Hij lag op de grond. Verloren. Uit de handjes gegleden van een in slaap dommelende kleuter achterop de fiets of in een kinderwagen. Ik pakte hem op en zette hem op een paaltje. Zo zou zijn panisch zoekende adoptief mamaatje of papaatje hem gemakkelijk zien. De volgende dag zat hij nog op het paaltje, schuin te staren naar de weg. Ik zette hem rechtop, en sprak hem moed in: “Ze komen zo…” Maar mijn hart brak toen ik 48 uur later door de stromende regen langs hem rende. Hij was zeiknat. Ik nam hem mee. Een uurtje in de droger, daarna op de verwarming, en hij was weer bij zinnen. Ik heb hem in het raamkozijn gezet, met een goed boek. Een prachtig gezicht. Hij mag natuurlijk voor altijd blijven, maar ik ben nog steeds op zoek naar het papaatje of mamaatje van Monkie.
Stanley Milgram, een briljant sociaal psycholoog, deed in 1967 een mooi experiment. Hij stuurde pakketjes naar 160 willekeurige personen in een stad in Nebraska. De pakketjes waren niet voor deze personen bestemd, maar voor een effectenhandelaar in Boston, de uiteindelijke doelpersoon. De brief bij het pakketje verzocht de mensen het pakketje door te sturen, onder de volgende voorwaarde:
Als u de uiteindelijke doelpersoon niet persoonlijk kent, stuur het pakket dan niet direct naar hem op. Stuur, in plaats daarvan, dit pakket dan naar een persoonlijke vriend of kennis waarvan u denkt dat hij of zij de doelpersoon wellicht wel kent.
Milgram had het idee dat ieder pakketje niet meer dan vijf of zes keer verstuurd hoefde te worden voordat het de effectenhandelaar zou bereiken. Dit leidde tot zijn six degrees of separation these. De wereld is zo klein dat een keten van zes keer handen schudden tussen vrienden of bekenden ons met iedere andere aardbewoner verbindt.
Het is niet duidelijk of de six degrees of separation these klopt, maar dat durf ik niet tegen Monkie te zeggen. Namens Monkie zou ik u het volgende willen vragen:
Monkie werd verloren op de Rijksstraatweg in Haren. Als u het papaatje of mamaatje van Monkie niet persoonlijk kent, zou u dan iemand waarvan u denkt dat zij of hij dichter bij Monkie’s ouders staat attent willen maken op dit artikel?
Als Milgram gelijk heeft, dan moet, in een tijd waarin we niet beperkt worden door de snelheid van postbezorgers, Monkie binnen een week weer thuis zijn. Ik houd u (van Monkie en van het gelijk of ongelijk van Milgram) op de hoogte.
Wat is een rijsttafel? Ik heb geen idee. Dat wil zeggen, ik heb geen idee wat de essentie van een rijsttafel is. Mijn definitie van ‘rijsttafel’ is pragmatisch. Als ik een rijsttafel maak kies ik hoofdgerechten, rijst en bijgerechten die ik lekker vind of waarvan ik weet dat mijn gasten ze lekker vinden. Al deze gerechten zet ik bij elkaar op tafel met voor de sfeer een batikkleedje, bamboe onderzetters en een lumpang met seroendeng. Kijk, rijsttafel!
Lizzy van Leeuwen schreef in De Groene Amsterdammer een essay over Geert Wilders. Of nee, Van Leeuwen schreef een stuk over Indo’s, over mij dus en wellicht ook over u. Het is een slecht beargumenteerd stuk, ruimschoots gelardeerd met vage associaties en met tot oorzakelijke verbanden opgeblazen samenlopen van omstandigheden. Van Leeuwen schrijft als een toean blanda die de geest van Indo’s meent te doorgronden op grond van enkele observaties over de geschiedenis en wederwaardigheden van een bevolkingsgroep die nauwelijks als groep kan worden aangeduid.
Ik zal mijn bespreking beperken tot het dieptepunt van Van Leeuwens essay. Ze schrijft: “In de jaren dertig, nog in Nederlands-Indië, sloten relatief veel Indo’s zich aan bij de NSB (zeventig procent van het ledenaantal).” Wat wil Van Leeuwen hiermee suggereren? Dat Indo’s gevoeliger waren voor de leer van de NSB? Dat extreem-rechts Indo’s in het bloed zit? Dat dit culturele bloed bij Wilders door de aderen stroomt? Wat kunnen we eigenlijk concluderen uit het feit dat 70 procent van de leden Indo was? Om iets zinnigs over dit percentage te zeggen moeten we weten wat de verhouding was tussen het aantal Indo’s en het aantal totoks (volbloed Nederlanders) in de jaren ‘30 in Indië. De gegevens zijn niet erg betrouwbaar, maar het CBS schat de verhouding 3 op 1. Dus 75% Indo tegenover 25% totok. De Indische NSB was dus gewoon een afspiegeling van de Nederlandse bevolking ter plaatse!
In 1937 telde de Indische NSB ongeveer vijfduizend leden. 70 procent daarvan was Indo. Dat zijn 3500 leden. Er waren in die tijd ongeveer 200.000 Indo’s in Indië. Dus 1,75 % van de Indo’s was lid van de NSB. (In Nederland kreeg de NSB op haar hoogtepunt tussen de 7 en 8 procent van de stemmen.) Let op, nog geen twee procent was lid van de NSB! Uiteraard klopt dit getal niet. Van de 200.000 Indo’s moeten we de kinderen afhalen, omdat die geen lid konden worden. En misschien daarom ook wel de vrouwen, omdat ze feitelijk niet snel lid werden. Maar stel, we houden dan 50.000 Indo’s over die mogelijk lid kunnen worden van een politieke partij. Dan kiest nog steeds slechts 7% voor een lidmaatschap van de NSB. Ruim 90 procent dus niet! Dus luidt de conclusie dat verreweg de meeste Indo’s niet kozen voor een lidmaatschap van de NSB, ondanks dat ze misschien wel doodsbang waren voor de teloorgang van de Nederlandse invloed in Indië en daarmee hun bevoorrechte positie. Dat zeggen de cijfers.
Maar Van Leeuwen is niet geïnteresseerd in cijfers, ze wil de essentie van de Indo begrijpen. En essenties hebben niets te maken met werkelijke cijfers. Essenties hebben te maken met de wil om een bevolkingsgroep in een bepaalde hoek te zetten, anders af te schilderen dan de andere bevolkingsgroepen. Ooit zal iemand hebben geschreven dat relatief veel Indo’s lid werden van de NSB. Van Leeuwen heeft dit door haar vooringenomenheid opgepikt als tekenend feit: Indo’s willen in wezen Hollandser zijn dan de Hollanders. Daarom hebben Indo's moeite met multiculturalisme en moslimimmigratie. Het spijt me Van Leeuwen, maar dit is kul. Het snijdt net zoveel hout als het idee dat vrouwen in wezen onderdanig zijn (en heb het lef eens mij op dit punt tegen te spreken!) of dat negers minder rationeel zijn.
Wat zijn Indo’s? Nakomelingen van blanke mannen en Indonesische vrouwen. Niet meer, niet minder. Wat we gemeenschappelijk hebben is een bepaald type voorouderlijk gedrag. Een van onze blanke voorvaderen heeft het ooit met een inlandse vrouw gedaan, en dat kind als het zijne erkend. Daardoor ontstond een tussenklasse van geen-Nederlanders-maar-ook-geen-Inlanders. Een klasse die, zoals alle klassen, hogerop wilde, richting de klasse van blanke Nederlanders. Maar ook een klasse zonder eenduidige culturele wortels. Een ratjetoe. Indisch eten, Nederlands spreken, Indisch zingen, Hollands denken, of alles omgekeerd, het maakte niet zoveel uit. Er was geen leidraad anders dan de vleselijke mengvorm en de onvermijdelijkheid en het pragmatisme van het dagelijks leven.
Ik heb ooms en tantes van uiterst links tot rechts. Ik heb neven en nichten van rockers, tot R&B-liefhebbers, tot line-dancers. Wie van hen is de echte Indo? Van Leeuwen meent het antwoord te weten, maar ze is verblind door haar drang een grote gemêleerde groep te vatten in één enkele essentie. Terwijl we, juist omdat we Indo zijn, niet zijn gevangen door vermeende essenties. Er zijn in Nederland zeker 800.000 mensen van Indische afkomst. Voor al deze mensen geldt dat ze van jongs af aan en van huis uit weten dat er alternatieven zijn voor de Nederlandse cultuur, maar dat je het in je leven wel met, en in de Nederlandse samenleving zult moeten doen.
Daardoor ervaar ik mijn culturele wortels als een rijsttafel, een ingewikkelde rijsttafel, dat wel. Met gerechten uit Nederland en Indië, en omdat er toch geen vaste regels zijn, ook gerechten uit Afrika, Azië en Amerika. Ik houd niet van de rijsttafel van Wilders. Maar, anders dan Van Leeuwen, weet ik dat het een rijsttafel is. Er staan grote schalen op die multiculturalisme of moslimimmigratie niet kunnen verdragen. Die schalen zal hij ongetwijfeld aangereikt hebben gekregen van zijn ouders of grootouders, ooms, tantes, neven of nichten. En toch, omdat hij een Indo is, moeten er ook bijgerechten zijn. Er moet ergens een gerecht zijn dat zegt dat nieuwe Nederlanders de tijd en ruimte moeten krijgen om net als wij een tafel met verschillende gerechten te ontwikkelen. Ik houd de hoop dat hij er ooit een hap van zal nemen…
Van Leeuwen reduceert Wilders, en daarmee Indo’s, tot eenheidsworst met een enkele karaktertrek als leidraad. Haar logica is daarmee gelijk aan de logica van Wilders die moslims reduceert tot hun essentie. Een logica die op basis van enkele extreme moslims of enkele extreme Indo’s naar de essentie van moslims of Indo’s redeneert is een logica die de veelvormigheid en plooibaarheid van mensen vernietigt. De logica van Van Leeuwen vernietigt de rijkheid van de rijsttafel en zet er een onsmakelijk eenpansgerecht voor in de plaats. Dàt neem ik haar zeer kwalijk.
Vorige week melden diverse kranten en het Radio 1 Journaal:
Siamese tweeling geboren in Indonesië
25 juni 2009
TEMBILAHAN - In een ziekenhuis op het Indonesische eiland Sumatra, in de provincie Riau, is afgelopen donderdag een Siamese tweeling geboren. De twee jongens delen alle vitale lichaamsdelen, behalve hun hart en hun hoofden. De artsen kunnen de kinderen niet van elkaar scheiden, schrijven lokale media zaterdag.
De tweeling werd donderdag geboren en woog na de geboorte 3,2 kilogram. Artsen besloten de tweeling met een keizersnee te halen. Tubagus Odih, een kinderchirurg aan het ziekenhuis waar de Siamese tweeling verblijft, zei al dat het onmogelijk is om de twee te scheiden van elkaar. De kinderen hebben nog geen naam gekregen. Inwoners van het gebied rondom het ziekenhuis kwamen vrijdag al massaal een kijkje nemen. Veel mensen willen de bijzondere tweeling met eigen ogen zien.
Wat is een Siamese tweeling? Beter gezegd, wanneer is een Siamese tweeling een tweeling? Wanneer is er sprake van twee personen die aan elkaar zijn gegroeid, en wanneer moeten we spreken van één persoon met extra lichaamsdelen?
Mijn oma kwam met ter wereld met aan één voet zes tenen. Voor zover ik weet werd die extra teen verwijderd zonder dat iemand het gevoel had dat daarmee een persoon kwam te overlijden. De extra teen werd niet beschouwd als een klein stukje van een tweede persoon: mijn oma en een teen van haar Siamese tweeling. Maar wanneer spreken we dan wel van een Siamese tweeling, van twee personen die voor een deel met elkaar zijn vergroeid?
De tweeling op Sumatra deelt alle vitale lichaamsdelen, behalve hun hart en hoofden. En dat laatste is, denk ik, het belangrijkste. Het aantal hoofden bepaalt met hoeveel personen we te maken hebben. Neem het meest extreme tegenovergestelde geval. Stel dat er iemand wordt geboren met één hoofd, en vanaf de nek twee lichamen. Noemen we dit dan een tweeling? Ik denk het niet. Eén hoofd is één persoon. Twee hoofden is twee personen. Enzovoort, volgens het volgende uitgangspunt:
Uitgangspunt 1
Het aantal personen dat in een menselijk wezen huist, is gelijk aan het aantal hoofden dat dit wezen bezit.
Ik spreek hier expliciet van menselijk wezen, omdat lezers van fantasieverhalen doorgaans geen moeite hebben met een twee- of meerkoppig monster. De meeste lezers zullen dat wezen ook als één monster beschouwen (alhoewel je om het te doden waarschijnlijk beide hoofden moet doorklieven met de bijl-bedoeld-om-tweekoppige-monsters-te-doden). Maar monsters zijn nooit personen, en mensen wel. Dus daarom moet bij menselijke wezens het aantal personen worden vastgesteld als het aantal hoofden groter is dan één. Deze hoofdlijn van ons denken is uiteraard het gevolg van het feit dat we het hoofd en de hersenen zien als de zetel van wat het dan ook maar is dat een wezen tot persoon maakt.
Bekijk voor u verder leest deze video van de Siamese tweeling Abby en Brittany Hensel.
Abby en Brittany beschouwen zichzelf als twee totaal verschillende personen:
Believe me, we are totally different people. We usually bargain with each other like: “If you do this, I’ll give you that” or / we take turns. We take turns a lot. [0’:58’’ van de video]
De commentaarstem spreekt van perfect teamwork (“[...] they appear to be totally in sync”). Maar perfect teamwork is nogal zwak uitgedrukt. De zin hierboven spreken ze samen uit. Op de plek waar ik een “/” heb neergezet, neemt de een het naadloos van de ander over. En de korte reportage laat zien dat de meisjes slagen voor hun rijexamens, terwijl ze neurologisch gezien allebei een andere arm aansturen! In de laatste beelden zit de tweeling gedachteloos te klappen. En in de oningekorte documentaire (zie voor een link ook onderaan dit blog) zien we hoe de handen van Abby en Britt snel en gecoördineerd, als tien vingers van één persoon, over het toetsenbord vliegen terwijl ze e-mailen en chatten. Zijn dit twee personen, of is dit één persoon met twee hoofden?
Laten we even vasthouden aan bovenstaand uitgangspunt, en zeggen dat er sprake is van twee personen omdat er sprake is van twee hoofden. Het is duidelijk dat het typen, autorijden en praten van Abby en Britt via weet ik veel wat voor loops, feedback loops, koppelingen en terugkoppelingen met elkaar is verweven.
David Chalmers en Andy Clark hebben in de cognitieve psychologie en filosofie het zogenaamde pariteitsprincipe geformuleerd en verdedigd:
Pariteitsprincipe
Als, op het moment dat we een taak aanpakken, een gedeelte van de wereld functioneert als een proces dat we, zou het zich in ons hoofd afspelen, zonder twijfel zouden beschouwen als onderdeel van het cognitieve proces, dan is dat gedeelte van de wereld (gedurende die tijd) onderdeel van het cognitieve proces.
Volgens dit pariteitsprincipe is Abby continu onderdeel van de cognitieve processen van Britt, en omgekeerd. Misschien zouden we op grond van de innige verstrengeling tijdens het autorijden, typen en het maken van opdrachten zelfs kunnen spreken van één cognitief proces verdeeld over twee hoofden. De extreme mate waarin dit bij Abby en Britt gebeurt is bijzonder, maar op zich is een cognitief proces dat is verdeeld over twee of meerdere hoofden geen uitzonderlijke situatie. Overal waar mensen in intensieve samenspraak aan een taak werken kan dit plaatsvinden. Zolang er ook momenten zijn waarop de wegen zich scheiden en de geesten zich alleen aan een taak zetten, blijven er voldoende redenen over om van twee personen te spreken. Aangezien Abby en Britt op school ieder hun eigen proefwerken maken, en de leraar Engels ze tijdens de les afzonderlijk aanspreekt blijft er dus sprake van twee aparte persoonlijkheden. En zeggen Abby en Britt ook zelf niet dat ze twee verschillende personen zijn?
Kortom, het pariteitsprincipe is niet sterk genoeg om uitgangspunt 1 te betwijfelen. Zolang de hoofden ook los van elkaar kunnen functioneren, is het zinvol om te spreken van per hoofd één persoon. Maar, laten we de kwestie eens van de andere kant benaderen. Over het volgende uitgangspunt zijn we het doorgaans ook eens:
Uitgangspunt 2
Als iemand met één hoofd zegt dat ze meerdere persoonlijkheden heeft dan is dat een verstoorde, ongezonde situatie (MPS, meervoudige persoonlijkheidsstoornis).
Stel nu dat we iemand met MPS zouden aanmoedigen het bestaan van de twee personen in haar hoofd zoveel mogelijk uit te bouwen en cultiveren. Zou ze dan niet met het zelfde gemak als Abby en Britt zeggen dat haar persoonlijkheden sterk van elkaar verschillen? Zou het voor haar dan niet zo zijn alsof twee personen samen één lichaam delen? Zou haar leraar Engels dan haar twee persoonlijkheden afwisselend kunnen bevragen? Zou ze dan twee keer tentamen kunnen doen op twee onderscheiden wijzen? Kortom, het feit dat Abby en Britt zeggen dat ze verschillende personen zijn, en het feit dat een leerkracht dit bevestigt, is niet voldoende om te bewijzen dat het ook twee personen zijn.
Dit brengt ons bij een derde en een vierde aanname die aan ons denken over wat een persoon is te grondslag liggen.
Uitgangspunt 3
Bewustzijn zit daar waar de hersenen zitten.
Uitgangspunt 4
Het aantal personen dat in een menselijk wezen huist, is gelijk aan het aantal plekken voor bewustzijn dat in dat wezen aanwezig is.
Aangezien de hersenen van Abby onderscheiden zijn van de hersenen van Britt, zijn Abby en Britt op grond van uitgangspunt 3 en 4 onderscheiden personen. Uitgangspunten 3 en 4 kunnen in feite uitgangspunt 1 kunnen vervangen (dat zou ook allerlei lastige puzzeltjes oplossen, zoals waar een persoon is als haar hersenen in een vat drijven en via zenders en ontvangers verbonden is met een lichaam dat elders is).
Bewustzijnsexternalisten betwijfelen uitgangspunt 3. Met andere woorden, zij betwijfelen dat het bewustzijn daar zit waar de hersenen zich bevinden. Let wel, zij betwijfelen niet dat hersenen bij bewustzijn betrokken zijn, maar zij denken dat er bij bewustzijn meer betrokken moet zijn dan hersenweefsel. In uitgangspunt 3 worden de hersenen beschouwd als het toneel waarop of het vat waarin het bewustzijn zich afspeelt. Daarmee wordt het bewustzijn een passief proces, een live registratie van wat er zich afspeelt op de uiteinden van onze zenuwbanen. En juist dit idee staat de laatste tijd onder druk, bijvoorbeeld door het werk van Alva Noë. Bewustzijn is geen passieve registratie. Bewustzijn is de manier waarop we ons sensomotorisch tot de wereld verhouden. In het Times Literary Supplement vat Evan Thompson de opvatting van Noë als volgt samen:
[W]hat instantiates or realizes visual consciousness is not activity in visual cortical areas, but rather a certain dynamic pattern of sensorimotor relatedness to the environment in which that cortical activity normally participates. In this way, Noë argues, the substrates of consciousness are not exclusively neural, but extend physically and functionally beyond neural systems to include body geared into its environment.
Noë gaat hiermee veel verder dan het pariteitsprincipe van Clark en Chalmers. De cognitieve processen waar Clark en Chalmers zich op richten zijn sowieso voor een belangrijk gedeelte onbewust, althans weinigen zullen problemen hebben met dat idee. Ik kan mij bijvoorbeeld gebeurtenissen herinneren, zonder dat ik me van het gehele herinneringsproces bewust ben. En tijdens een lange autorit op een rustige weg bevat mijn bewustzijn alles behalve de cognitieve vaardigheden die mij doen rijden. Ook de oplossing van wiskundige vraagstukken zie ik vaak zonder te weten hoe ik er op kom. Dat die onbewuste neurale processen aangevuld en uitgebreid kunnen worden met onbewuste niet-neurale processen is dus niet zo schokkend (alhoewel het inzicht wel nieuw is!).
Maar als Noë gelijk heeft, en ik denk dat hij gelijk heeft, dan bevinden de fysieke processen die ten grondslag liggen aan ons bewustzijn zich voor een deel ook buiten ons neurale weefsel. Hersenen en zenuwbanen zijn noodzakelijk voor bewuste ervaringen, maar niet voldoende. Om een bewustzijn te hebben zoals een mens moet je ook een lijf hebben met de sensomotorische eigenschappen van het lijf van een mens. Dat komt omdat ons bewustzijn voor een deel huist in ons lichaam.
Abby en Britt delen een lijf. Als Noë gelijk heeft leidt dit gegeven tot een van de volgende mogelijkheden:
(1) Abby en Britt hebben een duidelijk onderscheiden bewustzijn, zoals u en ik een onderscheiden bewustzijn hebben. Echter, anders dan bij u en ik, is er slechts één lichaam dat tegelijkertijd de bewuste ervaringen van Abby als Britt bepaalt. Het bewustzijn van Abby en Britt komt dus overeen in exact dezelfde mate als waarin hun gezamenlijke lichaam verantwoordelijk is voor hun bewuste ervaringen. Dit overeenkomen van bewuste ervaringen is niet vreemder dan dat u en ik overeenkomende bewuste ervaringen kunnen hebben als we bijvoorbeeld naar dezelfde film kijken.
(2) Het bewustzijn van Abby en Britt gedraagt zich zoals een groep chimpansees. Soms is er sprake van één allesomvattend bewustzijn, zo sterk dat er niet gesproken kan worden van twee personen. Op andere momenten splitst de groep, en is er sprake van twee bewustzijnen (excuses voor het nieuwe meervoud), en dus van twee personen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als de waarnemingen van Abby’s hoofd sterk verschillen van de waarnemingen van Britt’s hoofd. Om een term uit de ethologie te misbruiken, er is dus sprake van een fusion-fission-consciousness. Maar, zolang er ook weer een splitsing mogelijk is, blijft het zinvol om te spreken van twee personen.
(3) Het gezamenlijke bewustzijn van Abby en Britt verschilt niet van het bewustzijn van een mens waarvan de hersenbalk is doorgesneden. Net zoals onze hersenhelften zonder grote coördinatieproblemen ieder hun eigen deel van het lichaam besturen, zo besturen ook Abby en Britt ieder hun deel van het lichaam. Als er bij mensen met een doorgesneden hersenbalk geen sprake is van twee onderscheiden bewustzijnen, dan ook bij Abby en Britt niet. Met andere woorden, Abby en Britt vormen één persoon in dezelfde mate waarin personen met een doorgesneden hersenbalk één persoon vormen.
(4) De vergelijking met personen waarvan de hersenbalk is doorgesneden is zelfs niet nodig, en blijft te veel nadruk leggen op neurologisch weefsel. Abby en Britt vertonen alle kenmerken van een linker- en rechterhersenhelft in een normale situatie. Ook als de hersenbalk intact is vinden belangrijke gedeelten van de voor het bewustzijn bepalende interactie met de omgeving plaats via het lichaam. Wat het bewustzijn bij elkaar houdt is dus het lichaam. Iedere mens is in staat om parallelle persoonlijkheden te ontwikkelen à la Abby en Britt. Sterker nog, de psychologische theorie van het Dialogische Zelf van Hubert Hermans, voorspelt zelfs dat we dit zullen doen ten einde om te gaan met sterk uiteenlopende omstandigheden. Sommige van onze persoonlijke posities maken meer gebruik van de rechter hersenhelft, andere meer van de linker hersenhelft. Analytisch wiskunde bedrijven voelt anders dan holistisch de liefde bedrijven. Maar deze verschillende vormen van bewustzijn zijn toch niet voldoende om te zeggen dat iemand eigenlijk twee personen is? Om precies dezelfde reden vormen Abby en Britt één persoon met verschillende dialogische posities.
Waarschijnlijk zullen de mogelijkheden (1) en (2) de komende jaren worden bekrachtigd, ondanks het feit dat we nu nog miljoenen euro’s investeren in de zoektocht naar de plaats van het bewustzijn binnen de grenzen van de schedel. Mogelijkheden (3) en (4) zijn filosofisch gezien spannender en vragen een herziening van lang gekoesterde uitgangspunten. Vooral het volgende uitgangspunt lijkt meer dan heilig:
Uitgangspunt 5
Gebeurtenissen kunnen slechts in het bewustzijn geraken door prikkeling van zenuwuiteinden of signaaloverdracht via neuraal weefsel.
Uit uitgangspunt 5 volgt dat zolang Abby en Britt geen neurologisch weefsel delen, ze ook geen bewustzijn kunnen delen. In de lange documentaire vertegenwoordigt professor Nick Fisk (Queen Charlotte’s Hospital) duidelijk dit standpunt. Hij is vooral geïnteresseerd in de wijze waarop de tweeling neurologisch functioneert. Ik ben met hem eens dat dit zeer belangrijk is, maar is het voldoende om uitspraken te kunnen doen over het bewustzijn van Abby en Britt? Filosofisch en empirisch onderzoek rond filosofische theorieën zoals die van Noë, zal zich moeten richten op een alternatief voor uitgangspunt 5:
Uitgangspunt 5*, Dualiteitsprincipe
De bewustzijnservaring van een organisme berust niet slechts op haar neurologisch weefsel, maar op alle biologische en niet biologische delen van de werkelijkheid die binnen het sensomotorische bereik van dat organisme vallen.
Mocht dit dualiteitsprincipe houdbaar blijken, dan zullen de bewustzijnservaringen en de persoonlijkheden van Abby en Britt verweven kunnen zijn zoals beschreven in mogelijkheden (3) en (4). In het sterkste geval zijn Abby en Britt dus twee dialogische posities van één persoon. De sensomotorische eigenschappen van hun gedeelde lichaam verknoopt hun bewustzijn zo innig dat het spreken van twee personen niet langer zinvol is. Ze verschillen niet van een mens met slechts één hoofd die met haar linkerhersenhelft het recept voor roti’s bij langs loopt, en met haar rechterhersenhelft geniet van de mêlee aan geuren, kleuren en texturen.
De moeder van de tweeling wil beslist niet dat haar kinderen een wetenschappelijk onderzoeksobject worden. Wellicht heeft ze gelijk, en niet alleen uit haar behoefte om haar kinderen te beschermen en gelukkig te maken. Wellicht liggen zaken als bewustzijn en persoonlijkheid nog te ver voorbij de grenzen van ons kennen, hoe goed onze moderne scanmethoden ook zijn:
I think people need to look at Abby and Brittany as through the eyes of a child. And accept them for what you see. And quit trying to figure out: How does this work? How does that work? How they do this, how they do that? ... And just know that it works, because you can see that. We may never know how Abby and Brittany work, but isn’t it great that they can?!
Pragmatisme is uit ethisch oogpunt geboden, zeker zolang we niet meer dan een aanzet hebben tot een empirisch toetsbare theorie die persoonlijkheid of bewustzijn verbindt met neuronaal weefsel. En toch blijft het intellectueel kriebelen, ook bij de moeder van Abby en Brittany:
There are still times when I think: “Jeez how did they figure that out or how ehh…” It is just amazing how they did that. How they could reach over and itch somebody’s mosquito bite, and yet not feel that sensation. Because Abby pretty much feels what is on her side of the body and Brittany feels what is on her side of the body.
Hoe doen ze dat als slechts niet gedeeld neuronaal weefsel ten grondslag ligt aan hun bewustzijn? Hoe doen ze dat als hun bewustzijn niet tenminste voor een klein deel verbonden is door hun gedeelde lijf?
Nawoord
Tijdens het schrijven van dit stuk kwam het volgende bericht binnen:
Siamese tweeling sterft op eiland Sumatra
Een Siamese tweeling van amper vijf dagen oud is in een Indonesisch ziekenhuis gestorven. De jongetjes stierven enkele minuten na elkaar, schrijft The Jakarta Post. Volgens de behandelende arts Tubagus Odhi was er sprake van hart- en longfalen. Dat meldt het persagentschap Antara.
De twee werden vorige week donderdag geboren in een ziekenhuis in de provincie Riau. Sinds hun geboorte hadden de baby's moeite met ademhalen. Daardoor raakten ze enkele uren voor hun overlijden in kritieke toestand. De dokters konden de kindjes niet meer redden.
"Mijn baby's zijn weg. Mijn vrouw heeft de kinderen niet eens in haar armen kunnen houden, en nu zijn ze er niet meer", aldus de 33-jarige vader van de kinderen. De directeur van het ziekenhuis liet enkele dagen geleden al weten dat het onmogelijk zou zijn om de tweeling van elkaar te scheiden.
Er is een persoon, Lucky B. genaamd. Op Lucky B. zijn de volgende uitspraken van toepassing:
(1) Alle voorspellingen van Lucky B. met betrekking tot het tossen van muntjes komen uit. Dus als Lucky B. zegt: “Het wordt munt”, dan wordt het munt. En als Lucky B. zegt “Het wordt kop”, dan wordt het kop.
(2) Lucky B. zegt vaak: “Soms haal ik kop en munt door elkaar.”
(3) Soms haalt Lucky B. kop en munt door elkaar. (Als hem vlak voor een toss wordt gevraagd: “Is dit kop of munt?”, dan geeft hij wel eens een verkeerd antwoord. Zijn voorspelling komt echter altijd uit, zegt hij “Kop” dan wordt het kop, zegt hij “Munt” dan wordt het munt.)
Op een goede dag krijgt Lucky B. een muntje onder ogen dat gaat worden opgegooid. Hij krijgt de kopzijde van de munt te zien en zegt desgevraagd dat het munt is. Dit antwoord is fout (sic!). Maar de voorspelling die hij daarop doet, “Het wordt munt”, komt uiteraard uit: Het wordt munt.
Wat betekent de uitspraak, “Het wordt munt” van Lucky B. in dit laatste geval?
Vertaalhandleiding A
Lucky B. noemde de kopzijde “munt”, dus “Het wordt munt” betekent dat het kop wordt. Zijn voorspelling komt dus niet uit. Lucky B. is gewoon een extreme bofkont, door een rare talige verwarring komen zelfs zijn onware voorspellingen uit. (Stel dat een tweede persoon, Lucky A., dit weet, en nadat Lucky B. een voorspelling heeft gedaan, deze herhaalt. Wat betekenen de uitspraken van Lucky A. dan? Hetzelfde als de uitspraken van Lucky B.?)
Vertaalhandleiding B
Lucky B. haalt soms de woorden “kop” en “munt” door elkaar (kop-munt-afasie), vooral als hij een zijde van een munt moet identificeren. Dat strookt ook met (2). Echter bij het voorspellen van de uitkomst van een toss, weet hij altijd wat kop is en wat munt is. “Het wordt munt” betekent dus dat het munt wordt. (Deze vertaalhandleiding maximaliseert de waarheid van de uitspraken van Lucky B. = Principle of Charity)
Vertaalhandleiding C
De uitspraak “Het wordt munt” betekent niets. Lucky B. is gewoon een soort machine die correcte voorspellingen doet, zonder de betekenis van de woorden te kennen. (Zo kan ook een theorie ware voorspellingen opleveren, zonder dat het duidelijk is wat de termen van die theorie betekenen.)
Vertaalhandleiding D
De uitspraak “Het wordt munt” verwijst niet naar de uitkomst van de toss, maar naar het gedrag van de mensen die naar de toss kijken. Lucky B. weet niet precies wat kop of munt is, zo blijkt uit zijn gedrag. Maar hij weet feilloos hoe de toeschouwers op de uitkomst van een toss reageren.
Welke van deze vertaalhandleidingen is correct? Wat voor empirisch materiaal zouden we nodig hebben om A, B, C en D te onderscheiden? Zijn er nog andere vertaalhandleidingen mogelijk (oneindig veel misschien)?
Afgelopen zaterdagavond (13 juni 2009), tijdens de Nacht van Kunst en Wetenschap in Groningen, sprak filosoof Bas Haring over zijn stijl van schrijven. Samen met mijn zoons zat ik op de eerste rij. Haring stelde een vrolijk voorbeeld centraal uit zijn verrukkelijke werkje Kaas en de evolutietheorie. Dit boekje wordt in Vlaanderen op de universiteit gebruikt. Volkomen terecht, lijkt mij. Kaas biedt een uitstekende inleiding op de altijd onderschatte briljante kronkels en valkuilen van de evolutietheorie. Verplichte kost dus, samen met The Selfish Gene van Richard Dawkins.
Het voorbeeld uit Kaas dat Haring besprak betrof de konijnen in de Flevopolder. Hoe zijn konijnen in de Flevopolder terecht gekomen? Er waren al konijnen in de Flevopolder voordat het nieuwe land via bruggen en wegen met het oude land verbonden was. Dus ze zijn in ieder geval niet komen lopen. Haring schrijft:
Zou iemand expres konijnen hebben losgelaten? Waarschijnlijk niet. […] Hoe zijn de konijnen er dan gekomen? Ze zijn gezwommen! Flevoland ligt maar een paar kilometer van het vasteland en dat stukje kan een konijn nog wel zwemmen.
[...] Hoogstwaarschijnlijk springen konijnen al eeuwen af en toe op hoop van zegen in het water en doen ze dat nog steeds.[…] heel soms heeft een konijn geluk en belandt hij op bijvoorbeeld Flevoland.
Daar belandt hij dan samen met een vrouwtje dat ook geluk heeft gehad. De twee vinden elkaar en de Flevose konijnen populatie is geboren. Toch blijft het knagen, want waarom zouden konijnen gaan zwemmen, en zo’n stuk gaan zwemmen? Zijn ze net zo avontuurlijk aangelegd als onze Polynesische neven en nichten? Een konijn is toch geen dier dat puur voor de lol een paar kilometer de kust uit zwemt om te kijken of daar iets te doen is? Konijnen konden de Flevopolder zien noch ruiken. Dus wat maakt doorgaans zorgeloos rondhuppelende konijntjes tot watertrappelende rammelaars en voedsters?
Waarom zou een konijn een sprong in het koude en onbekende wagen als hij een heerlijk rustig leventje leidt, met voldoende gras te eten? Omdat hij helemaal geen rustig leventje leidt met voldoende gras te eten! Nee, voor konijnen is het leven zwaar. Radeloos en met honger van een paar dagen wil je dan wel een sprong in het diepe wagen.
Afgelopen zaterdag biechtte Haring op dat de deze verklaring uit Kaas niet klopt. Als konijnen zo nu en dan van de Veluwe door het water naar de Flevopolder oversteken, dan moeten er nog steeds konijnen zwemmend aankomen. Het genetisch materiaal van deze waterkonijnen vermengt zich met de rest van de Flevopopulatie, zodat de variatie in de Flevopolder ongeveer net zo groot moet zijn als de variatie op de Veluwe. Maar, zo blijkt uit onderzoek, de genetische variatie binnen de konijnenpopulatie in de Flevopolder is erg klein. Zo klein dat de ‘overzwem’-theorie niet kan kloppen.
Volgens Haring doet dit er echter niet toe voor het boek. In Kaas gaat het om de denkwijze. Het verhaal van de Weissmüller konijnen is een metafoor, met als doel de lezer een ingang te verschaffen in de wijze waarop binnen evolutietheorie wordt nagedacht over dit soort zaken.
Dat metaforen een uitstekend didactisch middel zijn kan ik alleen maar beamen, alhoewel ik mijn twijfels heb bij de term metafoor. Ooit, in klas vijf van de lagere school, heb ik de evolutietheorie uitgelegd aan de hand van een verhaal over rondjes die in een land leven dat meer geschikt is voor vierkantjes. Maar natuurlijk zijn niet alle rondjes perfect rond, sommige zijn ietsje hoekig en die doen het dus iets beter dan hun perfecte soortgenoten, enzovoort. Een verhaal kan onzinnig zijn, onwaar zijn, en juist daardoor de gedachtelijn perfect weergeven. (Een mooi recent wetenschappelijk voorbeeld wordt gevormd door de Tarbutniks van Jablonka.)
Maar als een gedachtelijn betrekking heeft op een stand van zaken in de werkelijkheid, dan moeten de feiten wél kloppen. Haring gebruikt de konijnen uit de Flevopolder om aannemelijk te maken dat alle planten en dieren feitelijk een zwaar leven hebben.
Misschien denk je dat het in ons land wel mee zal vallen met dat zware leven in de natuur. Het ziet er allemaal zo vredig uit: musje hier , konijntje daar; niks geen harde strijd op leven en dood. Maar het zal je nog vies tegenvallen. Neem nou weer die konijntjes.
Als je wilt aantonen dat het leven in de natuur feitelijk zwaar is, dan moet je je baseren op feiten (of extreem postmodernist worden). Als konijnen feitelijk regelmatig de oversteek wagen, dan zou dat inderdaad een aanwijzing kunnen zijn voor de zwaarte van hun bestaan. Maar nu blijkt dat konijnen nooit de oversteek wagen, en er waarschijnlijk in eerste instantie door een stel onverlaten zijn neergepoot, dan pleit dat eerder voor het beeld van een uiterst comfortabel bestaan op de Veluwe. Sterker nog, als de variatie binnen de Flevopolder nu nog steeds veel kleiner is dan die op de Veluwe, dan nemen konijntjes dus niet eens de moeite om de brug over te lopen. Konijntjes blijven zitten waar ze zitten omdat het er zo fijn en gezellig is.
Stel je bent konijn, en stel verder even dat je een stoere rammelaar bent. Dan is het zaak om erbovenop te zitten. Voor je het weet ben je een vruchtbare voedster misgelopen, en als dat te vaak gebeurt zal de familielijn bij jou eindigen. Dus haal je het niet in je hoofd om een paar kilometer te gaan zwemmen, hoe zwaar het leven ook is. Het is beter om je uitgehongerd en met je laatste krachten op een voedstertje te werpen, dan om aan te tonen dat de triathlon ook weggelegd is voor konijnen. Hieruit kunt u overigens terecht afleiden dat als er al zwemmende konijnen zijn geweest, dit hoogstwaarschijnlijk net bevruchte voedsters waren, op zoek naar betere tijden voor hun kroost.
Konijnen veroveren de wereld stukje bij beetje, de vrouwtjes voorop, de mannetjes erachteraan. Zolang het maar gezellig blijft.
Als het over feiten gaat mogen metaforen geen fabeltjes worden. Daarom moet Haring het voorbeeld van de Flevo konijnen herzien. Of, lees Kaas en de Evolutietheorie en bedenk zelf een goed voorbeeld ter ondersteuning van het feit dat het leven in de natuur zwaar is.
Het was zo’n mooi koppel, Yan en Jolanthe. Yan uit Volendam en Jolanthe ergens anders vandaan. Jong, verliefd en samenwonend. We hebben er twee-en-een-half jaar van kunnen genieten in foto’s en filmpjes op net en web. Maar vorige week kwam er plotseling een eind aan het sprookje. Yan & Jolanthe was niet meer. Nou, plotseling is wat te veel gezegd. Yan had zijn oog al een tijdje op een ander laten vallen, en Jolanthe flirte onzachtzinnig met Wesley Sneijder. Dit nieuws domineerde de media meer dan de crisis, de Mexicaanse griep of de berechting van Joyanda. Gaan we nog steeds naar de haaien? Claimt een virus de wereldmacht? Mogen we eindelijk weer eens een ouderwetse heksenverbranding aanschouwen? Geen idee. Maar Balkende heeft het 06-nummer van Yan en Wouter Bos kent de scoringsdrift van Wesley Sneijder. Zoveel is zeker.
Filosoof Rob Wijnberg wijdde zijn column in NRC Next aan deze gekte. Als dit het is wat onder het volk leeft, dan is Wijnberg naar eigen zeggen straks de eerste die zijn paspoort inlevert en op zoek gaat naar een ander volk. “RTL, SBS, de Volkskrant, het NOS Journaal: allemaal doken ze op het nieuws als vliegen op een koeienvlaai.” Allemaal vanuit hun journalistieke missie om feiten te verzamelen over recente gebeurtenissen van algemeen belang. Ja, zo verzucht Wijnberg, kennelijk is geneuzel over Yan en Jolanthe wat het volk wil.
En kennelijk wil Wijnberg laten zien dat hij daar niet bij hoort. Nee, Rob hoort bij de meta-roddelaars. “Heb je al gehoord waar de kranten en leden van het kabinet het over hadden? Yan en Jolanthe! Belachelijk, hè?!” Ons soort mensen verlustigt zich niet aan het lief en leed van TV-sterretjes. Ons soort mensen kijkt niet om naar stuntelende Toppers en andere Boulevard types. Intellectueel Nederland leest en denkt na over zaken van Europees-, wetenschappelijk- en wereldbelang. Sterrenstelsels in plaats van sterrenstelletjes. Wij filosofen weten wat het gepeupel wil, en dat is precies wat wij niet willen.
Bezie de kudde die aan je voorbijgraast: zij weet niet wat gisteren, wat vandaag is, ze dartelt rond, vreet, rust verteert, dartelt verder, en zo van de ochtend tot de avond, dag aan dag, in haar lust en onlust kort aangelijnd aan de pin van het ogenblik…*
Hoe kan iemand nu trots zijn op dit Nederland, het grootste weiland ter wereld, met zo ongeveer de hoogste kuddedichtheid? Laten we onze paspoorten inleveren en op zoek gaan naar een andere kudde. Of, nog beter, laten we aan gene zijde van iedere kudde blijven. Want het is om gek van te worden. De kudde die Wijnberg beziet mag nog stemmen ook. Wat heeft meer invloed op de verhoudingen in de Tweede Kamer na de volgende verkiezingen, de woorden van Yan en Albert Verlinde of een filosofische essay in een kwaliteitskrant?
De analyse van Wijnberg is te verveeld en te gemakkelijk, zoals de analyse van de roddelpers al sinds de jaren 1980 te gemakkelijk is. De vraag is niet hoe snel de elite haar paspoort moet inleveren, de vraag is waarom miljoenen mensen, waaronder heel veel slimme, intelligente en briljante intellectuelen, beroerd worden door Yan en Jolanthe. Nederland is een geweldig denkland, met overal bibliotheken, lezingen, cursussen, discussiegroepen, filosofie- en wetenschapscafés en symposia. Voor wie wil is in een stad als Groningen elke dag wel ergens intellectuele diepgang te halen. Een mediahype rond een gebroken liefdesrelatie brengt hier geen verandering in. Of misschien is een mediahype rond Yan en Jolanthe juist de ultieme motor achter ons Nederlandse denkklimaat.
Niet iedereen wil zich verdiepen in politiek, kunst en wetenschap. Dat is geen morele uitspraak, maar een feit. De een wil zich op een andere manier bij Nederland betrokken voelen dan de ander. De een windt zich op over Yan en Jolanthe, de ander over Jan Peter en de Dalai Lama. Zoals Darwin ons heeft geleerd, heeft dat te maken met de onvermijdelijk ongelijke verdeling van intellect, interesses en aandrang tot diepgang. En die verrukkelijke spreiding van intellectuele hoogwerkers tot kneuterige grazers is voor ons soort mensen nu juist de reden om het Nederlandse paspoort te koesteren.
* De openingszin van Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven, van Friedrich Nietzsche
Hieronder de eerste aflevering van een aantal pogingen waarin ik het filosofisch externalisme probeer uit te leggen. In dit artikel zijn alle namen aan te klikken en ook zoveel mogelijk de vaktermen. Woorden als 'bewustzijn', 'intentionaliteit' en 'geest' gebruik ik door elkaar.
Er is een heel eenvoudige argumentatie te geven voor externalisme: (1) Daniel Dennett heeft gelijk. De hersenen zijn een informatie verwerkend systeem. Dat wil zeggen, de hersenen zijn het equivalent van een Turingmachine, een lang papieren lint met nullen en enen dat onder een schrijf-, wis- en herschrijfkop doorschuift volgens uiterst eenvoudige machine-instructies. De hersenen voeren evenzo slechts berekeningen uit. Ieder neuron doet niet meer dan een eenvoudige optelling maken van inkomende signalen en een signaal afgeven als een drempelwaarde wordt overschreden. Voor alle duidelijkheid, in de hersenen gebeurt dit massaal en parallel, maar dit maakt geen principieel verschil. Het blijft rekenen. (Bewustzijn is volgens Dennett een gevolg van deze rekenkundige hersenactiviteit.) (2) John Searle heeft gelijk. Een systeem dat niet meer is dan het equivalent van een Turingmachine kan nooit bewustzijn, intentionaliteit, qualia, en dergelijke voortbrengen. Dit volgt rechtstreeks uit het Chinese kamer gedachte-experiment van Searle. De persoon in de Chinese kamer geeft begrijpelijke antwoorden, zonder zelf iets van het Chinees te begrijpen. Computers voeren ingewikkelde berekeningen uit, maar daaruit kan nooit bewustzijn of intentionaliteit ontstaan. Op het eerste gezicht lijken (1) en (2) met elkaar in tegenspraak te zijn. Searle en Dennett kunnen niet allebei gelijk hebben. Dennett heeft hieruit de conclusie getrokken dat Searle de kracht van een massale parallelle Turingmachine onderschat. Mits het computerprogramma of de reeks instructies doorwrocht en uitgebreid genoeg is, zal een Turingmachine intentionaliteit (‘geestelijkheid’) verkrijgen. Searle heeft volgens Dennett vooral een gebrek aan voorstellingsvermogen. Searle, daarentegen, trok uit de vermeende tegenspraak de conclusie dat er in de hersenen meer aan de hand moet zijn dan slechts informatieverwerking. Het blijft echter onduidelijk waarin dit surplus gelegen kan zijn. Searle bracht speciale biologische eigenschappen, quantummechanica en ontologische subjectiviteit naar voren als mogelijke lapmiddelen. Dennett was volgens hem een dogmatisch fysicalist. Maar (1) en (2) lijken slechts met elkaar in tegenspraak te zijn. Stel nu eens dat de hersenen inderdaad niet meer zijn dan een complexe rekenmachine, en stel nu ook eens dat een complexe rekenmachine nooit genoeg is voor bewustzijn, dan volgt daaruit dat de hersenen niet voldoende zijn voor bewustzijn. Met andere woorden, voor bewustzijn zijn hersenen noodzakelijk, maar niet voldoende. Dat idee vormt het uitgangspunt voor externalisme. Dus: (1) De hersenen zijn een informatieverwerkend systeem. (2) Een informatieverwerkend systeem kan geen bewustzijn voortbrengen. (3) Een menselijke geest is onlosmakelijk met bewustzijn verbonden. Dus: (4) Menselijke hersenen zijn niet voldoende voor een menselijke geest. Uiteraard verschilt deze conclusie nauwelijks van de conclusie die René Descartes trok, en die tot zijn dualistische opvatting leidde. Het verschil is dat waar Descartes materie aanvulde met geest, externalisme de hersenen aanvult met de rest van het organisme en de omgeving. Bewustzijn ontstaat als een informatieverwerkend systeem in relatie komt te staan met een lijf en omgeving waarop de informatie betrekking heeft, of kan hebben. Anders geformuleerd, als breinactiviteit in verband komt te staan met van alles wat buiten dat brein ligt, dan kan er bewustzijn ontstaan. Ik zal hier niet ingaan op de lastige vraag hoe dat verband tussen brein, lijf en omgeving er precies uit moet zien. Maar let op, het idee dat het om een fysieke wisselwerking zou gaan is niet voldoende. Ieder organisme, zelfs een eencellige, heeft een wisselwerking met zijn omgeving, maar niet ieder organisme heeft een geest (dat laatste is althans mijn uitgangspunt). Daarnaast behelst een wisselwerking niet meer dan een informatiestroom van de omgeving naar het organisme en terug, en ik ben het met Searle eens dat informatiestromen niet voldoende zijn voor het ontstaan van een geest. Samengevat: (1) De hersenen, ook in wisselwerking met de omgeving, zijn een informatieverwerkend systeem. (2) Informatieverwerkende systemen geplaatst in informatiestromen zijn niet voldoende voor bewustzijn. (3) Hersenen zijn derhalve niet voldoende voor bewustzijn. (4) Descartes had gelijk, intentionaliteit en bewustzijn zijn niet in de hersenen te lokaliseren. (5) Dus, bewustzijn moet buiten de hersenen worden gelokaliseerd (Descartes), of bewustzijn is niet te lokaliseren (Mark Rowlands).
Volgens het essentialisme is identiteit iets dat je bezit, en dat onlosmakelijk met jouw wezen verbonden is, er wellicht zelfs mee samenvalt. Essentialisten zullen je aanmoedigen om op zoek te gaan naar jezelf, of je vragen wie je werkelijk bent, wat je diepste verlangens zijn en wat je nu eigenlijk echt wilt. Daarmee spijkeren essentialisten je vast op het kruis van je lijf en verleden, en nodigen je uit dat voortaan trots te dragen. Samenvallen met je werkelijke ik of je echte wezen ontdekken is zoveel als toegeven dat je autobiografie geschreven is, en dat de rest van je leven gekenmerkt zal worden door een eeuwige wederkeer. Uiteraard kun je je wel anders voordoen dan je bent, maar die rol zal altijd vreemd aanvoelen, en op den duur leiden tot vervreemding, stress en depressiviteit. Voor nominalisten daarentegen is identiteit niet iets wat je bezit en waar je naar op zoek moet, maar is identiteit dat wat je van jezelf maakt in het creatieve proces dat “je leven” heet. Je handelen is niet het gevolg van je identiteit. Nee, je identiteit is het resultaat van je handelen. En zolang je in staat bent je handelingen te veranderen, ben je in staat je identiteit te veranderen. Identiteit is niet verkleefd aan je lichaam, aan je brein of aan beide. Identiteit is net zo modificeerbaar en uitbreidbaar als je lichaam en je brein. Identiteit is een kunstwerk dat tijdens je leven tot stand komt, en dat vraagt om experimenten, grensoverschrijding, mislukkingen en successen.
So people that society once considered to be disabled can now become the architects of their own identities. And indeed continue to change those identities by designing their bodies from a place of empowerment.
Uiteraard is dit niet slechts voor gehandicapten weggelegd. Iedereen kan haar of zijn identiteit opnieuw vormgeven en veranderen. Het lichaam is geen beperking, mag geen beperking zijn, net zomin als het brein. Het heeft een groot voordeel om een lezende primaat te zijn in de 21ste eeuw. Je identiteit en menselijkheid zijn slechts gebonden aan de grenzen van techniek en fantasie. Welke andere diersoort kan dat nu zeggen? Daarmee geeft Mullins een prachtig antwoord op de vraag wat kunst en wetenschap met elkaar hebben te maken: art transforms science into humanity.
Poetry matters. Poetry is what elevates the banal and the neglected object to a realm of art. It can transform the thing that made people fearful into something that invites them to look and look a little longer and maybe even understand.
By combining cutting edge technology, robotics, bionics, with the age old poetry we are moving closer to understanding our collective humanity.
Atheïsme is iets anders dan de keuze om te geloven dat er geen God is. Geloven in God is een keuze, atheïsme is dat niet. Je kiest er niet voor om niet in kabouters te geloven. Je kiest er niet voor om niet in morfogenetische velden te geloven. Je kiest er niet voor om niet in neurofeedback te geloven. Er zijn domweg geen redenen om wel in kabouters, morfogenetische velden en neurofeedback te geloven, dus doet de keuze zich niet voor. Het staat eenieder natuurlijk vrij om wel in kabouters en aanverwante zaken te geloven, maar dat is dan een keuze. De bewijslast ligt zo bij de gelovigen, niet bij degenen die geen enkele aandrang hebben te geloven. Daarom trachten we te bewijzen dat de ruimte gekromd is, dat de aarde meer dan vier miljard jaar oud is en dat ons DNA erg op dat van chimpansees lijkt. Daarmee ondersteunen we de theorieën van Einstein, het ontstaan van ons zonnestelsel en evolutie. Die bewijslast willen we wel hebben. Maar niet de bewijslast voor het niet bestaan van onzinnige zaken! Want waar zouden we dan moeten beginnen?! Door heel hard te roepen dat God niet bestaat, sterker nog, door heel hard te roepen dat God waarschijnlijk niet bestaat, zadelen atheïsten zich op met een onzinnige bewijslast. Floris van den Berg stond er gisteravond daarom weer knullig bij in Netwerk (dinsdag 10 maart). Joop van Ooijen, die “Jezus redt” op zijn dak heeft gemozaïekt, plaatste keer op keer een overrompelende aanval. Het leven na de dood is zo mooi als je in God gelooft! Wat blijft er van de maatschappij over als niemand meer in God gelooft? Je bent zo gelukkig als je je lot in de handen van Jezus legt! Kortom, Jezus redt. Van den Berg stamelde wat, en aanschouwde trots het billboard van wat hij 'atheïsten' noemt. God bestaat waarschijnlijk niet. Van den Berg had verder niets zinnigs te melden. Natuurlijk niet, want de uitspraak dat God waarschijnlijk niet bestaat is niet te bewijzen. En het is al helemaal onmogelijk om aan te geven wat er ethisch gezien volgt uit de uitspraak dat God niet bestaat. Door atheïsme op deze wijze voor het voetlicht te plaatsen doet Floris van den Berg precies wat atheïsten niet zouden moeten doen: gelovigen de mogelijkheid geven om atheïsme af te schilderen als een religie naast de andere religies. Iedereen die begint met “God bestaat waarschijnlijk niet dus…” heeft niets van atheïsme begrepen. Atheïsme is geen religie. Atheïsme is geen uitgangspunt, maar een eindpunt. We noemen iemand atheïst als zij haar leven denkend en genietend inricht en vormgeeft zonder een verwijzing naar God of goden.
Stel u krijgt van Geert Wilders de opdracht een nieuwe reclamecampagne op te zetten waaruit blijkt dat integratie voor veel buitenlanders een onmogelijke en lachwekkende opgave is. En dat het voor hen dan ook altijd lastig zal blijven een gelijkwaardige plek in de maatschappij te veroveren. En vooral dat dit aan henzelf ligt, en niet aan de immer welwillende Nederlanders. Als dat uw opdracht is, dan zijn de volgende spotjes ideaal (de cursieve tekst is een buitenlandse taal):
Komt een allochtone vrouw bij de dokter: “Maar slaapt u wel genoeg mevrouw Demenchang?” “Nee, geen slaap dokter, bachem ehh, hoofd-pijn!” “Ja, u heeft hoofdpijn, dat weet ik maar ik zoek de oorzaak…” “Oor-zaak, pune… Ahh, komt hoofdpijn door mijn oor?!”
Komt een allochtone man voor werk bij het ziekenhuis: “Dus u wilt weer in het ziekenhuis werken meneer Youssuf, als broeder?” “Ikke één broeder en twee zoes, maarre enne breed ik wil werken in ziekenhaus…” “Ja, dat weet ik. Maar als broeder of als dokter?” “Nes gigun, mijn broeder geen dokter, mijn broeder is kok. Die werke, ik wil ook werk.”
Komt een allochtone moeder op oudergesprek: “Ja, mevrouw Yildiz, de leraar wiskunde die maakt zich zorgen om Ahmed.” “Oh menerre wij zelf zorg voor Ahmed, niet wiskundeleraar.” “Natuurlijk, maar wat ik wil zeggen, Ahmed, doet het hartstikke goed, maar hij kan alleen met wiskunde niet goed meekomen.” “Mettilya, waar naartoe meekomen??? Schoolreis!”
Grappig toch?! Ze leren het ook nooit die buitenlanders. Op de schoolpleinen zullen jongeren de spotjes nadoen, en op kantoren wordt vrolijk, na Goede Moggel, doorgeparodieerd op deze Babylonische spraakverwarring. De campagne zal het beeld versterken van een onoverbrugbare kloof tussen Nederlanders en nieuwkomers. Dat zal op termijn onvermijdelijk zetels opleveren voor de PVV. Wilders zal u deze opdracht echter nooit geven. Dat hoeft hij namelijk niet, want de spotjes maken onderdeel uit van een campagne van onze overheid, het ministerie van VROM.
“Geachte mevrouw of meneer, Ik wil ernstig bezwaar aantekenen tegen de spotjes die op radio en televisie worden uitgezonden in het kader van de campagne Het begint met taal. De dialogen in de spotjes zijn denigrerend voor allochtonen, en doen geen recht aan de verwoede pogingen van honderdduizenden nieuwkomers om zich het Nederlands eigen te maken. De spotjes bekrachtigen het vooroordeel van domme buitenlanders, en dragen zo onbedoeld bij aan het beeld van een onoverbrugbare kloof tussen allochtoon en autochtoon. Eenzelfde campagne had kunnen worden gevoerd aan de hand van spotjes waarin het hakkelende Frans, Spaans of Italiaans van Nederlandse toeristen niet wordt begrepen door een onwelwillende ober of dokter. Ook dan begint het met taal, maar wordt tevens duidelijk dat communicatie twee kanten heeft.