, neemt ze deze zonder twijfel aan. Ze zal je zelfs vragen om een vuurtje. Uit het gedrag van Greet blijkt dus op geen enkele wijze een drang om te stoppen met roken. Integendeel, als we sec naar het gedrag van Greet kijken, heeft ze juist een sterke drang tot roken. Na het eten, in een restaurant, zal Greet voordat het dessert op tafel komt, naar buiten glippen om een sigaret op te steken. Greet wil roken.
Maar wat betekent het dan als Greet zegt dat ze wil stoppen? Dat kan op drie manieren worden uitgelegd. (1) Het kan zo zijn dat Greet gewoon liegt. Ze zegt dat ze wil stoppen, terwijl ze, zoals uit haar gedrag blijkt, helemaal niet wil stoppen. (2) Greet kan een nogal groot gebrek aan zelfkennis hebben. Ze zegt dat ze wil stoppen, maar ze heeft niet door dat ze dat helemaal niet wil. (3) Greet liegt niet, en heeft geen gebrek aan zelfkennis, maar wil gewoon graag zeggen dat ze wil stoppen met roken. Mensen reageren namelijk erg positief als Greet dat zegt. In dit laatste geval wil Greet roken en daarnaast wil ze zeggen dat ze wil stoppen met roken.
Mijn voorkeur gaat uit naar de laatste mogelijkheid, al heeft de verklaring van een domme Greet (2) ook wel wat, en is zelfs Greet als leugenaar (1) niet zomaar uit te sluiten. Ik kies 3 omdat de uitspraken dat Greet wil roken én dat ze wil zeggen dat ze wil stoppen met roken, een voortreffelijke voorspellende waarde hebben. Je hoeft geen helderziende te zijn om op basis van 3 af te leiden dat Greet op het volgende verjaardagsfeest samen met de andere rokers in de tuin zal staan te paffen, om daarna onder het naar binnenlopen tegen de gastheer te zeggen: “Binnenkort ga ik echt stoppen”. Dit gedrag volgt keurig uit 3.
Bestaat akrasia? Speelt het bij Greet een rol? Nee, want Greet doet precies wat ze wil, roken en zeggen dat ze wil stoppen met roken. Ik denk dat alle gevallen van akrasia op deze manier geherformuleerd kunnen worden. Van akrasia is slechts sprake als we er vanuit gaan dat de wil een faculteit van de geest of een module in het brein is. Maar als we daar vanuit gaan verzinken we spoorslags in een nog veel groter en dieper moeras van filosofische gedachtespinsels. Het is beter te zwijgen over dat wat we praktisch gezien toch niet nodig hebben.

zondag 10 januari 2010

De genialiteit van Descartes

Organismen gaan vooraf aan zenuwstelsels. Dit lijkt een open deur, zeker na een jaar vol lezingen over evolutie, maar niets is minder waar. In veel hedendaagse neurologische (en neuro-filosofische of neuro-psychologische) geschriften is het eerder andersom. Daarin staat het lichaam ten dienste van de hersenen. De hersenen bedenken of berekenen wat er moet gebeuren, waarna een signaal aan het lichaam wordt gegeven om een en ander uit te voeren. En ook andersom. Signalen van de zintuigen en propriocepsis zijn er om de hersenen te informeren. Zeker als het mensen betreft wordt er geschreven alsof het belangrijkste element van het leven zich tussen de oren bevindt. De hersenen staan centraal.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat René Descartes de filosoof is die het meest als kop van jut wordt gebruikt. Descartes bracht een scherp onderscheid aan tussen lichaam en geest. Ze behoorden in zijn filosofie tot verschillende werelden. Slechts op één oneindig klein punt ergens diep in de hersenen raakten lichaam en geest elkaar. Als opwarming of vingeroefening beginnen veel schrijvers daarom met het verwerpen van dit ridicule uitgangspunt, deze vergissing van Descartes. Niemand, een paar religieuze fanatici daargelaten, gelooft nog in een apart Rijk van de Geest. De geest bevindt zich in de hersenen, en hersenen zijn net zo materieel als het lichaam.
De ironie van deze potsierlijke verwerpingen is dat hiermee het sterkste inzicht van Descartes terzijde wordt geschoven. Volgens Descartes was het namelijk onzin om te zeggen dat de menselijke geest zetelt in de hersenen, omdat geest, denken of bewustzijn niet gelokaliseerd kunnen worden zoals een hart, nieren, lever, of hersenen. De methoden en technieken waarmee we natuurwetenschappelijke verschijnselen bestuderen zijn niet geschikt om geestesverschijnselen aan onderzoek te onderwerpen. Hiermee nam Descartes afstand van het middeleeuwse, maar nog immer populaire idee dat geesten zich ergens bevinden, zich kunnen verplaatsen (rondspoken) of een andere vorm aan kunnen nemen. Materie is te lokaliseren, kan op andere plaatsen terecht komen en andere vormen aannemen. Geest niet. Dat inzicht van Descartes zouden we moeten koesteren.
Maar dat doen we niet. Twee gedachte-experimenten uit de afgelopen decennia laten zien dat we de menselijke geest zonder aarzelen vereenzelvigen met de hersenen. Ik zal ze hier bespreken om u te laten voelen hoe stevig het precartesiaanse idee van een lokaliseerbare geest in ons denken is geworteld.

Het eerste gedachte-experiment is dat van de hersentransplantatie. Stel, ’s nachts, zonder dat u het merkt, worden uw hersenen verwijderd en overgeplant in een ander lichaam. In films is dat, om het geheel nog wat dramatischer te maken, altijd een lichaam van het andere geslacht. Zenuwbanen worden keurig aangesloten. Dan ontwaakt u. Wat ervaart u? Schrikt u, omdat u wakker wordt in een ander lichaam, een lichaam dat u volkomen vreemd is? Een heftige en verwarde paniek: “Deze geslachtsorganen zijn niet van mij!”? Als we populaire films mogen geloven is dit precies wat er zou gebeuren. Maar is het beeld dat deze films geven wel juist? Stel dat inderdaad de zenuwbanen keurig zijn aangesloten. Zou het effect dan niet veel milder kunnen zijn? U bekijkt uw handen, raakt uw gezicht aan, en stelt vast dat het anders is dan u zich meent te herinneren, maar tegelijkertijd voelt het zeer vertrouwd. En omdat het zo vertrouwd voelt, twijfelt u aan uw geheugen, en niet aan uw lichaam. Is dit scenario niet minstens zo waarschijnlijk?

Het andere gedachte-experiment is dat van een brein in een vat. Stel, uw brein drijft in een vat met een voedende zoutoplossing. De bloedtoevoer en -afvoer is geregeld middels een speciaal aangepaste hart-longmachine. De zenuwbanen die uw brein binnenkomen en verlaten zijn aangesloten op een computer waarop een programma draait dat de wereld simuleert. Althans, dat computerprogramma geeft uw zenuwbanen dezelfde input die ze zouden krijgen als u tegen de harde koude wind in door de sneeuw zou fietsen, de koptelefoon van uw mobieltje in uw oren, om te luisteren naar het verslag van de laatste ritten op de vijf kilometer. Ervaart u op dat moment hetzelfde als wat u zou ervaren als u daadwerkelijk op de fiets zou zitten? Voelt u de koude wind uw, niet bestaande, gezicht teisteren? Of gebeurt er iets heel anders, en voelt u niets? Meent u op een vage manier te weten dat u op de fiets zit, zonder dat u het gevoel heeft op de fiets te zitten? Is uw ervaring vergelijkbaar mijn ervaring van het feit dat ik mij met een duizelingwekkende vaart in een slingerbaan rond de zon beweeg, meer een weten dan een voelen? Dooft uw bewustzijn uit, en blijft er iets ongrijpbaars over wat we voor het gemak maar aanduiden als cognitie, een mogelijkheid om correcte antwoorden te geven op vragen van verbijsterde omstanders?
Onze intuïties over hersentransplantaties en breinen in vaten laten zien dat we het bewustzijn al te gemakkelijk lokaliseren. De praktijk is namelijk weerbarstiger. In de praktijk vallen hersenen en bewustzijn niet zomaar samen.

Er zijn gevallen bekend van mensen waarbij pas op latere leeftijd werd ontdekt dat ze slechts beschikken over één hersenhelft (hemisfeer). In de daaraan voorafgaande jaren klaagde noch de persoon zelf, noch de omgeving over een half bewustzijn. En zelfs als een hersenhelft op latere leeftijd wordt verwijderd (hemisfeerectomie), lijken de gevolgen voor het bewustzijn minimaal of zelfs helemaal afwezig. Neurochirurg John Freeman van de John Hopkins Universiteit in de Verenigde Staten voert deze operatie in zeldzame gevallen uit, om de nog ernstigere gevolgen van steeds terugkerende epilepsieaanvallen te voorkomen. In de Scientific American verklaart hij dat onderzoek laat zien dat kinderen die een hemisfeerectomie hebben ondergaan zelfs beter gaan presteren op school doordat de epilepsieaanvallen uitblijven. “De een werd bowlingkampioen van haar klas, een ander schaakkampioen van zijn staat, en nog weer anderen doen het prima binnen het onderwijs,” aldus Freeman.
Natuurlijk heeft de operatie ook nadelen: “Je kan lopen, rennen – sommigen zelfs dansen of springen – maar het gebruik van de hand die bij de verwijderde hemisfeer hoort gaat verloren. De arm functioneert nauwelijks en je verliest het blikveld aan die kant.” Maar met die nadelen valt leven als het alternatief iedere tien minuten een epileptische aanval is. Een moeder vertelt in The New Yorker: “Mijn zoon onderging een hemisfeerectomie bij Dr. Mathern van UCLA toen hij acht jaar oud was, en hij doet het wonderbaarlijk goed… Hij is nu zestien, is een gemiddelde leerling en zit in het tennisteam van zijn school… Hij heeft een geweldige persoonlijkheid en het lijkt echt beter met hem te gaan sinds de operatie.”
Als het mogelijk is om een hemisfeer operatief te verwijderen zonder dat daarmee denken en bewustzijn verdwijnt, wat wordt er dan bedoeld als we zeggen dat het bewustzijn zetelt in de hersenen? Waarom zetten we de hersenen dan zo centraal bij het denken over bewustzijn? Wellicht omdat we dachten dat Descartes er naast zat toen hij schreef dat lichaam en geest twee verschillende substanties zijn? En omdat we daarna bedachten dat er slechts één substantie is, materie. En we dus de conclusie trokken dat geest ook materie moet zijn. En waar anders kan de geest zitten dan in de hersenen? Was dat een vergissing van Descartes alleen? Of vergissen wij ons ook, als ons gevoel zegt dat onze hersenen vooraf gaan aan het lichaam, het organisme?
Waarom verbazen we ons zo over de plasticiteit van hersenen? Zouden we ons niet veel eerder moeten verbazen over de plasticiteit van ons lichaam, dat kennelijk ook bewustzijn kan voortbrengen met een minimum aan neuraal weefsel?


• Voor de volledigheid hier de tekst die staat bij de onderste foto:

Clinical Picture
The Lancet, 359, February 6, 2002
Half a brain
Johannes Borgstein
Caroline Grootendorst
This 7-year-old girl had a hemispherectomy at the age of 3 for Rasmussen syndrome (chronic focal encephalitis). Intractable epilepsy had already led to right-sided hemiplegia and severe regression of language skills. Though the dominant hemisphere was removed, with its language centres and the motor control for the left side of her body, the child is fully bilingual in Turkish and Dutch, while even her hemiplegia has partially recovered and is only noticeable by a slight spasticity of her left arm and leg. She leads an otherwise normal life.
University Hospital Rotterdam, 3015 GL Rotterdam, Netherlands


• Teksten waarnaar verwezen is, en om verder te lezen:

The New Yorker: The Deepest Cut

zondag 25 oktober 2009

Drie experimenten voor Victor Lamme (als hij durft)


Wat bewustzijn betreft ben ik een externalist. Dat wil zeggen, ik ben van mening dat de fysische processen waarop bewustzijn berust zich deels buiten het hoofd (of de hersenen, kies maar) bevinden. Hersenweefsel is beslist een noodzakelijke, maar tegelijkertijd geen voldoende voorwaarde voor bewustzijn. Met andere woorden, een organisme moet tenminste een centraal zenuwstelsel gekoppeld aan zintuigen bezitten om de wereld bewust te ervaren, maar dat is op zichzelf niet voldoende voor bewustzijn. Volgens externalisten zoals ik moet dit centrale zenuwstelsel zijn geplaatst in een lichaam dat op zijn beurt geplaatst is in een omgeving. Een brein in een vat, hoe intelligent aangesloten op een computer ook, zal nooit een bewustzijn krijgen.

Professor neurologie Victor Lamme zal het hartgrondig met mij oneens zijn. In zijn essay Towards a true neural stance on consciousness neemt hij een ongecompliceerde internalistische positie in: Bewustzijn is het gevolg van een neuronaal proces (en niets meer dan dat). Lamme ziet geen enkel alternatief voor zijn uitgangspunt:

Only by moving our notion of mind towards that of brain can progress be made.

Zelfs alternatieven voor zijn standpunt acht Lamme slechts mogelijk indien het neurale alternatieven zijn:

I do not claim that the neural definition of consciousness that I propose is ultimately correct. It is the approach that I advocate. Alternative neural definitions might be proposed.

Nu zou ik natuurlijk kunnen zeggen dat Lamme met zijn peperdure hersenscanapparatuur nogal bevooroordeeld aankijkt tegen de waarschijnlijk geheimzinnigste vraag uit de wetenschap. (Mijn filosofieprofessor noemde het altijd al de “ten million dollar question,” alhoewel ik mij afvraag of hij daarmee doelde op de noodzakelijke kosten ten einde een antwoord te formuleren.) Maar dat ga ik niet zeggen. Lamme is volkomen terecht internationaal gerenommeerd. Ik niet eens nationaal. Waarmee ik maar wil zeggen dat ik blind op Lamme afga voor zover het neurale mechanismen en processen betreft. Als ik met hem van mening verschil, dan gaat het over vragen met betrekking tot de interpretatie van neurale mechanismen en processen. Dus als hij zegt dat “recurrent processing (RP) is necessary for conscious experience is a view that is now being increasingly embraced,” en dat “RP is the key neural ingredient of consciousness” dan neem ik van hem aan dat RP een belangrijk neuronaal proces is dat wellicht met bewustzijn heeft te maken. Maar ik zou niet zo snel durven spreken van the key neural ingredient of consciousness.
Er is sprake van recurrent processing als diverse hersengebieden elkaar tegelijkertijd op een enigszins grote schaal onmiddellijk of via een omweg wederzijds activeren. Ik neem aan dat er een scherpere definitie is, maar die doet voor mijn betoog verder niet ter zake. Mijn punt is dat Lamme, door zich exclusief op de hersenen te richten, wel moet komen met een dergelijke opvatting. Er bestaat namelijk al langer consensus, onder filosofen, neurologen en neuropsychologen, over het feit dat bewustzijn niet gelokaliseerd is. Er is niet één bepaald hersengebied dat ten grondslag ligt aan bewustzijn. Dus als we bewustzijn in de hersenen willen aanwijzen dan zullen we ons moeten richten op processen, en niet op een gebied of een verzameling gebieden. Van daar is het een kleine stap naar de gedachte dat bewustzijn een veld van activiteit is waarbij diverse hersengebieden elkaar onderling activeren.
Maar stel nu dat we vanuit de tegenovergestelde richting vertrekken. Stel dat we vanuit het externalisme vertrekken, vanuit het idee dat het lichaam betrokken moet zijn bij bewustzijn. De prototypische bewuste ervaring voor externalisten is het orgasme. Dit geldt zeker voor externalisten die uit Groningen komen, want daar is met behulp van scans aangetoond dat een orgasme gepaard gaat met een afname van activiteit in de prefrontale hersenen. Fans van wurgseks wisten het al: minder zuurstof in de hersenen leidt tot een heftiger orgasme. Hoe kan dit? Hoe kan dit als Lamme gelijk heeft en verhoogde hersenactiviteit in de vorm van recurrent processing de grondslag vormt voor bewustzijn? Dat ik mijn orgasmen intensief bewust beleef is voor mij een intuïtief uitgangspunt waar nauwelijks aan valt te tornen.
Lamme:

We should be prepared, however, to abandon our traditional ideas about what consciousness is, and let the neuroscience argument have its way. Otherwise, it is useless to do any neuroscience on the topic at all.

Het Groningse onderzoek naar orgasmen laat zien dat een verhevigde ervaring niet gepaard hoeft te gaan met een verhevigde hersenactiviteit. Dat is tegen de traditionele ideeën in. En een prachtig voorbeeld, lijkt mij, van hoe de argumenten van neurowetenschap nuttig kunnen worden.
De vraag is nu hoe we dit kunnen gebruiken om Lammes ideeën te testen. Als externalist zou ik zeggen dat bij een orgasme lichamelijke en hormonale processen de heftige bewuste ervaring maken, en niet de neuronale. Lamme zal volhouden dat de lichamelijke signalen de neuronen moeten bereiken voordat we ze überhaupt bewust kunnen worden. Toch biedt het onderzoek naar orgasmen een aanknopingspunt voor een stevig wetenschappelijk principe: riskante hypothesen (en hypothesen rond bewustzijn zijn vooralsnog per definitie riskante hypothesen) worden sterker door ze op de proef te stellen, niet door ze als uitgangspunt te nemen. Lamme redeneert mijns inziens te snel de andere kant op:

If recurrent interactions of sufficient strength are demonstrated, it can be argued that the ‘inattentional’, ‘preconscious’ or ‘not reported’ still have the key neural signatures of what would otherwise be called conscious processing.

Ja, als we een onwankelbaar vertrouwen hebben in ‘recurrent interactions’ als basis voor bewustzijn, dan kunnen we inderdaad zeggen dat mensen er naast zitten als ze claimen zich ergens niet van bewust te zijn terwijl hun hersenen wel duidelijk recurrent processing te zien geven. Vooralsnog is het echter nog lang niet zover. En dus is een actief streven naar weerlegging verplicht. Ik stel daarom drie experimenten voor:

(1) Meet de RP hersenactiviteit tijdens orgasmen. Mijn voorspelling: hoe heviger het orgasme, hoe minder RP hersenactiviteit. (Deze proef zou het mooist zijn met personen die bedreven zijn in wurgseks. Het zou ook licht kunnen werpen op de mechanismen die mensen doen flauwvallen tijdens hun orgasme.)
(2) Leg mensen onder een scan terwijl ze pijnprikkels krijgen toegediend. Mijn voorspelling: Hoe heviger de pijn en de bewuste ervaring van pijn, hoe minder RP hersenactiviteit. Ik denk dat hier ook weer “de wet van het orgasme” zal gelden. Hevige pijn maakt RP hersenactiviteit eerder onmogelijk dan dat het dit zal stimuleren. In mijn geval legt de boor van de tandarts iedere andere activiteit plat, in combinatie met een sterk verhoogd bewustzijn.
(3) Laat goed getrainde topsprinters zich onder de scan concentreren op hun 100 meter. Ze krijgen een startschot te horen, moeten in gedachten de race lopen en op een knop drukken als ze in gedachten over de finish gaan. Mijn voorspelling: Hoe dichter hun geklokte tijd ligt bij de tijd die ze in het echt lopen, hoe bewuster de ervaring, hoe minder RP activiteit. De achtergrond van deze voorspelling is complexer dan bij de vorige twee experimenten. Goede hardlopers weten hun bewustzijn letterlijk te verleggen naar hun benen. Veel van de voor het lopen vereiste kennis zit bij getrainde lopers in de benen en niet in het hoofd. Ik hoop dus dat het de lopers in deze proefopstelling lukt deze kennis aan te spreken, en zo los te komen van interfererende RP’s in hun hersenen. Vandaar mijn criterium van de eindtijd. (Wellicht zijn hier overigens intelligentere proefopstellingen mogelijk.)

Als ik gelijk heb zal uit dit neurologisch onderzoek blijken dat only by moving our notion of mind away from the brain towards the body (and eventually the environment) can progress be made. Als ik in alle gevallen ongelijk heb dan zijn Lammes intuïties op een risicovolle manier bevestigd; de eerste Popperiaanse stap naar een volwassen theorie.
Vol verwachting kijk ik uit naar de resultaten.

maandag 8 september 2008

Dat kan beter

Zijn wetenschap en televisie met elkaar te verenigen? Is het mogelijk om een programma te maken dat voldoet aan de kijkcijferwensen van de omroepbazen en dat tegelijkertijd recht doet aan wetenschap? De tot nu toe gevonden oplossingen voor deze vraag zetten het spektakel centraal. In Mythbusters en Braniac wordt een jeugdig publiek aan de buis gebonden met snel gemonteerde beelden van ontploffingen, waanzinnige experimenten en flitsende vrouwen. Maar met iedere explosie wordt de wetenschappelijke inhoud verder ondermijnt. En hoe leuk de programma’s ook zijn om samen met je kinderen te kijken, mij bekruipt altijd de drang om alles van genuanceerder commentaar te voorzien.


Bezoek DAT KAN BETER!

Dat kan beter van de VPRO is een volgende en wat mij betreft betere poging tot kijkbuiswetenschap. In ieder geval verenigt de slogan van het programma televisie met wetenschappelijk positivisme: “Programma over de wens om alles beter te maken dan het is.” Die invalshoek is goed gekozen. Wetenschap krijgt vooral hoge kijkcijfers en een goede beoordeling op het moment dat haar vondsten de wereld beter maken dan ze is. En terecht, want wetenschap bedrijven puur om het weten leidt weliswaar tot een verrukkelijke verrijking van de geest, maar pas als wetenschappelijke resultaten kunnen worden omgezet in vermindering van ziekte en verbetering van levensomstandigheden mag wetenschap aanspraak maken op de financiële middelen van een maatschappij.
Catolijn Jonker, hoogleraar Kunstmatige Intelligentie, was in de eerste aflevering een schoolvoorbeeld van een briljant wetenschapper. Haar onderzoek richt zich op de mogelijkheden om het menselijk geheugen te verbeteren en uit te breiden. Ze vroeg zich daarbij niet af hoe ons geheugen precies werkt, maar vooral hoe het versterkt en uitgebreid kan worden met technologische middelen. Ze had naar mijn mening veel meer aan het woord moeten komen. Vooral omdat haar benadering goed aansluit bij het filosofisch externalisme.
Externalisme is het idee dat geestprocessen hun vorm krijgen door de interactie tussen het menselijke brein, lichaam en de omgeving waarin dat brein en lichaam zich bevinden. Het geheugen bevindt zich volgens het externalisme slechts voor een deel binnen ons schedeldak. De rest bevindt zich in het van het lichaam en daarbuiten. En het is de interactie tussen buitenwereld, lichaam en brein die bepaalt hoe herinneringen zich aan ons voordoen. Doordat Jonker zich richt op mogelijke externe uitbreidingen van het geheugen, en de manier waarop de interactie tussen mens en technologie plaatsvindt bestudeert zij het geheugen zoals een medicus het lichaam bestudeert, gericht op verbetering en daardoor inzicht krijgend in de werking.
Het contrast met Jaap Murre, hoogleraar Theoretische Neuropsychologie, was groot. Murre is dan ook een uitgesproken internalist:
“Waar zit het geheugen? Het geheugen zit in de hersenen. Mensen denken altijd dat het op bepaalde plekken zit. Maar het geheugen is eigenlijk verspreid in de netwerken tussen de zenuwcellen. Dus de zenuwcellen zijn met elkaar verbonden en die verbindingspunten vormen met elkaar grote netwerken en iedere geheugeninhoud zit in één zo’n netwerk.”
Laat ik, om het verschil tussen internalisme en externalisme duidelijk te maken, wat termen onderscheiden. Dat waarvan we ons bewust worden als we ons iets herinneren noem ik de herinnering. Alle fysieke componenten die aan de herinnering ten grondslag liggen noem ik het geheugen. Internalisten en externalisten zijn het over veel zaken eens. Zo gaat de discussie over de inhoud van de herinnering. De discussie gaat ook niet over de vraag of menselijke hersencellen noodzakelijk betrokken zijn bij menselijke herinneringen. Beiden zien hersencellen als onontbeerlijk. Alleen, volgens externalisten wordt de specifieke inhoud van een herinnering mede bepaald door andere fysieke componenten dan hersencellen. Met andere woorden, externalisten zeggen dat hersencellen een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het geheugen, maar geen voldoende voorwaarde. De herinnering is, net als andere geestelijke vermogens, voor haar werking en inhoud afhankelijk van de rest van het lichaam en de buitenwereld.
Laat ik mijn antwoord op de vraag “Waar was u toen u hoorde van de aanslagen op 11 september?” als voorbeeld nemen. De eerste keer dat ik deze vraag hoorde zat ik achter mijn laptop te kijken naar Uitzendinggemist.nl. Onmiddellijk zag ik mijzelf in mijn herinnering weer zitten op de bank tegenover de tv. Ik wist zelfs nog wat ik indertijd dacht: “Dit is het begin van iets vreselijks…” Maar toen ik het beeld van mijn geheugen overzag begonnen mij ongerijmdheden op te vallen. Ik zat in mijn herinnering in de kamer van het huis waar ik nu woon, maar daar woonde ik ten tijde van 9/11 niet. De tv in mijn herinnering was de tv die ik nu bezit, maar die bezat ik toen niet, of wel? En welke tv dan wel? De bank was ook de bank van nu, maar hadden we die toen al? Stukje bij beetje de- en reconstrueerde ik de eerste herinnering. Ik wiste in mijn gedachten locatie, meubels en kleuren, en verving ze door oudere exemplaren.
In dit voorbeeld komt de uiteindelijke herinnering tot stand door een complexe, gelaagde interactie van mijn brein met de huidige omgeving. In mijn oude woning met de oude meubels en apparaten had mijn herinnering er ongetwijfeld anders uitgezien. Toch zou een internalist kunnen volhouden dat de bewustzijnsinhoud afhangt van de activiteit van de hersencellen, en nergens anders van. Dat die activiteit in iedere omgeving verschillend is, zo argumenteert de internalist, is logisch, want de activiteit van hersencellen hangt nu eenmaal van de omgeving af. Externalisten zijn het hier mee eens, maar gaan een stap verder. De rol die de omgeving speelt verschilt niet principieel van de rol die hersencellen spelen. De fysieke interactie die mensen met hun omgeving hebben is net zo bepalend voor de inhoud van hun bewustzijn, als de interactie tussen verschillende gedeelten van de hersenen. De grens die internalisten rond het neurale weefsel trekken verleggen externalisten tot rond de aspecten van de omgeving waarmee een interactie mogelijk is.
Wellicht helpt het volgende voorbeeld. Stel, mijn herinnering over 11 september wordt gestuurd door een hersengebiedje waarvan de werking niet tot mijn bewustzijn doordringt, maar dat wel van invloed is op de inhoud ervan. Is dat gebiedje onderdeel van mijn geheugen? Uiteraard, daarover zijn internalisten en externalisten het eens. Echter, externalisten zien geen principieel verschil tussen dit gebiedje en aspecten in de buitenwereld die op het geheugen van invloed zijn. Dus mijn huidige woonomgeving die mijn herinneringen stuurt en vormgeeft is onderdeel van mijn geheugen. De fysieke interactie tussen hersengebieden verschilt in de ogen van externalisten niet principieel van de fysieke interactie die we met onze omgeving hebben. Het feit dat ik iedere dag in mijn huis rondloop, tv kijk en op de bank neerplof bepaalt mede de vorm van mijn herinneringen. Dat die invloed er is dringt niet tot mijn bewustzijn door, maar dat geldt ook voor zoveel processen in mijn hoofd. Freud had gelijk, al wees hij teveel naar binnen. Het onderbewuste bevindt zich voor een deel buiten mijn lijf, het buitenbewuste, zeg maar.
De les is dat de hersenen een uitermate belangrijk orgaan zijn, want zonder hersenen geen menselijk bewustzijn en geen menselijk geheugen. Maar, en let op dit maar, bij geheugen en bewustzijn komt meer kijken dan de hersenen. Net zoals hart en longen optimaal functioneren bij een bepaald zuurstof percentage en luchtdruk, zo functioneert het geheugen het best in een mnemonische milieu, een bepaald lijf in een bepaalde omgeving.
Desgevraagd schatte Murre de inhoud van het menselijk geheugen:
“Als je een deel van het geheugen omzet in bytes, kom je uit op duizend harde schijven van een moderne computer.”
Ik weet niet precies hoe het programma gemonteerd is, maar in de uitgezonden context is het natuurlijk een vreemde schatting. Wat is nu een byte in termen van hersencellen? Acht hersencellen? Acht verbindingen? Acht synapsen? En dan nog, wat stelt een byte voor? Dit is een prachtig voorbeeld van hoe de computermetafoor ons denken over de menselijke geest stuurt (ook een vorm van externalisme, overigens!). Hersenen zijn een onderdeel van het proces dat herinneringen produceert, een onderdeel en niet het hele proces.
Iets vergelijkbaars geldt voor het menselijk bewustzijn. Ook bewustzijn komt volgens externalisten niet tot stand door het brein alleen. Om de positie van externalisten te verduidelijken zal ik een extreme stelling innemen: Van de buitenwereld die we ervaren komt slechts een fractie in de hersenen binnen. Natuurlijk, het bewustzijn lijkt een imposante hoeveelheid informatie te bevatten, maar niets is minder waar. Dit wordt mooi geïllustreerd door de volgende twee video's rond change blindness:

Change Blindness; you cannot be aware of everything




We denken dat we alles zien, maar we zien niet alles. We hoeven ook niet alles te zien. Zolang de wereld er is kunnen we steeds bij de benodigde informatie komen. We slaan niets intern op, maar scannen met onze zintuigen desgewenst de omgeving af. Ons brein is geëvolueerd in een omgeving die in de belangrijkste opzichten stabiel was, en dus als basis voor het bewustzijn dienst kon doen. De vraag hoe wij ons aan de omgeving koppelen is daarom vele malen interessanter dan de vraag hoe de hersenen een mooi product afleveren. Murre:
“Je moet je voorstellen, je hebt die miljarden cellen die staan te vuren. Dat is een enorme chaos in feite. En het is dus prachtig dat bewustzijn, wat we eigenlijk meemaken, daar behoorlijk veel structuur in weet aan te brengen. Het lijkt wel erg, maar als je ziet hoeveel erger het is in de hersenen. De hersenen leveren uiteindelijk een heel mooi product af waar we ons dan bewust van zijn en waar we dan ook nog wat over kunnen zeggen.”
Het tegenovergestelde is waar. De hersenen doen bijna niets. De buitenwereld is stabiel, en daardoor is ons bewustzijn stabiel. Als het te druk wordt in je geest zoek dan structuur in de buitenwereld, is een goed advies. Begin met het opruimen van de kamer.
Daarom is de onderzoeksvraag van Catolijn Jonker zo interessant. Hoe verloopt de interactie tussen ons brein en de buitenwereld? Hoe moet een apparaat eruit zien dat ons geheugen versterkt? Kunnen we ons direct koppelen aan een encyclopedie, aan Wikipedia? Hoe sluiten we een gehoorapparaat aan op de gehoorzenuw? Hoe kan technologie onze omgang met de sociale wereld verrijken? Het onderzoek naar dergelijke vragen zal meer aan het licht brengen dan rechtstreeks onderzoek aan de binnenwereld, ook al wordt dat laatste ondersteunt door steeds betere hersenscans. Dat is de belofte van het externalisme.
Daarom is Dat kan beter een prachtige titel voor een wetenschapsprogramma. Zeker voor de menselijke geest geldt dat door onderzoek naar hoe het beter kan, wordt blootgelegd hoe het zit. Kijken dus!

Televisie uitzending
Dat kan beter

maandag 5 mei 2008

Buiten kan buiten blijven

René Descartes (1596-1650) is momenteel de kop-van-jut van de wijsbegeerte. Ook ik mag hem graag gebruiken als eenvoudig te verwerpen startlocatie. Daniel Dennett voert hem in Consciousness Explained op als geestelijke vader van het Cartesiaans theater. Dat theater is een model voor ons bewustzijn. De buitenwereld komt via de ogen in onze hersenen binnen, en wordt daar afgebeeld. Daarna neemt een geestesoog de afgebeelde buitenwereld waar. Het geestesoog kijkt aldus naar een schouwspel dat de afbeelding is van de buitenwereld: het Cartesiaans theater.
Dit idee kan niet kloppen, zo zet Dennett uitvoerig uiteen. Want hoe neemt het geestesoog dan weer waar? Zit daar ook weer een Cartesiaans theater in met een geestesoog, maar nu kleiner? En in dat kleinere geestesoog, wat zit daar dan weer in? Enzovoort, ad infinitum. Dennett zegt terecht dat het model van Descartes geen oplossing kan zijn voor de vraag hoe we waarnemen, of de vraag hoe bewustzijn gestalte krijgt. En toch bepaalt Descartes nog steeds de wijze waarop we tegen bewustzijn aankijken. (Dit blijkt ook uit de reacties op De armoede van een brein in een vat, zie dit blog op 2 mei 2008.) Het idee dat de buitenwereld naar binnen moet komen om er een oordeel over te kunnen vellen, of om er bewust van te kunnen zijn, is diep verankerd in onze intuïtieve notie van bewustzijn.
In de afgelopen vierhonderd jaar zijn er veel alternatieven voor het Cartesiaans theater geformuleerd, ondermeer door Dennett zelf, zijn multiple drafts model. Toch gaat met veel van deze alternatieven het aantrekkelijke, intuïtieve idee van Descartes’ model verloren. Een geestesoog dat naar een voorstelling kijkt voelt vertrouwd aan. Wat deed Descartes dan fout? Volgens externalisten niet zoveel. Eigenlijk de enige fout die hij maakte was dat hij naast het gewone oog nog een geestesoog postuleerde dat naar een representatie van de buitenwereld in het brein kijkt. Maar de buitenwereld hoeft helemaal niet in het brein te worden gerepresenteerd! Er is immers al een oog dat naar de buitenwereld kijkt!
Dit laatste is de lastige denkstap van internalisme naar externalisme. De buitenwereld kan volgens externalisten rustig buiten blijven. Neem ter illustratie als uitgangspunt het aloude denken in termen van representaties: De buitenwereld valt op het netvlies. Via de oogzenuwen ontvangen de hersenen informatie aan de hand waarvan een representatie van de buitenwereld wordt gevormd. Die representatie is de basis voor verdere analyses, oordelen en handelingen. Externalisten, nu, zien deze stappen als een overbodige verdubbeling. Waarom zou er in de hersenen een representatie aanwezig moeten zijn van de buitenwereld die vervolgens de basis vormt voor oordelen en acties? Waarom kunnen die oordelen en acties niet direct worden gevormd op basis van de buitenwereld? Waarom zou Moeder Natuur kostbaar hersenweefsel gebruiken voor een representatie van de buitenwereld, terwijl de buitenwereld voorhanden is? (Het is in ieder geval geen intelligent design!)
In het externalisme neemt de buitenwereld de plaats in van haar eigen representatie, en onze ogen en hersenen nemen de plaats in van het geestesoog. Het Cartesiaanse model was niet fout, de lokalisatie van dat model was fout. De ogen/oren/neus/mond/tast in combinatie met de hersenen vormen oordelen, en reageren op de buitenwereld, direct, zonder bemiddeling van een innerlijk beeld, een representatie. Zolang de zintuigen de buitenwereld kunnen aftasten, hoeft deze niet binnen te komen om te kunnen worden beschouwd.
Dus wat bij Descartes het interne beeld en het geestesoog waren, of representatie en oordeelsvorming, dat zijn bij de externalisten de buitenwereld en de zintuigen in combinatie met de daarmee verbonden hersenen. En zoals het bewustzijn volgens het Cartesianisme het resultaat is van projectie en geestesoog, of representatie en oordeelsvorming, zo is bij externalisten het bewustzijn het resultaat van buitenwereld en zintuigen/hersenen. En wat bij Descartes onderdelen van het brein waren, worden in de theorie van externalisten onderdelen van het brein, zintuigen en buitenwereld. De zintuigen en het brein zijn het apparaat waarmee de buitenwereld wordt gescand. Bewustzijn van de buitenwereld is bij het externalisme het middels de zintuigen koppelen van het brein aan de buitenwereld. Zonder de buitenwereld zal het bewustzijn altijd anders van vorm zijn, omdat de hersenen nu eenmaal geen afbeelding van de buitenwereld maken of toegespeeld krijgen. De zenuwbanen die de ogen verlaten bevatten te weinig informatie voor een volledig beeld van de omgeving. Het oog en de overige zintuigen pikken op wat de oordeelsvorming nodig heeft, meer niet.
Kijk op van uw computerscherm, en kijk de kamer rond. Doe nu uw ogen dicht, en probeer de kamer voor uw geestesoog te halen. Wat ziet u? Open uw ogen weer. Veranderde uw bewustzijn? Zou een uiterst geraffineerd computerprogramma aangesloten op uw oogzenuwen een beeld geven dat lijkt op het beeld met uw ogen dicht of dat lijkt op het beeld met uw ogen open? Als u denkt dat het beeld lijkt op het beeld met uw ogen open, dan bent u een internalist, en waarschijnlijk een Cartesiaans internalist. Als u zich ook goed het tegenovergestelde kunt voorstellen, dan begint u het externalisme te doorzien.

maandag 28 april 2008

Twist, thee en taart

De afgelopen week heeft mijn oudste zoon stage gelopen bij de lekkerste bakker van Zuidlaren, Hovius. Op zijn laatste stagedag heeft hij een prachtige taart gemaakt om mee naar huis te nemen. Vanmiddag heb ik mijn stuk genomen, en op een mooi bord gezet. Ik had een pot van mijn favoriete thee gezet, Tarry Melange van Simon Levelt, en er een hete kop van in mijn favoriete mok geschonken. Het was heerlijk warm weer, de zon scheen zacht glanzend mijn huid. Op de akker achter mijn huis was het eerste groen op de zwarte omgeploegde en ingezaaide aarde verschenen. Ik zette de taart en de thee op tafel en klapte de tuinstoel uit in de zon, zodat ik uitkeek over de landerijen. Daarna ging ik zitten met Oliver Twist in mijn hand. Twee uur lang heb ik daar gezeten. Afwisselend genietend van Dickens, taart, thee, zon en uitzicht. Die genietingen en de gedachten die daarbij hoorden liepen door elkaar, en op een onvoorspelbare wijze in elkaar over…
Zal ik ooit deze zelfde ervaring opnieuw kunnen krijgen? En dan niet een ervaring die er op lijkt, maar precies deze ene ervaring, zoals ik die vanochtend voelde.
“Hoe snel zal het B-woord gaan vallen?” vroeg ik mij na de lezing van Peter Hagoort in De Balie af (zie dit blog op 23 en 25 april). Voor mijn Angelsaksische filosofiezusters en –broeders is het natuurlijk het C-woord. Al bij de tweede vraag was het raak: “Wat vertellen die scans nu over het bewustzijn?” en daarna een uitweiding over Zenmeesters die hun hersenactiviteit met meditatie wisten te veranderen. Hagoort reageerde bijna laconiek: “Als je tijdens meditatie in een andere bewustzijnstoestand komt, dan is dat op een scan te zien.”
Twintig jaar geleden was het menselijk bewustzijn nog taboe. Natuurlijk mocht wel worden gezegd dat wij een bewustzijn hebben, en dat het bewustzijn bijzonder is. En er mocht vooral worden gezegd dat het bewustzijn aan iedere vorm wetenschappelijke bestudering ontsnapt. Want hoe kan de mens zijn bewustzijn bestuderen zonder er afstand van te nemen, en dus een nieuwe vorm van bewustzijn te creëren? En meer van dergelijke paradoxale raadsels. Maar inmiddels is het dan toch zover. Schoorvoetend, Daniel Dennetts Consciousness Explained was wat prematuur, begeven enkele filosofen en neurobiologen zich op het onderzoekspad in de richting van bewustzijn.
Eerlijk gezegd bevindt een deugdelijke theorie over bewustzijn zich nog ver achter de horizon, en weten we niet eens in welke richting we het moeten zoeken. Het favoriete werkterrein voor filosofen, zeg maar. Op een dergelijk terrein valt er niet veel meer te doen dan zo goed en ver mogelijk in een richting te kijken om te zien of we het daar eventueel zouden kunnen gaan zoeken. Is bewustzijn een talig verschijnsel, of visueel, of een mengvorm? Wat is het verschil tussen ‘awareness’ en ‘consciousness’? Wat heeft bewustzijn met qualia te maken? En wat is de relatie met het eerste persoonsperspectief? Welke hersengebieden zijn betrokken bij bewustzijn? Heeft het bewustzijn een plek? En, de vraag waar ik nu iets over ga zeggen, waar bevinden de bij het bewustzijn betrokken processen zich?
Laten we eens aannemen dat het bewustzijnsproces zich ergens in de hersenen bevindt, dat er hersengebieden zijn die als de neuronen daarin gaan vuren zorgen voor bepaalde bewustzijnservaringen. Hoe die neuronale activiteit tot stand komt doet er nu niet toe. Zodra die hersengebieden zijn geactiveerd, manifesteert het bewustzijn zich op bijbehorende wijze.
Als dat zo is, kan ik mijn ervaring van vanochtend herleven! Niet letterlijk, dat wil zeggen niet met alle uiterlijke omstandigheden, maar in ieder geval de bewuste ervaring die ik erbij had. En daar gaat het toch om? Als mijn hersenen maar weer in de stand gezet kunnen worden van vanochtend. En dat zou prettig zijn, want vanochtend voelde prettig. Een zoon die voor het eerst stage heeft gelopen, zijn trotse blik bij de taart in mijn gedachten, de taart op het mooie bord, de smaak van Tarry Melange, voor het eerst Oliver Twist en de eerste echt warme dag van het jaar. Zou dat kunnen? Als de bewuste ervaring een gevolg is van activiteit in mijn hersenen, en van niets meer dan dat, dan wel. Het enige wat ik dan hoef te doen is een bekwaam neuroloog vinden die met elektrodes, magnetische velden, of weet ik veel wat, mijn brein weer in die toestand brengt. Dat valt niet mee uiteraard, maar het idee dat het in principe kan is opwindend.
Maar klopt deze gedachte wel? Bevinden alle voor mijn bewustzijn relevante processen zich in mijn hoofd, in mijn brein? Is de aanwezigheid van de externe, fysieke omstandigheden waarin ik mij vanochtend bevond, het liefst compleet met de geschiedenis van die omstandigheden erbij, niet noodzakelijk voor het herbeleven van die ervaring? Kan ik ooit het bewustzijn van dat moment terugkrijgen zonder die omstandigheden? Als brein in een vat, de binnenkomende zenuwbanen aangesloten op een reusachtige computer waarop een stageloop-Tarry-Dickens-zon-etcetera-simulatieprogramma draait?

donderdag 3 april 2008

Een mooi verhaal in twee helften (1)

We weten niet waarom we dingen doen. We weten niet waardoor we op bepaalde gedachten komen. De mythe van een geest, de mythe van een binnenwereld waarin de motieven en aanleidingen voor ons handelen ons duidelijk voor ogen liggen is precies dat, een mythe.
In de wetenschapsfilosofie maakte Hans Reichenbach een fraai onderscheid tussen “the context of discovery” en “the context of justification”.* De wijze waarop ontdekkingen worden gedaan, de wijze waarop experimenten worden bedacht en nieuwe theorieën het licht zien, verschilt van de wijze waarop deze ontdekkingen, experimenten en theorieën kunnen worden gerechtvaardigd tegenover de rest van de mensheid. Hetzelfde geldt voor veel van onze woorden en handelingen. Hoe onze woorden en handelingen tot stand komen weten we niet. Maar we zijn specialisten in het rechtvaardigen van die handelingen in een sociale context.
Volgens neurologen zoals Michael Gazzaniga en Vilayanur Ramachandran hebben we zelfs een gebied in onze linker hersenhelft dat gespecialiseerd is in het geven van rechtvaardigingen. Gazzaniga verhaalt van een proef waarbij iemand waarvan de hersenhelften van elkaar gescheiden zijn (een ‘spilt-brain’ patiënt) plaatjes krijgt te zien. Een plaatje van een kippenpoot wordt uitsluitend aan de linker helft getoond (via het rechteroog) en een plaatje van een sneeuwlandschap uitsluitend aan de rechterhelft (via het linkeroog). Daarna krijgt de patiënt een rij plaatjes te zien waaruit hij een keuze moet maken die het best past bij wat hij even daarvoor heeft gezien. De patiënt kiest met zijn linkerhand de sneeuwschep, en met zijn rechterhand de kip. Tot zover is er niet veel bijzonders aan de hand. Het wordt verwonderlijk als de patiënt gevraagd wordt waarom hij juist deze plaatjes heeft gekozen: “Oh, heel eenvoudig. De kippenpoot past bij de kip, en je hebt een schep nodig om het kippenhok schoon te maken!”
Zijn linkerhersenhelft kon niet weten waarom de rechterhelft iets gedaan had, dus hij kletst maar wat? Als zijn hersenhelften met elkaar verbonden waren was het niet gebeurd? Dit laatste is zeker waar. Als de hersenbalk (corpus callosum) nog in intact was geweest dan was het antwoord “Om de sneeuw op te ruimen!” geweest. Wat het experiment aangeeft is dat wij bijzonder goed zijn in het geven van een rechtvaardiging voor ons gedrag, ook al ontgaan ons de diepere drijfveren. Dat het gebied aan de linkerkant zit is derhalve niet zo verwonderlijk. Vlakbij het taalcentrum dat zoveel van het sociaal verkeer regelt tussen ons en onze soortgenoten. Wat het experiment verder aangeeft is dat dit gebied ook niet weet waardoor onze handelingen tot stand zijn gekomen. Waarom komt het gebied niet met de volgende verklaring: “Kijk, ik heb geen idee waarom ik de schep koos – mijn hersenhelften liggen los van elkaar, weet je nog? Je weet dat ik niet kan vertellen waarom ik de schep koos. Hou toch eens op met die stomme vragen.” **
Het idee dat wij een innerlijk oog bezitten, dat er een gebied in de hersenen zit dat kan zien wat er in de rest van de hersenen gebeurt, is een populaire moderne denkfout. Dus niemand zal het zo zeggen. Gezwets over een innerlijk oog wordt omgezet in informatiestromen, impulsen, symbolen, concepten, ideeën, gedachten en introspectie. Allemaal gerealiseerd in neurologisch weefsel natuurlijk, anders is het niet echt. Het blijft gezwets. Ons brein is een orgaan dat bestemd is voor interactie met de buitenwereld. Daarvoor is een omvangrijke binnenwereld overbodig, zelfs een last. Evolutie bevoordeelt dieren met breinen die gericht zijn op de motieven van een ander om te paren, boven dieren die perfect inzicht hebben in hun eigen paringsdrang. Het is in veel opzichten beter om te weten wat er zich buiten je brein afspeelt, dan je te richten op je binnenwereld.
We kennen onszelf net zoals we anderen kennen: door ons eigen gedrag te observeren. We leren van de mensen om ons heen hoe we dat gedrag kunnen rechtvaardigen. En als ons niets redelijks te binnen schiet roepen we “Sorry, slip of the tongue” of “Zo had ik het niet bedoeld.” En we lachen heel hard om onze eigen spontane grappen die we net als de omstanders voor het eerst horen.
Ik zal het bovenstaande nog eens overlezen om te kijken of het voor u door de beugel kan.


* Hans Reichenbach, The Rise of Scientific Philosophy, 195, University of California Press, California, p. 231.
** Michael S. Gazzaniga, The Mind's Past, 1998, University of California Press, California, pp. 24-25.

vrijdag 28 maart 2008

Een elektrode voor geluk

Ik kom net onder de douche vandaan. Dat is voor mij een van de meest gelukzalige momenten van de dag. En als ik er echt van wil genieten ga ik eerst een rondje hardlopen. Daarna stap ik dan onder de douche. Een grote douche, met heel veel water, en een geiser die ik weet niet hoeveel liter warm water per minuut levert zodat ik nooit het gevoel heb dat er ergens een koud straaltje tussen zit. En ik douche lang, heel lang, want dat gelukzalige gevoel wil ik vasthouden. Liters drinkwater, heel veel gas, op jaarbasis een belachelijke verspilling en veel te hoge emissie voor het dagelijkse genotskwartiertje van een filosoof. Houdt dit beeld even vast.
Gisteravond was in De Wereld Draait Door een neuropsychiater te gast. Damiaan Denys is gespecialiseerd in de behandeling van dwangneurosen. Hij behoort, zoals Matthijs van Nieuwkerk zei, tot de voorhoede van het wetenschappelijke onderzoek op dit gebied. Denys behandelt dwangneurosen door een elektrode in te brengen in het hersengebied dat voor de dwanghandelingen verantwoordelijk is. Onder de schedel wordt een batterij geplaatst die de elektrode van stroom voorziet. De elektrische activiteit van de elektrode zorgt ervoor dat de activiteit in het hersengebied verandert waardoor de dwanghandelingen sterk afnemen.
"De eerste resultaten waren," zo sprak Denys, "hoopvol." En Denys verhaalde uiteraard over patiënten die nu slechts een of anderhalf uur per dag verloren aan hun dwangneurose, tegenover soms wel tien uur voor de operatie. Het levensgeluk van deze mensen, die in de reguliere psychiatrie waren uitbehandeld, nam zienderogen toe. Prachtig. Een ieder die genot hoog in het vaandel heeft staan, kan niet anders dan dergelijk onderzoek toejuichen.
Toch was Denys niet onverdeeld gelukkig met de resultaten. Bij een meisje had de behandeling geen effect. Dat wil zeggen, geen effect op haar dwanghandelingen. Het meisje voelde zich echter wel gelukkiger dan voor die tijd, ze was gewoon blij! “Toen,” sprak Denys, “hebben we gezegd, we gaan toch een ethisch standpunt innemen.” En hij en zijn team besloten de elektrode weer te verwijderen, omdat “wij als psychiater niet gemaakt zijn om u gelukkiger te maken, wij zijn er om u van uw klachten af te helpen. Dus wat gaan we doen? We gaan het uitzetten, en we zoeken een ander proces om toch die klachten trachten te doen afnemen.”
De uitspraak “we gaan een ethisch standpunt innemen” kan twee dingen betekenen. Ten eerste kan het betekenen dat er een standpunt moest worden ingenomen van ethische aard, een standpunt dat betrekking had op het goede leven. Ten tweede kan de uitspraak betekenen dat een ethisch correct standpunt moest worden ingenomen. Denys heeft een standpunt ingenomen over het goede leven van zijn patiënte, maar de grote vraag is of het een correct standpunt is.
Waarom zou je een elektrode die iemand gelukkiger maakt verwijderen? We koppelen ons voortdurend aan apparaten die ons prettiger doen voelen. Auto’s, horloges, televisies, golfclubs, laptops, boeken, senseo’s en mobiele telefoons prikkelen onze genotcentra en maken het leven een stuk aangenamer. En nu is er een apparaat dat onder onze schedel zit en ons gelukkiger maakt, en dan mag het niet?! Wat voor ethische theorie heeft Denys tevoorschijn gehaald om zijn standpunt te rechtvaardigen? In ieder geval niet het utilisme. In ieder geval geen theorie die zegt dat het je menselijke taak is om te genieten en te laten genieten.
Haal nu het beeld van de douchende filosoof even terug. Stel dat een elektrode hetzelfde effect zou hebben als mijn doucheritueel, maar voor nog geen 1 procent van de emissie (en stel ook dat u er van overtuigd bent dat verlaging van emissie essentieel is voor het geluk van toekomstige generaties). Moet Denys bij mij een elektrode plaatsen?
Natuurlijk moet hij die plaatsen. Een lange warme douche is een hopeloos verouderd, vervuilend ritueel uit een tijdsgewricht waarin men de hersenen een mythische status gaf als zetel van de ziel, geest en persoonlijkheid. Terwijl wij allang weten dat de hersenen een doodnormaal orgaan zijn, waar een hoop vreugde, genot en geluk aan te beleven is. Dus plaatsen die elektrode! Misschien moet Denys in dat magnifieke orgaan van mij zelfs twee elektroden plaatsen, als daarmee het genotseffect verdubbeld wordt, met zo’n batterij uit een roze konijntje dat heel lang en gelukzalig neurotisch doortrommelt.

De uitzending van De Wereld Draait Door is te zien op: